Cultuurstelsel betekenis & definitie

Cultuurstelsel (Het) in Neêrlandsch-Indië. Hoe algemeen die naam in gebruik moge zijn, staat toch de zaak, welke men daarmee bestempelt, niet een ieder, die het woord bezigt, helder en duidelijk voor den geest.

Onder Cultures verstaat men doorgaans bij uitsluiting de teelt van tropische producten voor de Europésche markt, b. v., om alleen van de hoofdproducten te gewagen, suiker en koffij; onder het woord Cultuurstelsel het zamenstel van verordeningen, door het Nederlandsche Staatsbestuur uitgevaardigd om die producten door de inlandsche bevolking ten behoeve van het moederland te doen telen.

Dit laatste is in zooverre onjuist, dat het eigenlijke stelsel in 1830 door den Generaal van den Bosch ingevoerd, de koffij buitensluit, en alleen op thee, suiker, indigo, tabak, peper en enkele andere voortbrengselen van onze Oost-Indische bezittingen is toegepast.

Intusschen hangt de wijze, waarop de teelt der onderscheiden genoemde landbouwproducten verkregen werd te innig zamen, dan dat men van de koffij zou kunnen zwijgen, waar van Cultures en Cultuurstelsel sprake is.

Om het onderwerp goed te verstaan, is het noodig in enkele trekken een overzigt te geven ook van hetgeen daaraan voorafging en daarop een onmiskenbaren invloed heeft geoefend.

Onze voorvaderen kwamen als handelaren met Oost-Indië in aanraking; maar om handels-voordeelen blijvend te genieten, was men genoodzaakt geweest ook zeker politiek gezag te verwerven, dat zich van lieverlede heeft uitgebreid, zoowel wat het territoir, als wat zijn eigenaardigen omvang betreft.

De producten, waar het om te doen was, verkreeg men op verschillende wijzen. Of de O.-I. Compagnie sloot tractaten van levering met inlandsche Vorsten en Regenten, die met de bevolking handelden naar goedvinden, zonder dat de Compagnie zich in de huishoudelijke regeling mengde; óf, waar de Regenten onder het onmiddellijk gezag der Compagnie waren gebragt, werd de leverantie hun opgelegd, nu eens zonder, dan tegen eene karige belooning ten behoeve van de inlandsche bevolking. En die vergoeding kwam nog niet altijd in hare handen, maar strekte doorgaans óf ten bate der Hoofden óf van de ambtenaren der Compagnie zelf, die maar al te dikwerf voor kwade practijken niet terugdeinsden, hetgeen niemand zal bevreemden, die zich herinnert welk slag van volk gewoonlijk naar Indië gezonden werd.

Trouwens, aan de welvaart der bevolking werd niet gedacht: alleen de winsten der Compagnie stonden op den voorgrond. De dividenden, die zij onder de aandeelhouders uitdeelde, waren dan ook een tijd lang ongeloofelijk groot. Maar zij namen toch gaandeweg af: deels door wanbeheer, doch voornamelijk omdat de maatregelen, die men nam, den vooruitgang der productie tegenhielden, terwijl de onderdrukking der bevolking, waarmee het stelsel noodwendig gepaard ging, den lust tot den gedwongen arbeid niet aanwakkerde.

Toen eindelijk de Compagnie geheel failliet was gegaan, en het beheer harer Indische bezittingen in het begin dezer eeuw door den Nederlandschen Staat was overgenomen, bleef men het bestaande handhaven, omdat men meende, dat in een tropisch land alleen een stelsel van dwang mogelijk was. Men beschouwde dien gedwongen arbeid voor de verpligte leverantiën als een stelsel van belasting, — het eenige, waarvoor men den weinig ontwikkelden Javaan vatbaar achtte.

Dat was ook de meening van maarschalk Daendels, die van 1808 tot 1811 Java met veel energie bestuurde. Hij trachtte evenwel vele bestaande gebreken weg te ruimen, en gelastte , dat alle arbeid zou worden betaald, — zooveel mogelijk direct aan de bevolking. De Regenten werden door hem tot Rijks-ambtenaren gemaakt, en hunne inkomsten geregeld.

In 1811 kwamen onze Oost-Indische bezittingen , zooals bekend is, in handen van Engeland, en sir Stamford Raffles werd Luitenant-Gouverneur-Generaal over die gewesten. Hij bragt eene geheele omkeering teweeg in het tot nog toe gevolgde stelsel van beheer.

Bij proclamatie van 15 October 1813 schafte hij over geheel Java het stelsel van dienstpligtigheid en gedwongen leverantiën af, waartegen aan de Hoofden, ter vergoeding voor de inkomsten, die zij daardoor zouden derven, eene voldoende belooning in land en geld werd toegekend. Daarop werden enkele uitzonderingen toegelaten. In de Preanger-Regentschappen bleef de gedwongen teelt en levering van koffij voorloopig in stand. Ook de bosch-cultuur werd op den bestaanden voet behouden. Onder het bewind der Compagnie was het aanplanten en kappen van hout in de bosschen in gedwongen arbeid geschied, en de Hoofden moesten jaarlijks eene zekere hoeveelheid hout leveren. Onder Daendels reeds waren die leveringen afgeschaft, en de gemeenten, met de bosch-cultuur belast, onder een afzonderlijk beheer gebragt. Dat had aan veel misbruiken een einde gemaakt, maar de gedwongen blandong-diensten, als zij heetten, bleven bestaan.

Tegelijk met de ontheffing van den gedwongen onbeloonden arbeid voerde Raffles een nieuw stelsel van belasting in, de zoogenaamde landrente.

De kolonie moest productief zijn, althans hare eigen lasten kunnen dragen: daartoe was heffing van eene belasting in geld noodig. En ziehier hoe men die regelde. Men nam Engelsche toestanden tot punt van uitgang. Daar gold de fictie, dat de Souverein algemeene eigenaar van alle gronden is en niemand daarvan eenig deel kan bezitten, dan hetgeen hij van hem ontvangen heeft, onder verpligting van dienst naar leenregt. Dit pastte men in diervoege op Java toe, dat men aannam, dat de beschikking, die de Hoofden hadden gehad over de opbrengst van de landen, door den kleinen man bezeten en in cultuur gebragt, niet een uitvloeisel was van hun eigendomsregt op den grond; maar dat de landbouwers werden gerekend den grond onder voorwaarde van schatting of pacht in gebruik gekregen te hebben van den Souverein, die hen in hunne gebruiksregten zou handhaven, zoolang zij de opgelegde schatting betaalden.

Die schatting zou bestaan in de waarde van een gedeelte van den oogst van het rijstgewas, grooter of kleiner naarmate van de gesteldheid van den grond. De inning werd, volgens landsgebruik, aan de dorpshoofden opgedragen, die voor het geheele bedrag aansprakelijk werden gesteld.

Om dit te verstaan, moet men weten, dat aan de spits van het dorps- of dessa-bestuur het dessa-hoofd (Koewoe, Bekel of Loerah) staat, die de oudste of invloedrijkste leden der dessa nevens zich heeft, welke gezamenlijk het bestuur vormen en alleen zekere privilegiën, b. v. vrijdom van diensten, genieten. Het geheele bestuur wordt jaarlijks door de gezeten inwoners van het dorp gekozen, tengevolge waarvan dan ook het hoofd, naar de uitdrukking van Raffles „meer de vertegenwoordiger, dan de gebieder van het dorp is”. Die gezeten inwoners zijn de gogols, welke in het bezit zijn van rijstvelden en op wie, of liever op wier landen de verpligting rust van het doen van diensten en dragen van lasten, maar waartegen zij ook het regt hebben, hunne hoofden te kiezen en te ontslaan. Noch die lasten, noch dat recht bezitten de menoempangs, de niet geërfden, die van hun handenarbeid moeten leven, doorgaans voor loon bij den landbouwer werken of ook een handwerk uitoefenen.

Allerlei omstandigheden werkten meê, om de regelmatige werking van het nieuwe stelsel te belemmeren. Vooreerst de overhaasting waarmede het, zonder naauwkeurige voorbereiding, werd ingevoerd, terwijl vele ambtenaren niet op de hoogte waren van hunne taak, en de plaatselijke kennis, alleen door kadastrale opneming te verkrijgen, ontbrak, om de verkregen opgaven te controléren. De achterstallen namen dan ook van jaar tot jaar toe, en beliepen weldra millioenen. En toen in ’t begin van 1815 bekend werd, dat de O.-I. bezittingen weer aan Nederland waren teruggegeven, werd daardoor Raffles’ kracht en ijver gebroken. Tegen het einde van zijn bestuur heerschte in de meeste takken van administratie de grootste verwarring, omdat onverschilligheid, werkeloosheid en willekeur de meeste ambtenaren kenmerkten.

De Nederlandsche Regéring zond drie Commissarissen-Generaal naar lndië, die, tengevolge van allerlei vertragingen eerst den 19den Augustus 1816 het bestuur uit de handen der Engelschen overnamen.

Zij hadden nu te beslissen over de koloniale politiek der toekomst. Er stond te kiezen tusschen twee stelsels. Zou de Nederlandsche Staat zijne inkomsten uit deze gewesten trekken door dwangcultures, waarbij de landbouwers genoodzaakt werden zekere producten tot lage prijzen of onbeloond te leveren, zooals gedurende het beheer der O.-I. Compagnie en zelfs nog onder Daendels geschiedde, of zou men het stelsel van Raffles volgen, dat aan de inboorlingen de vrijheid liet, om op hunne velden te telen wat zij verkozen, zich met den handel niet dadelijk bemoeide en de inkomsten van den Staat niet zocht in handelswinsten, maar in gewone belastingen?

De Commissarissen-Generaal bleken weldra het nieuwe beginsel toegedaan, waaraan zij eene bezadigde en verstandige uitvoering trachtten te geven.

Het landsbestuur werd, met behoud van eigenaardige, onmisbare grondslagen, op beter voet gevestigd. Het beginsel om de bevolking zooveel mogelijk naar eigen overlevering door eigen Hoofden te laten besturen, werd behouden, maar van schadelijke elementen gezuiverd.

Java werd, op het voetspoor van hetgeen reeds sedert Daendels geschied was, in een aantal residenten verdeeld, aan wier hoofd een Nederlandsch ambtenaar stond, met assistent-residenten en controleurs onder zich. De bevelen werden, en worden nog, alleen door bemiddeling van de Javaansche hoofden aan de bevolking gegeven. De aanzienlijkste dier hoofden is de Regent. Iedere residentie is in verschillende regentschappen verdeeld, die wederom in districten zijn gesplitst, aan wier hoofd een Wedono staat, aan den Regent ondergeschikt en verantwoordelijk. Op de laagste sport van de ladder der hoofden staat het Dessa-Hoofd.

Die Hoofden werden bezoldigd. Vroeger, volgens overoud landsgebruik, door zoogenaamd ambtelijk landbezit, dat wil zeggen, dat hun van zekere streek de belastingen, gewoonlijk een deel van den oogst, werden afgestaan. Dat daarbij overschrijding van magt, misbruik en kneveling het gevolg moesten zijn, springt in het oog. Daarom werd voorgeschreven, dat voortaan de bezoldiging der Hoofden alleen in geld mögt plaats hebben.

Eene tweede heilzame bepaling in het belang van ongedwongen arbeid was, dat geen contracten meer mogten gesloten worden met geheele dessa’s, of liever met de dorpshoofden, die daardoor te groote magt, ten nadeele der bevolking, erlangden: voortaan zou men alleen met de bijzondere personen overeenkomsten mogen sluiten. Eindelijk werd den Regenten verboden handel te drijven in producten.

Dat bij dit alles de verpligte teelt van producten niet weer werd ingevoerd, spreekt van zelf. Alleen omtrent de gouvernements koffijtuinen, die zeer verschillend werden beheerd, moest eene afzonderlijke regeling worden gemaakt. Zij viel in zeer liberalen zin uit. De koffijtuinen zouden aan de dessa’s voor een bepaalden tijd worden verhuurd, tegen afstand van een zeker deel van de opbrengst (⅖ of ⅓), in geld of in natura. Het overige bleef ter beschikking der producenten. De Regéring zou jaarlijks den prijs bepalen, waarvoor zij dien voorraad wilde koopen, maar niemand zou gedwongen zijn dien aan te nemen. Weigerde eene dessa op die voorwaarden de tuinen te bewerken, dan zou dit voor Gouvernements rekening met gehuurde arbeiders geschieden. Op gelijke voorwaarden mogt een ieder nieuwe tuinen aanleggen.

Alleen op de Preanger-Regentschappen werd dit stelsel niet van toepassing verklaard: daar bleef, men weet niet waarom, de gedwongen cultuur bestaan, en de bevolking moest het product tot lage prijzen aan de Regéring afstaan, waartegen zij van de landrente bleef vrijgesteld, zooals reeds onder Raffles had plaats gehad.

Ook de gedwongen blandong-diensten werden gehandhaafd.

Wat het belastingstelsel betreft, hielden de Commissarissen-Generaal de landrente in stand, maar zij streefden er naar, om de wanorde, die op dit stuk heerschte, te beteugelen.

Zij behielden den dorpsgewijzen aanslag, ondanks de daaraan verbonden gebreken, omdat aan geene individuele belasting kon worden gedacht, zoolang geene behoorlijke territoriale opmeting had plaats gehad. Provisioneel zou het bedrag der te betalen belasting jaarlijks, wanneer het gewas te velde tot zekere rijpheid was gekomen, naar zekere grondslagen, bij overeenkomst met de Hoofden en Oudsten van elke dessa worden vastgesteld. Zij zou in geld of producten kunnen worden voldaan, bepaalde men, doch in de practijk hield men zich steeds aan het eerste.

Die regeling, hoe gebrekkig ook, bleek uitvoerbaar. De achterstallen verminderden in het oogloopend. En had de voorgenomen opmeting van Java haar beslag gekregen, eene herziening van het stelsel zou welligt niet achterwege zijn gebleven, ofschoon velerlei oorzaken, meest van politiek-financiëlen aard, haar in den weg stonden, waarom alles dan ook, op kleine wijzigingen na, tot op heden zoo is gebleven.

Vrij natuurlijk doet zich de vraag voor: hoe heeft dit stelsel van vrijen arbeid op Java gewerkt? Welke financiële uitkomsten had het voor het moederland ? Op de laatste vraag kan geen gunstig antwoord worden gegeven; maar daaruit volgt nog niet, dat het stelsel zelf onuitvoerbaar was gebleken. De ervaring kon daarover geen licht verspreiden, omdat men aan het stelsel den vrijen loop en zijne natuurlijke ontwikkeling heeft onthouden. Onder het bestuur van den G. G. van der Capellen werd het door de ambtenaren zelve, die het moesten, helpen uitvoeren, tegengewerkt. Europésche ondernemers, wier initiatief en kapitaal zoo noodig waren, om aan de rijke Indische natuur te ontwoekeren wat zij geven kon, vonden niet alleen geene aanmoediging, maar werden zooveel mogelijk uit Java geweerd, ofschoon het regéringsreglement van 1818 uitdrukkelijk bepaalde, dat woeste gronden aan zoodanige ondernemers in pacht zouden worden uitgegeven. Menige „arbitraire dispositie” van het Bestuur maakte de vestiging van handels-ondernemingen onmogelijk of vernietigde degenen, die bv. in de Vorstenlanden waren tot stand gekomen. Het laatste geschiedde met het onverholen doel om te beletten, dat particulieren te sterk op de Europésche markt zouden concurréren, tegen de koffij, die het gouvernement uit de Preanger trok.

Het eerste deed men met het doel om te beletten, dat producten tot al te lage prijzen van de bevolking zouden worden opgekocht. Maar men zag daarbij over het hoofd, dat vrije concurrentie dit kwaad van zelf zou hebben getemperd, terwijl nu juist de uitvoering van het aangenomen beginsel onmogelijk werd gemaakt. De weinige opkoopers gaven geringe prijzen, en die, welke het gouvernement vaststelde, bleven zeer verre beneden de marktwaarde van het product, terwijl daarenboven niet zelden de ambtenaren nog weigerden de aangeboden koffij voor dien prijs aan te nemen. Dat dientengevolge de lust voor de cultuur niet toenam, dat de teelt werd verwaarloosd en de productie achteruitging, spreekt van zelf. De koffijteelt kon alleen door tusschenkomst der Hoofden, d. i. door dwang, een kwijnend leven behouden, daar zij voor de bevolking niet alleen geen voordeel opleverde maar soms zelfs geldelijk verlies na zich sleepte.

De minister van Koloniën Elout, die als Commissaris-Generaal het grootste aandeel had gehad aan de invoering van het zoo gedwarsboomde stelsel, keurde de handelwijze der Indische regering sterk af, en deed eindelijk een specialen Commissaris-Generaal naar lndië zenden, om orde te stellen op de ingeslopen administrative en financiële misbruiken, en vooral ook om te onderzoeken of het vrije stelsel, waarop het regéringsreglement van 1818 gebouwd was, werkelijk goede vruchten kon afwerpen.

In het begin van 1826 kwam de burggraaf Du Bus de Ghisignies met die zending op Java aan. Hij vond er den toestand in ieder opzigt ellendig: overal stilstand en achteruitgang, — een jaarlijksch tekort van gemiddeld 2½ millioen, en daarenboven een binnenlandschen oorlog, door de onverstandige maatregelen van het bestuur uitgelokt, die vijf jaar lang duren zou en schatten gouds en stroomen bloeds aan Nederland kosten.

Du Bus bragt hier en daar verbeteringen aan, doch nam geen doortastende maatregelen, die het Opperbestuur zich had voorbehouden. De Commissaris-Generaal bragt over het te volgen stelsel een merkwaardig rapport uit, waarin hij hoofdzakelijk adviseerde tot toekenning van individuëel landbezit aan den inlander en tot uitgifte van woeste gronden in erfpacht.

Alleen het eerste punt vereischt eenige toelichting.

Over een groot deel van Java is de landbouwer niet de eigenlijke bezitter van de velden die hij bebouwd: zij behoren aan de dessa, aan de gemeente. Men noemt die instelling communaal landbezit. Gedeeltelijk wordt dergelijke door de dessa bezeten grond door al de ingezetenen der dessa gezamenlijk gebruikt, als b. v. de gemeene weiden en de niet ontgonnen gronden, waar hout of riet gesneden wordt. Gedeeltelijk wordt hij individuëel bebouwd. De rijstvelden namelijk worden voor een zekeren tijd, naar zekere traditionéle regels, onder de regthebbenden verdeeld.

Volgens Du Bus stond die verbrokkeling van den grond uitbreiding van landbouw en kapitaalvorming in den weg: de wisselende toewijzing der velden verlamt, meende hij, den arbeid en boezemt geene belangstelling in voor de verbetering van den grond. Het ontwikkelingspeil moest er stationair door blijven. Wilde men den bloei en de ontwikkeling van Java bevorderen, dan moest een toestand worden voorbereid, die in Europa welvaart en beschaving had mogelijk gemaakt. Individuëel grondbezit was op dien weg eene eerste, onontbeerlijke schrede.

Maar tevens drong hij aan op de uitgifte van woeste, d. i. niet door den inlander ontgonnen en in bezit genomen, gronden in erfpacht aan Europésche ondernemers van landbouw-industrie. Elout vereenigde zich met zijne zienswijze en droeg in de eerste plaats den Koning een ontwerp-besluit voor, om de uitgifte van woeste gronden te regelen. Dat voorstel ging niet door; want de Koning vereenigde zich met een ander stelsel, dat hem door den Generaal van den Bosch werd aanbevolen.

Willem I had steeds naar onmiddellijke voordeelen, remises, uit Indië verlangd. De financiële nood, waarin het moederland omstreeks het jaar 1830 verkeerde — de rentelast was van 1814 tot 1830 van 15½ tot bijna 26 millioen gestegen en zou weldra tot 44 milllioen klimmen, en ieder jaar leverde een tekort op —, die nood wakkerde het verlangen aan „dat de O.-I. bezittingen zoo spoedig mogelijk in staat [mogten] geraken van in de kosten van derzelver onderhoud te voorzien” niet alleen, maar dat zij ook de Nederlandsche schatkist zouden schragen.

De generaal van den Bosch, die in October 1828 tot gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië was benoemd, gaf aan ’s Konings verlangen toe. Hij oordeelde, dat het stelsel der O.I. Compagnie in ieder opzigt de voorkeur verdiende boven dat van vrijheid, hetwelk door Elout en Du Bus werd aangeprezen. Hij voerde het daarom onder ietwat gewijzigden vorm weder in, ten einde de grootst mogelijke hoeveelheid goedkoope producten voor het moederland te verkrijgen, hetgeen alleen kon geschieden door de bevolking tot lage prijzen die gewassen te doen telen.

„Bovendien drong de financiële nood om reeds het aanstaande jaar naar Nederland de remises te doen, welke zoo ter betaling der verschuldigde jaarlijksche renten en aflossingen, als in voldoening der verdere uitgaven ten behoeve der kolonie door het moederland vereischt worden”. Zoo schreef van den Bosch den 10den October 1830, en hij voegde er bij: „Eene snelle uitbreiding van cultures en eene vrije beschikking van het Gouvernement over dezelve was het eenige wat hier overbleef; — langs den weg door den heer Du Bus gevolgd kon ik niet hopen die hoeveelheid producten in dien korten tijd te bekomen, welke de omstandigheid vordert dat ter beschikking van het Gouvernement gesteld worden; — noch het stelsel van vrije beschikking over persoon en arbeid, noch dat van bebouwing van woeste gronden in daghuur levert voldoend vooruitzigt op, om den productieven staat der kolonie in korten tijd aanmerkelijk te verbeteren, en ik ben derhalve wel verpligt geweest naar andere middelen om te zien’’. Daaruit blijkt duidelijk, dat „spoedige resultaten” de voornaamste drijfveer waren.

Dat stelsel werd onder zeer philantropische kleuren aangeprezen. De landrente, ten bedrage van twee-vijfden van den rijstoogst, was, zeide men, eene willekeurige belasting. Men zou de bevolking daarvan ontslaan voor het geval, dat zij één-vijfde van haar grond afzonderde en daarop vrijwillig zoodanige producten voor de Europésche markt plantte, als het Gouvernement zou aanwijzen. Den daaraan besteden arbeid zou men bovendien nog betalen met het bedrag van hetgeen het verkregen product bij taxatie meer waard zou zijn, dan de vroeger verschuldigde landrente. Begeerde de bevolking zoodanige overeenkomst niet te sluiten, dan kon zij op den ouden voet landrente blijven betalen.

Zóó voorgedragen, had het stelsel allen schijn van hoogst voordeelig voor den Javaan te zijn; maar in de werkelijkheid was het anders. Reeds terstond bij de invoering daarvan kon het Opperbestuur het niet van zich verkrijgen, bij den bestaanden geldnood de landrente af te schaffen, die eenige millioenen opbragt. Zij werd daarom niet kwijtgescholden, en toch werd de arbeid aan de cultuur niet naar evenredigheid hooger beloond. Daardoor werden de cultuurdiensten eene nieuwe belasting-boven de bestaande opgelegd. Daarbij kwam vooreerst, dat de Regéring zich niet vergenoegde met over één-vijfde der rijstvelden te beschikken: zij nam wat zij noodig had; ten anderen was de belooning meestal zeer gering en kwam nog niet eens geheel in handen van hen, die het werk verrigt hadden.

Zien wij thans wat nader in bijzonderheden, hoe het stelsel werd toegepast. Kortheidshalve zullen wij ons bepalen tot de twee cultures, de suiker en de koffij, die van Gouvernementswege zijn behouden, nadat de andere, de thee, indigo, tabak, peper, kaneel enz., als te bezwarend voor de bevolking of te weinig voordeelig voor de schatkist, waren opgegeven.

Om suiker aan de markt te brengen was het niet voldoende het riet te doen aanplanten en snijden, het moest ook nog vermalen worden. Daartoe werd de medewerking der particuliere nijverheid ingeroepen. Er moesten kostbare fabrieken worden gebouwd: voor hare oprigting en exploitatie verstrekte de Regéring, volgens de bepalingen der regeling van Augustus 1830, rentelooze voorschotten. Het Gouvernement leverde het gesneden riet aan de fabriek tegen den prijs, dien het gekost had en tevens werd aan den fabrikant werkvolk tegen zeer matig loon verschaft.

Daarentegen moest hij het geheele fabricaat tegen een bepaalden prijs (ƒ8,33, later ƒ 10 voor de eerste en ƒ 8,40 voor de tweede soort per pikol van 125 pond) aan het Gouvernement leveren. Dat dit niet in ’t voordeel der qualiteit van het product was, springt in het oog; en dit had natuurlijk ook weer invloed op de marktprijzen. Gedurende eene reeks van jaren leverde de suikercultuur dan ook een aanzienlijk verlies voor de schatkist op. Men trachtte daarin langs verschillende wegen te voorzien. Zoo zeide men weldra aan de fabrikanten de helft van de winst toe, te behalen op suiker van meer dan gewone qualiteit, of wel eene percentsgewijze verhooging der contractprijzen. Later (1840) werden standmonsters aangenomen en maatregelen tot betere keuring van het product. De toestellen in de fabrieken waren ook gaandeweg, onder geldelijke ondersteuning van het Gouvernement, verbeterd.

In 1842 verkregen de fabrikanten de bevoegdheid om over een gedeelte (⅓) van hun fabricaat naar eigen goedvinden te beschikken, ten einde hen door de voor dat gedeelte aan de markt te behalen betere prijzen, dan die welke het Gouvernement te goed deed, uit te lokken tot het aanschaffen van zoodanige verbeterde toestellen, als door welker aanwending een toenemen niet alleen van quantiteit maar bovenal van qualiteit verwacht kon worden.

Eindelijk begon bij verbeterde marktprijzen de suiker-industrie voordeelig te worden voor de schatkist.

Was zij het ook voor de inlandsche bevolking?

In een land, waar de middelen van vervoer veelvuldig en goedkoop zijn, kan de plaats van voortbrenging der matière première des noods zeer ver van de fabriek af gelegen zijn, zooals in Europa voor de meeste beetwortelsuikerfabrieken het geval is. Bij het gebrek aan communicatiemiddelen in het binnenland van Java, was men wel genoodzaakt de landen, in de nabijheid der fabrieken gelegen, ter beplanting met riet aan te wijzen; want de grondslag van vrije overeenkomst met de bevolking liet men al dra varen. Daar men spoedige groote uitbreiding der cultuur voorschreef, moest het land wel in beslag genomen worden. Daarbij werden de ingezetenen, doorgaans over geheele dessa’s bij die teelt ingedeeld, en, zonder onderscheid van stand, gedwongen het omslagtige en zware werk van het beplanten en onderhouden der suikervelden te volbrengen, en wel tegen een zeer onvoldoend loon, dat voor een gezin slechts 10 centen daags bedroeg, „een bedrag, naauwelijks voldoende om gedurende een etmaal in de nooddruft van een enkel man te voorzien’’.

Voorts waren niet alleen de werkloonen, door de fabrieksheeren aan de koelies betaald, doorgaans veel te gering, maar het werkvolk werd soms tot de zwaarste diensten misbruikt; en eenmaal bleek het zelfs, dat men niet schroomde om door het bestuur verstrekte koelies voor karren en wagens te spannen tot het vervoer van brandhout uit de bosschen.

De Regéring kon niet doof blijven voor de klagten, die over dit alles werden aangeheven. Wanneer de druk, op de bevolking gelegd, te zwaar scheen, trad zij meer dan eens tusschen beiden om misbruiken af te schaffen, plant- en koelieloonen te verhoogen, of door opheffing van dwang tot vrijwilligen arbeid den weg te banen; maar naauwelijks was dit geschied, of de fabrikanten hieven alarmkreten aan, en men moet wel erkennen, dat de grondslagen, waarop hunne ondernemingen rustten, door de maatregelen, ten gunste der bevolking genomen, niet altijd onaangetast bleven.

Hoe het zij, in een officieel rapport aan den Koning van het jaar 1853 erkende de Minister van Koloniën, dat de hoofdbezwaren, die uit het bestaande stelsel voor de bevolking voortvloeiden, bestonden in:

het beschikken over velden, door de Javanen aangelegd voor den rijstbouw en sedert onheugelijke tijden daarvoor gebezigd;

het jaarlijks ten koste van veel arbeid verwisselen van die velden en de bezwaren, daaruit voor den landbouw ontstaande, als de vermindering van het rijstproduct, zoowel door uitputting van den grond, als door gebrek aan tijd voor eene behoorlijke bewerking:

het beschikken, ten behoeve van de suikerfabrieken, over een gedeelte van het water der leidingen, aangelegd voor den rijstbouw en het tweede gewas;

het verstoren der aloude eigendoms- of andere regten onder de Javanen, vooral ten aanzien van het gebruik der rijstvelden en het genot van hunne opbrengsten;

het vernietigen van het verschil van standen en van hunne voorregten, en het doen afdalen van allen zonder onderscheid tot de klasse der arbeiders.

Wat de koffij betreft, deze eischte geene zoo groote nieuwigheden als de suiker- of indigo-cultuur, omdat voor deze niet behoefde beschikt te worden over gronden, welke door de inlanders reeds tot eigen gebruik werden bebouwd. Zooveel mogelijk werd het Preanger koffij-stelsel overal in toepassing gebragt. Al spoedig (1833) werd bepaald, dat alle koffij op Java geteeld, voor zoover die aan betaling van landrente onderhevig was, aan het Gouvernement moest worden geleverd, tegen een jaarlijks te bepalen marktprijs, waarvan twee-vijfden voor belasting (landrente) en de transportkosten tot een maximum van ƒ 2,50 per pikol zou worden afgetrokken. Onder marktprijs verstond men intusschen niet den prijs, die aan de markt bedongen wordt, maar een willekeurig, steeds veel lager door de Regéring vastgesteld cijfer.

Er werden trouwens ook vele nieuwe tuinen aangelegd. In twee jaar werd last gegeven tot het aanplanten van 94 millioen boomen. In overeenkomst met den Regent werd de grond uitgekozen, waar de nieuwe plantages zouden worden aangelegd: een aantal huisgezinnen werd tot het uitrooijen der bosschen en het zuiveren van den grond aangewezen, en inmiddels van anderen dwangarbeid, als heerediensten, vrijgesteld. Voor dat werk en den aanplant werd geen loon uitgekeerd: eerst dan werd de bevolking voor haren arbeid betaald, wanneer zij de koffij, van de nieuwe boomen verkregen, afleverde. Daar evenwel de koffijboom vier tot vijf jaar groeit eer hij vrucht afwerpt, werden de gezinnen gedurende dien tijd van de landrente vrijgesteld.

Bedenkt men daarbij, dat de koffijtuinen doorgaans op uren afstands, soms tot twintig toe, van de dessa’s werden aangelegd, en dat voor het heen en weer trekken niets betaald werd, dan begrijpt men ligt, dat daardoor het verdiende loon nog verminderd, de bezwaren voor den inlander aan die cultuur verbonden, verhoogd en alzoo zijne ingenomenheid daarvoor niet opgewekt werd.

Dat men tot het wélslagen van een zoo ingrijpend stelsel krachtige medewerking noodig had, vooral van den kant der inlandsche Hoofden, wier wil voor de bevolking eene wet is, springt in ’t oog. Hun werden dan ook allerlei voorregten toegekend, die hun aanzien en invloed vermeerderden, maar tevens aanleiding tot kwelling en knevelarij moesten geven. Aan hen, zoowel als aan de Europésche ambtenaren, werden in de eerste plaats cultuur-percenten toegelegd, welk woord geene toelichting behoeft. Maar bovendien werd voor de Hoofden, ter helft van hunne bezoldiging, het zoogenaamd ambtelijk landbezit hersteld en veel wederregtelijks bij het eischen van persoonlijke diensten van de bevolking door de vingers gezien.

Maar wilde men zich de grootst mogelijke handelswinsten verzekeren, dan moest men ook het monopolie der productie hebben. En daarnaar streefde men. De Indische Regéring was wel gemagtigd, om „ter uitbreiding van nuttige cultures” aan particulieren woeste gronden in eigendom, huur of erfpacht uit te geven; maar eerst maakte men de bepaling onuitvoerlijk door er de meest bezwarende voorwaarden aan te verbinden; en weldra (1839) werd de uitgifte van dergelijke gronden geheel gestaakt, en alle overeenkomsten met de bevolking, „die blijkbaar ten nadeele van ’s Gouvernements cultures zouden strekken”, verboden, waarbij de beoordeeling aan de Gouvernements-ambtenaren was voorbehouden.

Naarmate de gevolgde gedragslijn der Regéring ten opzichte van den afval van België de behoefte van de Nederlandsche schatkist aan O. I. remises vermeerderde, kon er minder gelet worden op de ongelegenheden, die voor het Javaansche volk uit het cultuurstelsel voortvloeiden; ja, de uitgaven voor Java te doen, dikwerf de meest wenschelijke en noodzakelijke, werden uitgesteld of ingekrompen alleen met het doel om het batig slot meer op te drijven; zoodat dan ook in 1844 een Minister er op kon wijzen, dat in één jaar zestien millioenen uit de opbrengst der kolonie in ’s Rijks schatkist vloeiden.

Doch diezelfde Minister moest erkennen, dat zoo de invoering van het stelsel afhankelijk ware geweest van de medewerking der Wetgevende Kamers, dat stelsel niet ingevoerd zou zijn geworden. En hij moest evenzeer erkennen in te zien, dat het zeer mogelijk was, dat er van lieverlede groote veranderingen in zouden moeten worden gebragt.

Toen na de grondwetsherziening van 1848 het terrein der koloniale politiek voor de Vertegenwoordiging toegankelijk was geworden, bleek het, dat die veranderingen niet konden uitblijven.

Meer en meer begon de overtuiging veld te winnen, dat het verkeerd was, staatsinkomsten op zoo wankelbaren grondslag te vestigen als den handel in producten, wier opbrengst afhankelijk is van een altijd wisselvalligen oogst en van een onzekeren marktprijs. En niet minder zag men in, dat de voordeelen, door den Staat uit de cultures getrokken, niet dan ten koste der welvaart van de bevolking te verkrijgen waren, en dat, wilde men aan deze een behoorlijk loon voor haren arbeid verzekeren, de winsten van den Staat verdwenen.

In 1853 werd een onderzoek ingesteld „ten aanzien van de geschiktste middelen om de Gouvernements suiker-cultuur te zuiveren van al wat daarin kwellende voor de bevolking mogt zijn”; met het doel, zooals de Regéring zelf zeide, „om die cultuur al meer en meer te brengen in verband met de belangen der inlandsche bevolking en om alzoo, is het mogelijk, een staat van zaken voor te bereiden, onder welken vrijwillig zal worden verrigt wat thans de vrucht is van verpligten arbeid”. Dat onderzoek bragt van den eenen kant al het drukkende van de bestaande practijk aan den dag, en deed van den anderen kant zien, dat vrije arbeid onder zekere omstandigheden niet onmogelijk was. Vóórdat dit onderzoek was afgeloopen, werd een nieuw regéringsreglement, maar nu door de Wetgevende Magt, vastgesteld (1854). Daarin kwam het volgende veel besproken artikel (56) voor:

„De Gouverneur-Generaal houdt de op hoog gezag ingevoerde cultures, zooveel doenlijk, in stand, en zorgt in overeenstemming met de bevelen des Konings:

1° dat die cultures niet in den weg staan aan de teelt van genoegzame voedingsmiddelen ;
2° dat, voor zoover die cultures plaats hebben op gronden, door de inlandsche bevolking voor eigen gebruik ontgonnen, de beschikking over die gronden geschiede met billijkheid en met eerbiediging van bestaande regten en gebruiken;
3° dat bij de verdeeling van den arbeid dezelfde regelen -worden in acht genomen;
4° dat de belooning der betrokken inlanders, met vermijding van schadelijke opdrijving, zoodanig zij, dat de gouvemements-cultures hun, bij gelijken arbeid, ten minste gelijke voordeelen opleveren als de vrije teelt;
5° dat zooveel doenlijk opgeheven worden de bezwaren, die, na een opzettelijk onderzoek, mogten bevonden worden ten aanzien van die cultures te bestaan; en 6° dat alzoo worde voorbereid eene regeling, steunende op vrijwillige overeenkomsten met de betrokken gemeenten en personen, als overgang tot een toestand, waarbij de tusschenkomst des bestuurs zal kunnen worden ontbeerd”. '

Ontegenzeggelijk werd hier de tusschenkomst der Regéring in zaken van landbouw en nijverheid in beginsel afgekeurd. Maar men kon niet met één sprong van den eenen toestand in den anderen geraken: men moest de productieviteit van het land behouden, het welzijn der bevolking niet prijs geven en het geldelijk belang van het moederland niet onbehartigd laten. Daarom instandhouding, zooveel doenlijk (dat is, zooveel de onderscheidene in het oog te houden belangen met inachtneming van plaatselijke omstandigheden dit zouden gedoogen) van de cultures, op hoog gezag ingesteld, met verbeteringen, in hoofdtrekken geschetst, ten einde eenmaal de tusschenkomst des Bestuurs te kunnen laten varen.

Aan den anderen kant geene belemmering, maar aanmoediging van vrijen handel, vrijen landbouw, vrije nijverheid. Immers art. 60 zegt: „De Gouverneur-Generaal moedigt den handel, de nijverheid en den landbouw aan, en zorgt ook, ter bevordering hiervan, voor het aanleggen of instandhouden van markten (passars)”; en in art. 62 werd hem het regt gegeven „gronden uit te geven in huur volgens de regels, bij algemeene verordening te stellen”.

Het een en het ander maakte eene nieuwe regeling noodig omtrent de voorwaarden van uitgifte van cultuur-contracten. De Vertegenwoordiging drong er op aan, dat, tot wering van mogelijk gunstbetoon, die regeling bij de wet zou geschieden ; en daarbij kwam al spoedig het verlangen, dat ook de tusschenkomst des Nederlandschen wetgevers zou worden ingeroepen ten aanzien der vrije ondernemingen, die zich hadden beginnen te vestigen, toen zekere gouvernements-cultures, vooral de tabak, werden opgegeven.

De Regéring stemde daarin toe; maar het duurde geruimen tijd, eer zoodanige wettelijke regeling tot stand kwam of zelfs beproefd werd.

Toch was zij zoowel in het belang van het moederland als van Java dringend noodzakelijk; want bij den strijd der meeningen, die vooral na 1850 was ontbrand over al of niet instandhouding van de dwangcultuur, hadden verschillende met elkander strijdige voorschriften en regéringshandelingen de grootste onzekerheid doen ontstaan omtrent hetgeen eigenlijk was verordend. Men wist op Java niet, in welke rigting moest worden gehandeld; en daaruit was een toestand geboren, in ieder opzigt, zoowel voor het prestige van ons gezag als voor den socialen en oeconomischen toestand van Indië, hoogst verderfelijk.

Eindelijk werd in 1862 een ontwerp ingediend „betrekkelijk de cultuur-ondermemingen in Nederlandsch Indië”, dat echter niet tot wet werd verheven. Daarop volgde in September 1865 het voorstel, dat de zoogenoemde Cultuurwet van den minister Fransen van de Putte aan de beraadslaging van de Staten-Generaal onderwierp. Ook dit voorstel werd geen wet: het is ingetrokken om redenen, die hier niet behoeven te worden opgehaald. Doch daar het met groote zorg bewerkt was en op deugdelijke grondslagen rustte, is dit voorstel het punt van uitgang gebleven van iedere latere poging tot regeling dezer matérie. Het is daarom noodig, bij de hoofdbepalingen van dat voorstel een oogenblik stil te staan.

Zoowel bij de regeling van de zoogenoemde gouvernements-cultures als voor ondernemingen, zonder tusschenkomst des bestuurs werkende, komen twee hoofdelementen in aanmerking: de grond en de arbeid der bevolking. Tot nog toe had de Regéring over beiden willekeurig beschikt: volgens art. 56 van het regéringsreglement mogt dit in het vervolg niet meer geschieden, dan „met eerbiediging van bestaande regten en gebruiken”.

Daar nu omtrent het landbezit de meest tegenstrijdige en verkeerde begrippen in omloop waren, was het een vereischte, in de eerste plaats dit punt te regelen en voor zoover noodig de regten van den inlander op zijn grond duidelijk te omschrijven en tegen elke inbreuk te verzekeren. Was men tot nog toe uitgegaan van het begrip, dat alle grond eigendom was van den Souverein, later onderzoek had doen zien, dat dit een dwaalbegrip was. Aan den inlander was evenwel zeker regt op den door hem ontgonnen grond niet ontzegd; dat was echter geen eigendom, maar zeker regt van bezitgenot, gebruik of erfpacht, waarvan men zich geene bepaalde rekenschap gaf en waarbij men geen duidelijk omschreven zakelijk regt op het oog had. Vandaar dat er feitelijk allerlei inbreuk op gemaakt werd. Dat mogt zoo niet blijven: wenschte men werkelijke ontwikkeling van land en volk, dan moest in de eerste plaats de onzekerheid ten opzigte van het regt des inlanders op den grond, dien hij bezit, vervangen worden door een regtstitel, die een wezenlijken waarborg opleverde tegen misbruik. Daarom werd bij art. 1 van het voorstel aan den inlandschen bezitter de eigendom toegekend van den grond, dien hij bij de invoering der wet in individuëel en erfelijk gebruik zou bezitten; aan de gezamenlijke geërfden werden in eigendom toegewezen de bebouwde dessa- of gemeentegronden, waarvan zij gewoon waren het genot tijdelijk onder elkander te verdeelen.

Alle gronden, behoudens enkele uitzonderingen, niet vallende onder de bovengemelde, noch door derden vroeger in eigendom verkregen, werden gerekend te behooren aan den Staat, zoowel als de op hoog gezag aangelegde koffijtuinen. Omtrent deze laatsten zou de clausule gelden: „onverminderd de regten door gebruik of verordening aan de bevolking verzekerd”.

Het wetsvoorstel regelde de wijze, waarop de bewijzen van eigendom werden verkregen, en bepaalde, dat de meerderheid der regthebbenden verdeeling kon eischen van de gronden, die in communaal bezit waren.

Ten einde te gemoet te komen aan de vrees van sommigen, dat de inlander zijn nieuw verkregen eigendom ligtelijk voor spotprijzen aan speculanten zou verkoopen, werd bepaald, dat althans binnen de eerste vijf jaar Europeanen, met hen gelijkgestelden en vreemde Oosterlingen onbekwaam zouden zijn tot verkrijgen van eigendomsregt of andere zakelijke regten op de bedoelde gronden.

Als eenmaal op die wijze de inlander met volkomen regtszekerheid over zijn eigen grond kon beschikken, zou hij voor het gebruik daarvan ten behoeve van producten voor de Europésche markt overeenkomsten met ondernemers kunnen sluiten; maar om hem ook hier tegen alle mogelijke misbruik te beschermen, zou bepaald worden, dat alle overeenkomsten tot verhuur of ingebruikgeving aan grond door inlanders aan personen, niet tot de inlandsche bevolking behoorende, op straffe van nietigheid schriftelijk moesten worden aangegaan en voor geen langer tijd dan voor tien jaar.

Wenschte de Regéring over ontgonnen gronden te beschikken, dan zou dit alleen kunnen geschieden bij wijze van onteigening ten algemeenen nutte, tegen schadeloosstelling, door den Landraad te bepalen, wanneer geene minnelijke schikking kon worden getroffen.

Die algemeene bepaling moest echter door bestaande toestanden tijdelijk beperkt worden. Voor de suikerteelt kon men, wegens bestaande contracten met fabrikanten, nog gronden der dessa’s noodig hebben: de Staat zou zich daarvan dan ook tijdelijk in bezit kunnen stellen voor den aanplant van riet, ten behoeve van ondernemingen, waarvoor de tusschenkomst des bestuurs verleend werd; maar telken jare, zoolang de beschikking duurde, moesten de eigenaars eene schadeloosstelling ontvangen voor het gemis van den grond, waarvan het bedrag zou bepaald worden even als voor velden die voor goed werden afgestaan.

Wat de staatsgronden betreft, de inlander zou op zijne aanvraag vergunning krijgen daarvan een stuk te ontginnen, dat na drie jaren zijn eigendom zou worden.

Van diezelfde gronden zou voorts jaarlijks een gedeelte opgenomen, in kaart gebragt en tot uitgifte in erfpacht beschikbaar gesteld worden. De pacht zou voor negen en negentig jaar aan den bieder der hoogste pachtsom worden gegund, en de perceelen hoogstens duizend bouws van vijfhonderd Rijnl. roeden (ruim 70 Ned. bunders) mogen bevatten. Daarop mogten alle producten, behalve papaver, worden geteeld, en van het in cultuur gebragte gedeelte zou na zekeren tijd grondbelasting worden geheven.

Op die gronden zouden zich natuurlijk inlanders komen neêrzetten, om ze voor den erfpachter te bebouwen. Voor misbruik van gezag jegens de bevolking was gezorgd door de bepaling, dat de erfpachter, of die hem verving, als zoodanig met geenerlei gezag over die inlanders zou bekleed zijn, en mitsdien van hen geene leveringen of diensten mogt vorderen dan tot welke zij zich jegens hem bij overeenkomst hadden verbonden. Overtreding van dit verbod zou met gevangenis en geldboete worden gestraft.

De blandongdiensten werden afgeschaft. De bestaande voorschriften daarentegen omtrent de verpligte teelt en levering aan het gouvernement van koffij door de inlandsche bevolking werden gehandhaafd. Na afloop van een bevolen onderzoek kon daaromtrent nader worden beslist. De bestaande suiker-contracten zouden na afloop slechts gedurende twintig jaren worden verlengd; maar de tusschenkomst des bestuurs moest zich dan bepalen tot de verzekering aan den ondernemer van beschikking over de jaarlijks met suikerriet te beplanten velden, waarvan de uitgestrektheid hoogstens 400 bouws zou bedragen, terwijl van bestuurswege over niet meer dan het een-vijfde der rijstvelden, gelegen binnen het gebied van elke dessa, mogt worden beschikt; voorts tót het verleenen van beschikking over de noodige gronden tot plaatsing van zijne fabrieken, of afstand aan hem van de gebouwen en toestellen, waarvan de Staat eigenaar was geworden.

Vrije suiker-ondernemingen en daartoe strekkende aanplantingen moesten minstens op een uur afstands blijven van den kring der ondernemingen, ten behoeve van welke aanplant op last van het bestuur geschiedde.

Van staatswege zou, behoudens het bepaalde omtrent de koffijcultuur en onverminderd de verpligtingen jegens de nog werkende cultuurcontracten, ten behoeve van eenige cultures niet meer worden beschikt over den arbeid der inlanders. Deze konden hun dienst verhuren. Maar alleen voor een bepaalden tijd of voor den duur eener onderneming, mits niet langer dan voor één jaar, noch voor den duur eener onderneming, die meer dan achttien maanden tijds vorderde. Wegens niet-nakoming van overeenkomsten omtrent huur van dienst of van werk mogten geen policiestraffen bedreigd of opgelegd worden.

Ware die voordragt tot wet verheven en de toepassing gemakkelijk gemaakt door nadere verordeningen, in haren geest opgesteld, alle onzekerheid en weifeling nopens de gedragslijn, jegens Indië te volgen, zou sinds lang zijn weggevallen. En dat zou bij loyale toepassing zonder slinksche bijoogmerken in het belang van Nederland zoowel als van de Javaansche bevolking kunnen zijn; want, hoe sommigen zich ook tegen de toepassing van zoodanige liberale beginselen in Indië verklaarden, toch heeft de ervaring sedert geleerd, dat de in 1865 aangewezen weg de eenige zou zijn, dien opvolgende Bewindslieden meenden te mogen of te kunnen inslaan.

Zoo kwam dan ook den 9den April 1870 eene Wet tot stand, waarbij de agrarische aangelegenheden, zooals men die noemde, werden geregeld, dat is, nieuwe bepalingen aangaande den grond gemaakt , van den volgenden inhoud:

„Volgens regels, bij algemeene verordening te stellen, worden gronden afgestaan in erfpacht voor niet langer dan vijf en twintig jaren.

„De Gouverneur-Generaal zorgt, dat geenerlei afstand van grond inbreuk make op de regten der inlandsche bevolking.

„Over gronden, door inlanders voor eigen gebruik ontgonnen, of als gemeene weide of uit eenigen anderen hoofde tot de dorpen behoorende, wordt door den Gouverneur-Generaal niet beschikt dan ten algemeenen nutte, op den voet van art. 77 van het Regéringsreglement [d. i. tegen voorafgaande schadeloosstelling en op de wijze bij algemeene verordening bepaald] en ten behoeve van de op hoog gezag ingevoerde cultures volgens de daarop betrekkelijke verordeningen, tegen behoorlijke schadeloosstelling.

„Grond door inlanders in erfelijk individueel gebruik bezeten, wordt, op aanvraag van den regtmatigen bezitter, aan dezen in eigendom afgestaan onder de noodige beperkingen, bij algemeene verordening te stellen en in den eigendomsbrief uit te drukken ten aanzien van de verpligtingen jegens den lande en de gemeente en van de bevoegdheid tot verkoop aan niet-inlanders.

„Verhuur of in gebruikgeving van grond door inlanders aan niet-inlanders geschiedt volgens regels, hij algemeene verordening te bepalen”.

Daarbij kwam de Wet van 24 Julij 1870 ter regeling van de op hoog gezag ingevoerde suiker-cultuur, waarbij de boven aangehaalde artikels 56 en 60 van het regéringsreglement werden gewijzigd door de volgende bepalingen:

„Art. 1. Ten aanzien van de op hoog gezag ingevoerde suiker-cultuur wordt art. 56 van het reglement op het beleid der regering van Nederlandsch-Indië, met uitzondering van de laatste alinea, [voorschrijvende de indiening van een verslag] vervangen door de volgende bepalingen:

1°. Nieuwe invoering van de suiker-cultuur op hoog gezag heeft niet plaats.
2°. Waar zij bestaat, eindigt de beschikking over gronden, door de inlandsche bevolking voor eigen gebruik ontgonnen, met den aanplant van het jaar 1890. Na den aanplant van het jaar 1878 wordt, behoudens de regten, bij het in werking treden van deze wet verkregen, die beschikking voor elke onderneming jaarlijks trapsgewijze verminderd.
3°. Bij de regelingen en overeenkomsten ter zake neemt de Gouverneur-Generaal in acht:
a. Dat geene onderneming op hoog gezag worde voortgezet, waar de druk voor de bevolking, in verband met de voorschriften van deze wet beschouwd, overschrijdt hetgeen het financieel belang van den Staat in billijkheid vorderen mag;
b. dat gelijktijdig over niet meer dan één-vijfde der velden van elke betrokken dessa worde beschikt, tenzij de bevolking zelve afwijking van dit voorschrift verlange;
c. dat de bevolking voor de afgifte van den grond behoorlijk worde schadeloos gesteld en voor haren arbeid behoorlijk betaald;
d. dat de tusschenkomst des bestuurs tot beplanting met suikerriet van de bij 2° bedoelde gronden, zoo spoedig doenlijk, in overleg met den fabrikant, ophoude;
e. dat de middelen tot verwerking van het riet geëvenredigd zijn aan de uitgestrektheid van den aanplant;

ƒ. dat voor het drijven der molens of andere toestellen niet beschikt worde over water, benoodigd voor den eigen landbouw der bevolking;

g. dat tot het verkrijgen van arbeiders en verdere hulpmiddelen, zoo voor het snijden en vervoeren van het riet, voor werkzaamheden in- en bij de fabriek, voor den afvoer van de suiker als anderzins, de tusschenkomst des bestuurs aan de ondernemers niet verleend worde, buiten volstrekte, telkens te bewijzen onmisbaarheid;
h. dat aan den Lande een billijke cijns verzekerd worde, zoowel over het product van den vrijen, als over dat van verpligten aanplant;
i. dat elke overeenkomst en elke wijziging, beide terstond na de sluiting, worde openbaar gemaakt in het officiële nieuwsblad.

„Art. 2. Artikel 60 van het voormelde reglement wordt voortaan gelezen als volgt:

„De Gouverneur-Generaal zorgt, dat aan nuttige bedrijven geene noodelooze belemmeringen in den weg gelegd worden of blijven.

„Behoudens verkregen regten worden op de markten (passars) geene belastingen geheven”.

Twee zaken springen hierbij in het oog. Vooreerst kan, bij vergelijking met de ontwerp-cultuurwet, aan niemand het onvolledige ontsnappen der bepalingen tot regeling van de cultuur-aangelegenheden. Veel is aan nadere verordeningen overgelaten, hetzij bij Koninklijk Besluit, hetzij bij ordonnancie van den Gouverneur-Generaal. De bepalingen der wet van 9 April 1870 moeten dan ook worden aangevuld, vooreerst door het Kon. Besluit van 20 Julij 1870, regelende de agrarische aangelegenheden, waarbij enkele nadere verklaringen worden gegeven en den Gouverneur-Generaal opgedragen, de uitvoering van de bepalingen der wet te regelen; hieruit is echter voor als nog alleen voortgevloeid de ordonnancie van 30 October 1871, waarbij de Gouverneur-Generaal regelen stelt, volgens welke verhuur van grond door inlanders aan niet-inlanders geschieden kan.

Ter uitvoering van de suikerwet werden door den Gouverneur-Generaal, bij besluit van 26 December 1871, n° 8 (Ind. Stbl. n° 213) vastgesteld 1° „een ontwerp-contract, als model voor de overeenkomsten te sluiten op den voet der wet van 21 Julij 1870”;

2° „voorschriften tot regeling der uitvoering van evengenoemde wet en de daaruit voortvloeijende overeenkomsten”.

Het zou ons te ver leiden, wilden wij bij de bijzonderheden dezer nadere voorschriften stilstaan: er dient slechts herinnerd te worden, dat zij in het algemeen geschoeid zijn op de leest van de bepalingen der ontwerp-cultuurwet; maar dat ook van haar geldt, wat in de tweede plaats omtrent de beide wetten valt op te merken, dat de omzigtigheid om toch geen al te overhaasten stap te doen op het gebied der nieuwigheden, geleid heeft tot een vaak al te zeer in het oog loopend hinken op twee gedachten.

Hoe dit ook zij, toch staat het vast, dat het cultuur-stelsel, door den Graaf van den Bosch ingevoerd, door de aanneming der beide medegedeelde wetten niet alleen in beginsel is veroordeeld, maar dat nu ook de eerste stappen zijn gedaan om er mee te breken en uitvoering te geven aan de laatste bepaling van art. 56 van het regéringsreglement.

Veel blijft nog te regelen, wat met de landbouwontwikkeling van Java en ons geheele regéringstelsel aldaar in verband staat; regeling kan niet uitblijven, wanneer eenheid van gedachte het beleid der Indische aangelegenheden blijft beheerschen. Aangaande de suiker- en koffijcultuur zelve verkeeren wij in een tijdperk van overgang. Voor de eerste is een termijn aangewezen, wanneer de staatsinmenging moet ophouden. En wat de tweede betreft kan alleen worden medegedeeld, dat voor ietwat betere en meer eenparige betaling der bevolking gezorgd is, en dat de ingestelde enquête is afgeloopen, zoodat ook nadere regeling van dien tak van landbouw te verwachten is. Maar denkelijk niet in den allereersten tijd; want de millioenen, die door de koffijcultuur voor de schatkist worden verkregen, kunnen haar niet op eenmaal worden onttogen zonder dat voor andere bronnen van inkomsten gezorgd is. Buitendien mag de cultuur zelve niet worden in gevaar gebragt, die als vrije teelt eerst eene verzekerde toekomst heeft, wanneer de ervaring, op ontgonnen woeste gronden opgedaan, aan de bevolking zal geleerd hebben, dat de vrije arbeid, aan die cultuur besteed, voor haar voordeelig is.