Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 06-07-2018

Copie

betekenis & definitie

Copie, afkomstig van het Latijnsche woord copia (menigte) noemt men de vermenigvuldiging van een oorspronkelijk stuk, hetzij door het uit de hand of op mechanische wijze na te maken. Een afschrift van een of ander geschrift is eene copie, en ook van eene schilderij of teekening kan men een copie maken. De uitgevers noemen het handschrift, hetwelk zij ter drukkerij zenden, copie, omdat men — veelal ten onregte — onderstelt, dat het oorspronkelijk stuk door den auteur is afgeschreven.

Op de handelskantoren dient men afschrift te houden van alle uitgaande brieven, en daar het afschrijven veel tijd vereischt, gebruikt men er copieër-machines. Men schrijft namelijk den brief met copiëer-inkt op een blad papier en brengt het schrift over op de rugzijde van doorschijnend copiëer-papier, door beide op elkaar onder de copiëer-machine te leggen en daarna deze te laten werken. Goede copiëerinkt is dik en verft gemakkelijk af. Gewonen inkt kan men, met uitzondering van alizarineinkt, niet daarvoor gebruiken, doch zeer wel door toevoeging van suiker in copiëer-inkt veranderen. Men heeft verschillende voorschriften tot vervaardiging van copiëer-inkt; het eenvoudigst is voorzeker dit: 3 deelen glycerine en 1 deel suiker worden in de geringst mogelijke hoeveelheid water opgelost en met even zooveel gewonen inkt vermengd. Het copiëer-papier moet zeer dun en doorschijnend wezen en, weinig bevochtigd, den afdruk gemakkelijk opnemen. De inrichting der copiëerpersen is verschillend. Doorgaans bestaan zij enkel uit eene schroef, die op de bladen werkt, tusschen welke zich het handschrift met het copiëer-papier bevindt, doch men heeft er ook met pletrollen.

Men vervaardigt ook wel copieër door middel van doordrukken. Men gebruikt hiertoe fijn gelijmd vellen papier, dat aan beide zijden bedekt is met eene laag, die uit zwart krijt en talk bestaat. Legt men onder zulk papier een schoon blad en daarboven desgelijks, en schrijft men op dit laatste met eene stompe stift, dan worden de letters op de rugzijde van het bovenste blad omgekeerd en op het onderste blad regt afgedrukt. Deze handelwijze is zeer geschikt, om copieën te maken van teekeningen, plannen enz. Voorts maakt men copieën door geolied papier, decalqueerpapier, glaspapier enz., alle doorschijnende papiersoorten, op het oorspronkelijke stuk te leggen, en de omtrekken na te teekenen, waarvoor ook pergament-papier, door Gaine uitgevonden, en copiëer-doek te pas komen. Dit laatste vervaardigt men door 8 deelen terpentijn-olie, even zooveel ricinus-olie, 2 deelen canada-balsem en 1 deel copaïva-balsem bijeen te voegen, en dit mengsel met eene spons gelijkmatig op mousseline over te brengen, dit in elkaar te rollen en na verloop van 36 uren uit te spreiden en door wrijving van vet te zuiveren, waarna het wederom opgerold en nogmaals gewreven wordt, totdat alle vezels van vet doordrongen zijn en de oppervlakte geene vettigheid afgeeft.

Verlangt men een groot aantal copieën, bijvoorbeeld van eene circulaire, dan verkrijgt men die door middel der autographie. Het oorspronkelijk stuk wordt namelijk met eene bepaalde inktsoort op daartoe bereid papier geschreven en dit handschrift op een lithographischen steen overgedrukt en op de gewone wijze behandeld (zie Steendruk). Zulk een inkt bestaat, volgens Cruzel, uit 8 deelen was, 2 deelen witte olie-zeep, 2 deelen schellak en de noodige hoeveelheid lampzwart. Het autographisch papier vervaardigt men door eene soort van stijfsel, bestaande uit 2 deelen aluin, 1 deel guttegom en 30 deelen zetmeel, met een penseel op ongelijmd Chineesch papier over te brengen.

Men begeert ook wel eens eene copie op grootere of kleinere schaal dan het origineel. Om deze te verkrijgen, gebruikt men den pantograaf of teeken-aap, die in zijne eenvoudigste gedaante door bijgaande figuur wordt voorgesteld. Hij bestaat uit 4 staafjes van dezelfde lengte, welke op gelijke afstanden van gaatjes voorzien zijn, zoodat men daarvan, door pinnetjes in de gaten te steken, parallelogrammen van willekeurige grootte kan maken. Bij a bevindt zich een stiftje, dat in eene opening in het lood m zich gemakkelijk bewegen kan. Plaatst men in b een potlood en beweegt men c over de omtrekken eener teekening, dan beschrijft dat potlood eene dergelijke teekening op verkleinde schaal. Liggen de vereeniginspunten v v juist in het midden der staafjes, dan is de copie verkleind tot de helft van het origineel. Brengt men die vereenigingspunten bij w, dan bezit de copie de helft, en bij x drie vierde van het origineel. Door het potlood (b) en de stift (c) onderling te verwisselen, verkrijgt men eene copie, die grooter is dan het oorspronkelijke. — Ook heeft men een werktuig bedacht, om van relièf-voorwerpen, bijvoorbeeld op medailles, vlakke copieën te leveren op papier.