[c]Aantal Leeraren Leerlingen betekenis & definitie

Gymnasia Oostenrijk 93 1642 22686 Hongarije 156 1940 29030 Reaalgymnasia Oostenrijk 62 883 11451 Hongarije 1 10 130 Reaalscholen Oostenrijk 74 1302 21551 Hongarije 40 386 6655[/c] Men heeft in de Monarchie 10 door den Staat bekostigde universiteiten, namelijk te Weenen, Praag, Graz, Innsbrück, Krakau, Lemberg en Czernowitz in Oostenrijk, en te Budapesth, Klausenburg en Agram in de Hongaarsche landen. Elke universiteit bevat in den regel 4 faculteiten, die der godgeleerdheid, die der regtsgeleerdheid en staatswetenschappen, die der geneeskunde en die der wijsbegeerte. Aan de hoogescholen te Lemberg, Czernowitz en Agram ontbreekt de faculteit der geneeskunde, en aan die te Klauzenburg de godgeleerde, terwijl aan laatstgenoemde eene wijsgeerige, letter- en geschiedkundige, alsmede eene wis- en natuurkundige faculteit bestaat. De oudste universiteiten zijn die te Praag (1348), Krakau (1364) en Weenen (1365), en de jongste die te Klausenburg (1872), Agram (1874) en Czernowitz (1875).

Het rijkst aan inkomsten en hulpmiddelen is de hoogeschool te Weenen, wier nieuwe sterrewacht eene der voortreffelijkste inrigtingen van ons werelddeel is. Daarop volgen die van Praag en Budapesth. Te zamen telden al de hoogescholen des Rijks in 1876 niet minder dan 1048 leeraren en 12268 studenten (te Weenen 3809, te Budapesth 2630 en te Praag 1885). Er zijn 7 technische hoogescholen met 327 leeraren en 4405 studenten (1876). Tot de vakscholen behooren de talrijke priesterseminaria, de 8 Luthersche lycéa en de 5 Hervormde collegiën.

Voorts heeft men een aantal regtsgeleerde en geneeskundige scholen, handels-académiën, zeevaartscholen, landbouwscholen , mijnbouwscholen, ambachtsscholen enz., alsmede eene académie voor Beeldende Kunsten te Weenen, eene dergelijke te Praag, eene teeken-académie te Graz, conservatoria voor muziek te Weenen en te Praag, eene Rijks muziek-académie te Budapesth, onderscheidene militaire scholen te Weenen, een marine-instituut te Fiume enz. Tot de geleerde genootschappen behooren er de Keizerlijke Académie van Wetenschappen te Weenen, de Koninklijke Hongaarsche Académie te Budapesth, de Boheemsche Académie van Wetenschappen te Praag, de Zuid-Slawische Académie te Agram en het Genootschap voor Wetenschappen te Krakau. Men heeft er vele en voortreffelijke verzamelingen voor natuurlijke historie, bibliotheken, muséa van schilderijen, kabinetten van oudheden enz. Er verschijnen in Oostenrijk 866 en in Hongarije 325 tijdschriften en dagbladen, en wel 662 in het Hoogduitsch, 195 in het Hongaarsch, 107 in het Tzechisch, 63 in het Italiaansch, 49 in het Poolsch, en de overigen in het Croatisch, Slowenisch, Serbisch, Roethenisch enz.

De R. Katholieke Kerk heeft in Oostenrijk 9 aartsbisdommen en 24 bisdommen, en in Hongarije 5 aartsbisdommen en 23 bisdommen, voorts 24400 wereldlijke geestelijken, 9398 monniken en orde-geestelijken en 7673 nonnen (in omstreeks 1100 kloosters). De OudKatholieken bezitten er tot nu toe (1877) slechts 3 gemeenten, en de Grieksch-Katholieke 3 metropolitanen, aan welke 10 bisdommen onderworpen zijn. Het aantal Protestantsche leeraren bedraagt er 3582, van welke zich 3372 in Hongarije bevinden. Deze laatsten hebben eene generale conventie te Budapesth en zijn verspreid in 5 kerkelijke districten, onder het beheer van even zoo vele superintendenten gesteld.

De staatsregeling der Oostenrijk-Hongaarsche Monarchie heeft door de gebeurtenissen van 1848 belangrijke wijzigingen ondergaan. Het opperhoofd van den den Staat is de Keizer (thans Frans Joseph I, geboren den 18den Augustus 1830 en regerende sedert den 2den December 1848). Zijn titel is: „Keizerlijke en Koninklijke Apostolische Majesteit”. hij is onschendbaar en onverantwoordelijk, opperbevelhebber van leger en vloot, bevoegd tot het verklaren van oorlog en het sluiten van vrede. De wetten worden in zijn naam uitgevaardigd, nadat zij met medewerking der Vertegenwoordiging zijn vastgesteld. In zijn naam wordt regt gesproken en hij heeft het regt van genadeverleening, strafvermindering en amnestie. Hij bekleedt den troon volgens regt van eerstgeboorte. De Keizer en zijn Huis belijden de R. Katholieke godsdienst.

Volgens de grondwet zijn de landen van zijn rijk tot 2 Staten vereenigd, welke onder dezelfde dynastie staatsregtelijk door sommige gemeenschappelijke aangelegenheden verbonden zijn, maar voor ’t overige afzonderlijke (beperkt-monarchale, representatieve) constitutiën bezitten. Gemelde gemeenschappelijke aangelegenheden zijn: de buitenlandsche zaken, de krijgsaangelegenheden en de financiéle zaken, voor zoover deze betrekking hebben op het bekostigen van gemeenschappelijke belangen. Verder handelt men in beide Staten volgens dezelfde beginselen ter zake van handel, nijverheid, gangbare munten, spoorwegen en weerbaarheid. Het regt van wetgeving omtrent die gemeenschappelijke aangelegenheden is aan delegatiën uit de beide vertegenwoordigende ligchamen toevertrouwd. Elke der beide delegatiën telt 60 leden, en zij komen jaarlijks te Weenen of te Budapesth bijeen. Zij beraadslagen afzonderlijk en deelen elkander hunne besluiten mede. Wanneer eene tot driemaal herhaalde schriftelijke onderhandeling hen niet tot eene schikking brengt, wordt over de zaak in eene gezamenlijke zitting beslist. — Men heeft in Oostenrijk eene dubbele volksvertegenwoordiging, te weten eene gezamenlijke voor alle landen van het staatsgebied, de Rijksraad, wiens bevoegdheid zich uitstrekt tot alle onderwerpen van wetgeving, die de regten, pligten en belangen betreffen, welke van gewigt zijn voor al de landen des Rijks zonder onderscheid, en eene afzonderlijke vertegenwoordiging voor ieder land, den Landdag. De Rijksraad is zamengesteld uit een Huis der Heeren en een Huis van Afgevaardigden.

Tot het eerste behooren door regt van geboorte de meerderjarige prinsen van den bloede, alsmede de meerderjarige hoofden van aanzienlijke adellijke geslachten, — krachtens hunne waardigheid de aartsbisschoppen en vorstbisschoppen, en eindelijk verdienstelijke mannen, door den Keizer voor levenslang benoemd. Dit Huis telt 190 leden. Het Huis van Afgevaardigden telt 353 leden, die door kiezers uit de grondbezitters, steden, markten, Kamers van Koophandel en landgemeenten voor den tijd van 6 jaren worden gekozen. Op dergelijke wijze als het Huis van Afgevaardigden worden ook de Landdagen zamengesteld, die daarna besturende commissiën (Gedeputeerde Staten) benoemen. In het koningrijk Hongarije is Siebenbürgen geheel met Hongarije zamengesmolten, terwijl Croatië-Slawonië met betrekking tot de eeredienst, onderwijs en regtsbedeeling eene zekere zelfstandigheid bezit. De volksvertegenwoordiging in het oostelijk staatsgebied bestaat dientengevolge uit den Hongaarschen Rijksdag en den Croatisch-Slawonischen Landdag. De Hongaarsche Rijksdag omvat de vergadering van Magnaten en van Vertegenwoordigers: de eerste bestaat uit grondbezittende aartshertogen, geestelijke waardigheidbekleeders en magnaten, en de laatste, uit 410 voor den tijd van 3 jaar gekozene afgevaardigden der comitaten van Hongarije en Siebenbürgen en der vrije steden en uit 34 afgevaardigden van den Croatisch-Slawonischen Landdag.

De gemeentelijke vertegenwoordiging in de Oostenrijksche landen is geregeld door de Rijkswet van 5 Maart 1862 en door de gemeenteverordeningen in de verschillende landen, terwijl de hoofdsteden en andere groote steden afzonderlijke inrigtingen bezitten. Men heeft in elke gemeente een gemeenteraad en een dagelijksch bestuur, en aan dit laatste is de uitvoerende magt toevertrouwd. De comitaten hebben dergelijke besturen, zoodat men ze als gemeenten van hoogeren rang kan beschouwen.

De Staat wordt in naam des Konings door de ministers en de aan hen ondergeschikte ambtenaren bestuurd. Ten dienste van den Vorst bestaat er eene kabinetskanselarij voor de militaire aangelegenheden. Voor de behartiging der gemeenschappelijke aangelegenheden van de beide Staten heeft men te Weenen 3 departementen, namelijk dat van het Keizerlijk Huis en Buitenlandsche Zaken, dat van Oorlog en dat der Rijksfinanciën. Het toezigt op de uitgaven wordt er gehouden door eene Rekenkamer. Ten behoeve van het Oostenrijksche staatsgebied bevinden zich te Weenen 7 departementen, namelijk voor Binnenlandsche Zaken, voor Eeredienst en Onderwijs, voor Handel, voor Landbouw, voor Oorlog, voor Regtsbedeeling en voor Geldzaken. Een afzonderlijke minister vertegenwoordigt daarenboven in den ministerraad de belangen van Galicië.

Ook aan deze departementen is eene zelfstandige rekenkamer toegevoegd. In het Hongaarsche staatsgebied zijn 9 koninklijke Hongaarsche ministers aan het hoofd van even zoovele departementen geplaatst; deze zijn dat van Binnenlandsche Zaken, dat van Eeredienst en Onderwijs, dat van Landbouw, Nijverheid en Handel, dat van Openbare Werken en Middelen van Verkeer, dat van Oorlog, dat van Justitie, dat van Financiën en de afdeeling voor Croatisch-Slawonische Zaken, die allen geplaatst zijn te Budapesth, en eindelijk het departement te Weenen, hetwelk als bemiddelend ligchaam staat tusschen den Monarch en de Hongaarsche regéring en tusschen de Hongaarsche en Oostenrijksche afdeelingen van algemeen bestuur. Ook in Hongarije heeft men eene rekenkamer. Voorts bestaan er, als aan de departementen onderworpene ligchamen, een opperste gezondheidsraad, een evangelische opperkerkeraad, eene commissie voor statistiek, eene commissie voor het behoud van zaken van kunst en van historische gedenkteekens, een raad van toezigt op de spoorwegen, eene commissie voor den ijk, eene voor zeezaken te Triëst, eene voor de grondbelasting, eene voor het bestuur der staatsschuld, eene voor de loterij, eene voor de tabaksregie, eene voor de muntzaken en eene voor de paardenfokkerij. Dergelijke ligchamen heeft men desgelijks in Hongarije.

Men heeft in Oostenrijk 325 districtscommissarissen en in 37 steden stadsbesturen, die voor een goeden gang der zaken en voor de policie moeten zorgen. Afzonderlijke commissarissen van policie vindt men alleen in de 7 grootste steden. De belastingen worden door daartoe benoemde ambtenaren geïnd. Het toezigt op de middelbare en lagere scholen is toevertrouwd aan de lands-, districts- en gemeentelijke schoolbesturen. In Hongarije en Siebenbürgen is het staatsbeheer in handen van comitaatsbesturen met een obergespan, den vertegenwoordiger der uitvoerende magt en dus door den Koning benoemd, aan het hoofd, terwijl het bestuur geleid wordt door den vicegespan. Men telt er 65 comitaten en 29 vrije steden. In Budapesth vervangt de opperburgemeester de plaats van den obergespan, en bet gebied der Fiume wordt door een koninklijken gouverneur bestuurd.

De regtsbedeeling is in Oostenrijk volkomen van het staatkundig beheer gescheiden. Voor haar zorgt ter hoogste instantie het ministerie van Justitie en als Hof van Cassatie het Hooggeregtshof te Weènen. Voor de tweede instantie heeft men 9 Hoven en voor de eerste instantie 62 regtbanken, jury’s voor politieke en drukpers-overtredingen, en 907 kantongeregten. Voorts heeft men er nog handels- en militaire regtbanken enz., alsmede voor conflicten eene regtbank van bestuur te Weenen. In Hongarije en Siebenbürgen heeft men een Hoogen Raad te Budapesth als hoogste instantie met een Hooggeregtshof en een Hof van Cassatie, geregtshoven aldaar en te Maros Vasarhely als tweede instantie, 86 regtbanken, 374 kantongeregten en 10 jury’s.

Met betrekking tot de geldelijke aangelegenheden moet men volgens de regeling van 1867 onderscheid maken tusschen de gemeenschappelijke geldzaken der beide deelen en de geldzaken van ieder deel in het bijzonder. Volgens het budget van 1877 bedragen de eersten in uitgaven ruim 117 millioen Oostenrijksche gulden, en die van Oostenrijk afzonderlijk volgens het budget van 1876 ruim 403, — die van Hongarije bijna 233 millioen Oostenrijksche gulden, terwijl de inkomsten voor Oostenrijk omstreeks 30 en voor Hongarije omstreeks 8 millioen lager geraamd werden, en de begrooting van Croatië-Slawonië zoowel aan inkomsten als aan uitgaven ruim 3 millioen beliep. De gezamenlijke staatsschuld der Oostenrijk-Hongaarsche Monarchie bedroeg bij het einde van 1875 ruim 3766 millioen gulden, waaronder begrepen is de loopende schuld (papieren geld) van 344½ millioen. De Hongaarsche regéring heeft sedert hare zelfstandigheid eene schuld aangegaan van 630 millioen; het overige is ten laste van de Oostenrijksche gewesten. Intusschen verschaffen de Hongaarsche. landen voor rente en aflossing der vóór 1868 gemaakte schulden jaarlijks eene bijdrage van 30½ millioen, waaronder bijna 12 millioen in klinkende munt.

De belangen der volksgezondheid worden er met ijver behartigd. In ieder Kroonland heeft men een gezondheidsraad. In de geheele Monarchie zijn 6660 artsen en 4375 heelmeesters, 1500 militaire artsen, 500 veeartsen en 20000 vroedvrouwen. Jaarlijks wordt de koepok-inenting er toegepast op meer dan een millioen kinderen. Er zijn 530 ziekenhuizen, die bij gebrek aan eigen fonds door den Staat ondersteund worden; daarin vinden jaarlijks gemiddeld 270000 zieken eene wijkplaats.

Er zijn 20 openbare en 8 particuliere krankzinnigengestichten met 8800 verpleegden, — voorts 1000 andere armen-, zieken- en verplegingshuizen, gedeeltelijk door gemeenten, gedeeltelijk door den Staat ondersteund. Bovendien heeft men in de steden en op het land omstreeks 8000 armeninrigtingen, waardoor jaarlijks ongeveer 300000 behoeftigen geholpen worden. Ook zijn in Oostenrijk 14 kraamzalen, waar 13000 personen jaarlijks een onderkomen vinden, 9 vondelingshuizen, met 13500 kinderen in de inrigtingen zelve, terwijl 40000 elders verpleegd worden, 9 doofstommen-instituten met 900 doofstommen, en 8 blinden-instituten met 356 blinden. Eindelijk heeft men er tot gerief van minvermogenden weduwenen weezenkassen, verzekeringsmaatschappijen tegen brand, hagelslag, veeverlies, — voorts gaarkeukens, soep-inrigtingen, asylen enz.

De krijgsmagt bestaat er uit 3 bestanddeelen, namelijk een staand leger onder het gemeenschappelijk ministerie van Oorlog, de Oostenrijksche landweer en de Hongaarsche landweer (Honvéd), ieder onder het departement van Oorlog in de betrekkelijke staatshelft. Er bestaat algemeene weerpligt, doch men heeft er eene betrekkelijk geringe ligting van 95474 man (54541 in Oostenrijk en 40933 in Hongarije) ten behoeve van het staande leger. De dienstpligt duurt er 12 jaar: 3 jaar in het leger, 7 jaar in de reserve en 2 jaar in de landweer, en neemt met het 20ste levensjaar een aanvang. Men kan met zijn 17de jaar als vrijwilliger dienst nemen. Van hen, die niet in de ligting vallen, dient een klein gedeelte (9500 man) gedurende 10 jaar in de plaatsvervangende reserve, terwijl de overigen aanstonds tot de landweer overgaan. De sterkte van het leger is door de wet van 5 December 1868 gebragt op 8000 en met de landweer op ruim 1 millioen man.

Ten behoeve van het militair bestuur is het land in districten verdeeld. Tot de belangrijkste vestingen behoren er: Linz, Olmütz, Krakau, Komorn, Kronstadt, Temeswar, Peterwardein en de oorlogshaven Pola. De marine telde in den aanvang van dit jaar (1877) als gepantserde schepen 8 kazematschepen en 3 pantserfregatten, te zamen met 158 stukken en 4350 man, — voorts een aantal ongepantserde stoomschepen, namelijk: 2 fregatten, 4 gedekte korvetten, 4 gladdek-korvetten, 9 kanonneerbooten, 2 raderbooten en 2 aviso’s, te zamen met 145 stukken en 4383 man, — vervolgens eene torpedoboot, 3 zeiltransportbrikken, 8 hulken, een stoomsleper en 5 tenders. Op de Donau bevinden zich wijders 2 monitors met 4 stukken en 88 man. De marinesoldaten staan 3 jaar in actieve dienst en 7 jaar in reserve.

Het kleine rijkswapen is een zwarte, tweekoppige en ook dubbel gekroonde adelaar met uitgespreide vleugels, gouden snavels, roode tongen en gouden klaauwen, in den regter poot het rijkszwaard en den gouden schepter en in den linker den gouden rijksappel houdend, terwijl boven de beide koppen de Keizerskroon zweeft. Op de borst van den adelaar ziet men het Keizerlijk geslachtswapen op 3 schilden, namelijk regts den opstaanden, rooden, gekroonden leeuw van Habsburg op een gouden veld, links een rooden opstaanden balk en 3 zilveren adelaars boven elkander op een gouden veld (Lotharingen) en in het midden op een rood veld een zilveren dwarsbalk (Oostenrijk), terwijl dit familiewapen omhangen is van verschillende ridderorden. Het middenste wapen draagt op de uitgespreide vleugels en den staart des adelaars elf wapenschilden der Oostenrijksche gewesten. Het groote wapen draagt op het gouden hoofdschild den Keizerlijken adelaar, en deze heeft op de borst een 2-maal loodregt en evenvaak horizontaal verdeeld schild met 9 afdeelingen, die wederom in onderscheidene velden verdeeld zijn, welke de wapens van het Keizerlijk Huis, van de provinciën enz. bevatten. Het schild is met de Keizerskroon gedekt en met ridderorden omhangen en wordt gehouden door 2 gouden, zwart gevleugelde griffioenen met roode tongen en zwarte halzen.

De rijkskleuren zijn zwart en geel. De vlag is verdeeld; het ééne gedeelte bevat de Oostenrijksche kleuren rood en wit en het andere de Hongaarsche driekleur, terwijl in het midden het gestemde wapen van het Oostenrijksche Huis is geplaatst. Er zijn in Oostenrijk 8 ridderorden, namelijk die van het Gulden Vlies, door hertog Philips van Bourgondië den 10den januarij 1431 ingesteld, de hoogste Orde, welke alleen aan souvereinen en aan de hoogste waardigheidsbekleeders der Kerk gegeven wordt, — de sterrekruisorde, gesticht den 2den Februarij 1688, door de Keizerin aan dames uit den hoogen adel verleend, — de militaire Maria Theresia-Orde, ingesteld den 12den, December 1758, met 3 klassen, — de Koninklijke Hongaarsche Orde van St. Stéphanus, desgelijks met 3 klassen, — de Leopoldsorde, als onderscheiding voor verdienstelijke en geleerde mannen, ook met 3 klassen, — de Orde der IJzeren Kroon, — de Franz-Joseph-Orde, — en het Elisabeth-TheresiaStiftskruis, terwijl er daarenboven nog andere burgerlijke, geestelijke en militaire eereteekenen bestaan.

Vele landen der hedendaagsche OostenrijkHongaarsche Monarchie, in overouden tijd door de Kelten bewoond, vormden in de eerste eeuwen onzer tijdrekening ten zuiden van de Donau de Romeinsche provinciën Raetië, Noricum, Pannonië en Illyricum-Dalmatia, terwijl ten noorden van deze rivier de Marcomannnen en Quaden gevestigd waren. Raetië, behalve gedeelten van Zwitserland en Beijeren het noordelijk gedeelte van Tyrol omvattend, werd in het jaar 15 vóór Chr. door de stiefzonen van Augustus veroverd en in een wingewest herschapen, maar door Diocletianus bij Italië gevoegd. Noricum was in 48 vóór Chr. een koningrijk, maar werd in 16 vóór Chr. door den proconsul van Illyrië tot onderwerping gebragt, onder den naam van Regnum Noricum in eene Romeinsche provincie veranderd en door Diocletianus in 2 deelen, N. ripense en N. mediterraneum, gesplitst. Pannonië werd eerst na 3 oorlogen in het jaar 10 vóór Chr. een Romeinsch land en door Diocletianus in 4 provinciën verdeeld, en in 59 vóór Chr. was na een langen strijd ook Illyrië (later Dalmatië genoemd) tot onderwerping gebragt. Bij de scheuring van het Romeinsche Rijk (395 na Chr.) vielen Raetië, Noricum en Pannonië ten deel aan het WestRomeinsche Rijk, terwijl Illyrië onder de beide keizerrijken verdeeld werd, maar eerlang in handen viel van Alarik, koning der West-Gothen. Nadat laatstgenoemden naar Gallië en Spanje getrokken waren, stichtten de Hunnen onder Attila in de laagvlakte van de Donau een magtig rijk met Tokai als hoofdstad; het verviel echter na den dood van zijn stichter (453) weder in zijne voormalige deelen, daar de volkeren, vroeger door de Hunnen onderworpen, nu hunne zelfstandigheid herkregen. Toen het magtigste van deze, namelijk dat der Oost-Gothen, zich in 489 naar Italië begaf, nam Justinianus, keizer van het Oost-Romeinsche Rijk, het grootste gedeelte dier landen in bezit, doch gaf vervolgens Noricum en Pannonië prijs aan de Longobarden, die echter reeds in 568 vertrokken, waarna de Avaren, een Tartaarsche volksstam, er zich vestigden. De Enns scheidde hun gebied van dat der Beijeren, met wie zij aanhoudend oorlog voerden, totdat zij met hen een bondgenootschap sloten, toen hun hertog Thassilo in 785 in verzet kwam tegen Karel de Groote.

Om hen deswege te straffen, trok laatstgenoemde in 791 tegen hen op, maar moest wegens herhaalde oproerigheid der Saksers aftrekken en het verdere beleid van dien oorlog aan zijn zoon Pipijn overlaten. Deze dreef de Avaren over het Wiener Wald terug en voegde het land tusschen de Enns en de Raab bij het Frankische rijk (796). De dood van Lodewijk de Duitscher gaf aanleiding tot een nieuwen opstand, daar Swatoploek, vorst van Moravië, daarop een inval deed in de oostelijke marken van het Duitsche rijk. Wél overleed weldra Swatoploek, maar gevaarlijker vijand dan deze werden de Hongaren of Magyaren, als bondgenooten tegen de Moraviërs door Arnulf te hulp geroepen. Na het overlijden van dezen trokken zij op en bragten in 907 graaf Luitpold van Beijeren eene geduchte nederlaag toe, zoodat zij de oostelijke grenzen van hun rijk tot aan de Enns konden uitbreiden. Eerst na hunne nederlaag op het Lechfeld (955) namen hunne invallen in Duitschland een einde. De Duitschers drongen weder over de Enns en vestigden zich aan beide zijden van deze rivier, dit gebied als Beijersche Oostmark aan het Rijk toevoegende. Deze grenslanden met eene uitgebreidheid van 318 geogr. mijl kwamen in 983 onder het beheer van graaf Leopold (Luitpold) uit het geslacht der Babenbergers, hetwelk alzoo het bewind over Oostenrijk verkreeg en het behield tot aan zijn uitsterven in 1246.

Leopold trok het eerst op tegen Hongarije, veroverde de grensvesting Mölk, strekte zijn gebied uit tot aan het Wiener Wald, maar stierf reeds in 994. Onder zijn zoon Hendrik de Sterke vindt men den naam Oostenrijk voor de eerste maal in een giftbrief vermeld. Hij werd opgevolgd door zijn broeder Adalbert, die de landen tot aan de Leitha en de March toevoegde aan zijn bezit en derhalve als de eigenlijke stichter van Oostenrijk mag worden beschouwd. De gewesten ten oosten van het Wiener Wald werden nu door Duitsche kolonisten in bezit genomen, en zijn zoon Ernst (1056—1075) was een dapper strijder tegen de Hongaren, zoodat hij van den Keizer een vrijheidsbrief verkreeg, maar op het slagveld aan de Unstrut (9 Julij 1075) den heldendood stierf. Zijn opvolger Leopold II de Schoone werd door den hem vijandigen keizer Hendrik IV van zijne landen beroofd. Deze werden geschonken aan Wratislaus II, hertog van Bohemen, die ze echter weldra aan den voormaligen bezitter teruggaf. Daarna beklom Leopold III de Heilige (1096—1136) den troon, bouwde een kasteel op den Leopoldsberg bij Weenen en stichtte of begiftigde vele kloosters. Zijn opvolger Leopold IV, wegens onbekende redenen de Milde genaamd, regeerde korten tijd, maar verkreeg het hertogdom Beijeren.

Op hem volgde zijn broeder Heinrich Jaromirgott (1142—1177), die aan den tweeden Kruistogt deel nam, maar in een bloedigen strijd het onderspit moest delven voor de Hongaren. Keizer Frederik I ontnam hem Beijeren en schonk het aan Hendrik de Leeuw, doch den 17den September 1156 kwam eene overeenkomst tot stand, waarbij Beijeren wederom ten deel viel aan de Welfen, terwijl het markgraafschap Oostenrijk (950 geogr. mijl) tot een hertogdom verheven werd. Leopold V, een zoon van Leopold IV en de Deugdzame geheeten, ontving nu de heerschappij (1177 in 1794), trok uit ten Derden Kruistogt, nam koning Richard Leeuwenhart bij diens terugkeer uit het Oosten gevangen en leverde hem uit aan keizer Hendrik VI. Zijn zoon Frederik de Katholieke (1164—1198) overleed op den terugtogt uit Palaestina en liet den troon achter aan zijn broeder Leopold VI, later de Boomrijke genoemd. Deze nam deel aan den Vierden Kruistogt, bragt den Vrede van S. Germano (1230) tot stand, en overleed aldaar, nadat hij zijn rijk in een bloeijenden toestand had gebragt. Zijn zoon en opvolger Frederik de Strijdbare (1230—1346) werd in 1236 door Frederik II vervallen verklaard van zijne heerschappij, doch herkreeg ze in 1239, Hij streed in 1241 dapper tegen de Mongolen, en sneuvelde den 15den Junij 1246 in den strijd tegen Bela van Hongarije. Met hem nam de dynastie der Babenbergers een einde. Na zijn dood ontstonden op zijn gebied verregaande verwarringen.

Keizer Frederik II nam Oostenrijk en Stiermarken als vervallen Rijksleenen in bezit en benoemde graaf Otto van Eberstein tot rijksbestuurder, — later hertog Otto van Beijeren en toen Meinhard van Görz tot stadhouder. Ten tijde evenwel van het schijnkoningschap van graaf Willem van Holland benoemde paus Innocentius IV, de bittere vijand der Hohenstaufen, markgraaf Herman van Baden, den tweeden gemaal van Geertruid, eene nicht van Frederik de Strijdbare, tot hertog van Oostenrijk (1248), doch deze overleed reeds in 1250, terwijl het land bedreigd werd door een nieuwen inval der Hongaren. De dagelijksche onzekerheid bragt weldra de Oostenrijksche Standen tot de overtuiging, dat het land behoefte had aan een krachtigen monarch. Zij kwamen in 1251 te Trübensee bij Tulln bijeen en verkozen Ottokar, een zoon van den koning van Bohemen, tot hertog. Deze hield weldra zijn intogt in Weenen en trad in het huwelijk met Margaretha, de zuster van den laatsten vorst uit het geslacht der Babenbergers. Door het overlijden zijns vaders (1253) kwam hij in het bezit van Bohemen en Moravië, moest wel is waar in 1254 door den invloed van den Paus Stiermarken aan Hongarije afstaan, maar heroverde het in 1260 door zijne zegepraal bij Kroissenbrunn aan de March. In 1269 ontving hij voorts door erfmaking Carinthië en Krain, en ontrukte in 1272 aan de Hongaren Preszburg en het land tot aan de Waag. Deze magtige Vorst bevorderde de welvaart des lands en der steden, alzoo het ontstaan van een vrijen burgerstand.

In Duitschland was inmiddels in 1273 Rudolf van Habsburg tot koning gekozen. Deze riep in 1274 den Rijksdag bijeen te Nürnberg, doch Ottokar weigerde het, den naar zijne zienswijze onwettig gekozen Koning te erkennen, terwijl hij evenmin de Oostenrijksche landen als vervallen leenen wilde teruggeven. hij werd deswege in den rijksban gedaan, en Rudolf viel met een leger in Oostenrijk en noodzaakte door de capitulatie van Weenen zijn tegenstander tot den vrede en tot het afstaan van Oostenrijk, Stiermarken, Carinthië en Krain. Nadat voorts Ottokar, opnieuw tegen hem opgestaan, in 1278 op het Marchfeld den slag en het leven verloren had, beleende Rudolf den 27sten December 1282 zijne eigene zonen Albrecht en Rudolf met Oostenrijk, Stiermarken en Krain (1062 geogr. mijl) en legde daardoor den grondslag voor de magt van het Huis van Habsburg. Carinthië gaf hij in 1216 aan graaf Meinhard van Tyrol. Nadat Rudolf in 1283 het hem toegewezen deel aan zijn broeder Albrecht I (1282—1308) had afgestaan, hield deze met kracht de teugels van het bewind in handen, bekreunde zich weinig om vroeger verleende voorregten en onderdrukte met geweld iedere volksbeweging. Hij voerde voorts een voorspoedigen oorlog tegen den bisschop van Salzburg en wist Hongarije aan zich te verbinden door af te zien van de in 1272 gemaakte veroveringen. Daarentegen mislukten zijne plannen om zich meester te maken van Holland, Zeeland, Thüringen, Zwitserland en Bohemen. Dit laatste echter schonk hij, nadat koning Wenzel III in 1306 door sluipmoord gedood was, als een vervallen rijksleen aan zijn zoon Rudolf, die echter reeds in het daarop volgende jaar overleed.

Ook Albrecht werd vermoord in 1308 en opgevolgd door Frederik III de Schoone en Leopold de Roemrijke. Na den dood van laatstgemelde (1326) bleef Frederik aan het bewind tot 1330. Op hem volgde wederom een zoon van Albrecht I, namelijk Albrecht de Wijze of de Lamme (1330—1358), die tegelijk met zijn broeder Otto in 1335 beleend werd met een groot gedeelte van Tyrol, waarvan zij later evenwel afstand deden. Rudolf IV (1358—1865) droeg den naam van de Stichter, daar hij de universiteit te Weenen en meer andere inrigtingen deed verrijzen, herkreeg Tyrol, alsook Preiburg en het graafschap Feldkirch, en liet, kinderloos overlijdend, het rijk achter aan zijne zonen Albrecht III (1365—1395), die het eigenlijke Oostenrijk, en Leopold III (6365—1386), die het overige verkreeg. Nadat deze laatste na talrijke oorlogen met Venetië, Carrara, de Zwitsers enz. in 1386 op het slagveld bij Sempach gesneuveld was, bestuurde Albrecht III het rijk voor diens minderjarige zonen en verdedigde het met kracht tegen de wederspannige vasallen. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Albrecht IV (1395— 1404). Gedurende den togt van dezen naar het Heilige land, waar hij zooveel avonturen ontmoette, dat hij het Wonder der Wereld genoemd werd, ontstonden er onlusten in het binnenland (vooral door roofridders) en aan de grenzen. Zijn zoon Albrecht V stond tot 1411 onder de voogdij van zijne neven Wilhelm en Leopold IV uit de lijn Stiermarken, maar aanvaardde toen het bewind en deed een beter tijdperk aanbreken.

Als schoonzoon van Sigismund van Luxemburg werd hij de opvolger van dezen in Moravië, Bohemen en Hongarije en op den Duitschen koningstroon (1438), maar overleed reeds in 1439 gedurende zijn terugkeer van een veldtogt in Turkije. Zijn later geboren zoon Wladislaus Posthumus kwam eerst onder voogdij van Albrecht VI, en daarna onder die van den broeder van dezen, Frederik V (als Duitsch koning (1440—1493) Frederik III). Door het overlijden van Wladislaus en van zijn broeder Albrecht (1463) verkreeg Frederik het geheele aartshertogdom Oostenrijk, maar hij deed vruchtelooze pogingen om de koningrijken van Wladislaus te verwerven; hij moest Georg Podiebrad in Bohemen en Matthias Cordnus in Hongarije als koningen erkennen, en laatstgenoemde verdreef hem in 1485 zelfs uit Weenen. Na langdurige oorlogen deed hij in 1474 afstand van zijne aanspraken op Zwitserland. Rooverbenden en troepen van ontevredenen teisterden zijn rijk, en deze, aan wier hoofd zich Ulrich Fizinger bevond, benoemden in 1451 een Voorloopig Bewind en verklaarden zich onafhankelijk.

Toen Frederik, die zich in Italië bevond, ijlings terugkeerde, was hij in 1452 te Neustadt, waar hij slechts eenige honderden ruiters ter beschikking had, in gevaar van in handen der opstandelingen te vallen, die een aanzienlijk leger vóór de wallen bijeen trokken, zoodat hij vrede sloot en den jeugdigen Wladislaus uitleverde. Toen deze overleden was, bragt hij eene overeenkomst tot stand met zijn broeder Albrecht, volgens welke hij het land beneden, Albrecht het land boven de Enns en hun broeder Sigismund een derde der inkomsten des Rijks zou ontvangen. Het land bleef echter in onrust en ellende; zelfs werd Frederik in den Hofburgt te Weenen door oproerlingen onder aanvoering van Albrecht belegerd, zoodat hij aan dezen tegen een jaargeld van 4000 goudguldens het geheele rijk moest afstaan. Daar de toestand des volks niet verbeterde, verbonden zich nu de ontevredenen met Frederik tegen, Albrecht, doch deze laatste overleed in 1453, waarna Frederik nog 30 jaren regeerde en al de Habsburgsche landen achterliet aan zijn zoon Maximiliaan I (1493—1519), die reeds in 1486 tot Roomsch Koning gekozen was.

Met Maximiliaan 1 begint een nieuw tijdperk in de geschiedenis van Oostenrijk, want door zijne betrekking tot de Nederlanden (hij huwde met Maria van Bourgondië) en Spanje, alsmede tot Bohemen en Hongarije, verhief hij het Duitsche vorstendom tot den rang eener wereldheerschappij. Reeds in 1490 had hij lauweren behaald in Hongarije, en was toen onder het gejuich der bevolking binnen Weenen getrokken, waar hij zich van den burgt had meester gemaakt. Wladislaus, koning van Hongarije, moest hem bij den Vrede van Preszburg (1491) als opvolger erkennen, indien hij zonder mannelijke nakomelingen overleed. Ook had hij in 1492 aan de Turken bij Villach eene geduchte nederlaag toegebragt. Toen voorts Maximiliaan den Oostenrijkschen troon beklom, liet hij het bestuur der Nederlanden over aan zijn zoon Philippus. Wél mislukte het hem, aan het Oostenrijksche Huis de Keurvorstelijke of de Koninklijke waardigheid te bezorgen, maar hij breidde toch zijn gezag aanmerkelijk uit. Hij verkreeg in de eerste plaats Bourgondië en de Nederlanden. De dood van Isabella van Castilië (1504) opende hem het uitzigt op het bezit van Spanje, terwijl hem tevens onderscheidene grensdistricten ten deel vielen.

Door een uitmuntend binnenlandsch bestuur zorgde hij voor de invoering en handhaving van wetten, voor de verpleging van behoeftigen en voor de bevordering van kunst en wetenschap, — ja, hij waakte zoo ijverig voor de belangen der universiteit te Weenen, dat het aantal studenten er tot 7000 klom. Het humanismus vond er onder de hoede van den Keizer en van zijn kanselier Matthaeus Lang, later kardinaal en aartsbisschop van Salzburg, een vruchtbaren bodem, en aan de hoogeschool der hoofdstad waren uitstekende mannen werkzaam. Hij overleed den 11den Januarij 1519 en werd in het rijk en in de erflanden opgevolgd door zijn kleinzoon Karel V. Deze schonk reeds in 1521 gemelde erflanden aan zijn broeder Ferdinand, den stichter der Duitsche lijn van het Huis Habsburg. Ferdinand moest een geweldigen strijd voeren tegen de Turken, die, aangevoerd door Soliman de Groote, zich van de landen aan den benedenloop van de Donau wilden meester maken. Nadat zij Semlin, Belgrado en Peterwardein ingenomen hadden, overwonnen zij in den slag bij Mohács (29 Augustus 1526) de Hongaren en hun 20-jarigen koning Lodewijk. Hoewel Bohemen en Hongarije nu aan Ferdinand moesten ten deel vallen, verkreeg deze alleen het eerste, daar Johann Zapolya, woiwode van Siebenbürgen, tot koning van Hongarije uitgeroepen werd. Daar deze zich te zwak gevoelde, om zich in het bezit van den troon te handhaven, riep hij de hulp in van Soliman, die hem na de verovering van Budapesth als schatpligtig Vorst toegang verschafte tot den Hongaarschen Koningsburgt.

De Habsburger Vorst behield dus enkel den koningstitel en eenige landen in het westen en noorden des rijks. Soliman vond het einde van zijne overwinningen vóór de wallen van Weenen, waar de dappere bezetting hem noodzaakte, het beleg op te breken. Daar eene latere poging om zich van Oostenrijk meester te maken door de uitstekende verdediging van Günz verijdeld werd, kwam in 1533 een vrede van de Oostenrijkers met de Turken tot stand, waarbij aan Ferdinand het bezit zijner landen en steden gewaarborgd werd. Op nieuw verklaarde Soliman in 1541, nadat hij Venetië getuchtigd had, aan Oostenrijk den oorlog, doch in 1547 kwam weder een vrede tot stand, waarbij aan Ferdinand tegen eene jaarlijksche betaling van 30000 ducaten het bezit van Hongarije werd toegekend. Toch bleven de gevechten en strooptogten der Turken aanhouden, hoewel er in 1562 wederom een vrede gesloten werd, waarbij Ferdinand afstand deed van Siebenbürgen. Toen heerschten hier en in Hongarije de wetteloosheid en het vuistregt.

In het binnenland had Ferdinand gedurig met burgeroorlog te worstelen; reeds in 1515 hadden de boeren in Stiermarken, Carinthië en Krain tegen de adellijke grondbezitters zamengespannen, en in 1525 barstte in Salzkammergut een openbare opstand uit, waarbij de boeren een leger van Ferdinand versloegen. Hoewel de oproerige bewegingen zich over het geheele land uitbreidden, werden zij spoedig gedempt, en Ferdinand zorgde, dat de boeren in zijne Staten zachter werden behandeld dan elders. Ook was hij jegens de Hervorming verdraagzamer dan zijn broeder Karel. Voorts verbeterde hij de regtbedeeling en de toestand der gilden, en vaardigde wetten uit tegen de weelde in kleedij, tegen den woeker enz. Hij overleed den 25sten Julij 1564, nadat hij zijne landen onder zijne zonen op zulk eene wijze verdeeld had, dat Maximiliaan Oostenrijk, Bohemen en Hongarije. — Ferdinand Tyrol, — en Karel Stiermarken, Carinthië, Krain en Görz verkreeg.

Maximiliaan (1564—1576, als Duitsch keizer Maximiliaan II) helde uit staatkunde over tot het Protestantismus. Hij had namelijk gerekend op het bezit van Milaan of van de Nederlanden, doch daar hem geen van beide ten deel viel, sloot hij zich aan bij de Protestantsche Vorsten. Om tot Keizer te worden gekozen (1562), deed hij zoowel toezeggingen aan de R. Katholieke Keurvorsten als aan de Protestantsche. Hij vernieuwde den vrede met Sélim II van Turkije, zoodat Hongarije van de invallen van die zijde verschoond bleef. In zijn tijd breidde de Hervorming zich uit en ontwikkelde zich de wetenschap met ongemeene kracht. Hij overleed den 11den October 1576 en werd opgevolgd door zijn oudsten zoon Rudolf II (1576—1612), reeds in 1572 tot koning van Hongarije en in 1575 tot koning van Bohemen en Duitsch keizer gekozen. Zijne broeders werden op andere wijzen schadeloos gesteld. Rudolf verzette zich met ongemeenen ijver tegen de Hervorming, daarbij ter zijde gestaan door de R. Katholieke priesters, aan wier hoofd zich Melchior Khlesl bevond, een man, die, van Protestantsche ouders afstammend, maar reeds vroeg door de Jezuïeten tot de Moederkerk teruggebragt, als officiaal van den bisschop van Passau en later als bisschop van Weenen de verordeningen tegen de Hervormden met de grootste gestrengheid handhaafde.

In dien hagchelijken toestand sloten in 1603 de Protestantsche Standen van Oostenrijk onder de leiding van den Calvinistischen vrijheer Erasmus von Tschernembl een verbond tot bescherming van hunne godsdienstige en staatkundige vrijheid, waarna in 1605 ook de R. Katholieke Standen zich aaneensloten. Nog verder ging Ferdinand, de zoon van aartshertog Karel en in 1596 op 18-jarigen leeftijd aan het hoofd der zaken geplaatst in Stiermarken, Carinthië en Krain, daar hij door gewelddadige maatregelen, tot groot genoegen der Curie, binnen weinige jaren het grootste gedeelte zijner onderdanen in R. Katholieken herschiep. Ook in Hongarije zou eene dergelijke reactie tot stand gebragt worden; doch daar trad Stefanus Bocskay, de aanzienlijkste magnaat van Siebenbürgen en tevens grondbezitter in Hongarije, als strijder op voor de godsdienstige en nationale vrijheid. Weldra zag hij zich geschraagd door den adel en de steden, en daar hij zich ook den steun der Turken wist te bezorgen, ruimde de Keizerlijke veldheer Basta het land, hetwelk op deze wijze aan den Keizer ontviel. Toen ontwaakte bij ’s Keizers broeders de begeerte om hem van den troon te stooten, en daardoor kwam na langdurige onderhandelingen het verdrag van Lieben (25 Junij 1608) tot stand, waardoor Matthias Hongarije (voor zoover het niet aan anderen behoorde), Oostenrijk en Moravië verkreeg, alsmede de belofte van opvolging in Bohemen. Tevens werd de 20-jarige vrede met de Turken bevestigd, waardoor deze eene aanzienlijke geldsom en de veroverde vestingen verwierven. Rudolf overleed na zoo groote vernederingen op den 20sten Januarij 1612, waarna Matthias tot Duitsch keizer gekozen werd. Door het goedkeuren der schennis van een door koning Rudolf aan Bohemen verleenden majesteitsbrief veroorzaakte hij een oproer te Praag en hierdoor den Dertigjarigen Oorlog, waarna hij den 20sten Maart 1619 overleed.

Hij was de laatste van de oudere Oostenrijksche lijn en werd opgevolgd door een telg van de Stiermarkensche. Deze — Ferdinand II — reeds in 1617 met de Boheemsche en in 1618 met de Hongaarsche Kroon begiftigd, werd in 1619 tot keizer gekozen. Hij verkeerde intusschen in zeer moeijelijke omstandigheden, want de Oostenrijksche Standen maakten bezwaar tegen hem als troonopvolger en de Bohemers verklaarden hem vervallen van zijne koninklijke waardigheid en kozen in zijne plaats Frederik V van de Pfalz. Tot tweemaal toe drongen de Bohemers onder het bevel van Thurn in Oostenrijk door en sloegen het beleg vóór Weenen, en voor de Oostelijke gewesten was Bethlen Gahor, sedert 1613 vorst van Siebenbürgen, door zijn bondgenootschap met de Turken een gevaarlijk vijand, toen de overwinning bij den Witten Berg (8 November 1620) den Keizer uit al zijne nooden redde. Bohemen werd ten onder gebragt, de Oostenrijksche Standen werden gedwongen hem te huldigen, en naar het voorbeeld van het Boheemsche Hervormingspatent van 31 Julij 1627, dat alle andersdenkenden uit het Koningrijk verbande, werd in de overige Oostenrijksche landen alles aangewend om de nieuwe leer uit te roeijen. Wél barstte bij die geweldige bekeeringsmaatregelen hier en daar een oproer uit, bijv. in Mei van 1625 onder de leiding van Stephan Fladinger, maar het werd ook telkens door overmagt van troepen op eene bloedige wijze gedempt. In de oostelijke landen werd voorts het gevaar afgewend door een verdrag met de Turken (1627) en door den dood van Bethlen Gabor. Onder Ferdinand III (1637—1657), den opvolger van den voorgaande, werden de Oosterijksche landen en vooral Bohemen meer en meer het tooneel van een verwoestenden oorlog, en in 1645 verschenen de Zweedsche troepen onder Torstenson vóór de muren van Weenen, waarna de Vrede van Munster (1648) een einde maakte aan den strijd.

Hij moest den Opper- en Beneden-Elzas tegen eene geldelijke schadevergoeding afstaan en bleef vijandig gestemd tegen de Hervorming. Daar zijn oudste zoon Ferdinand,, in 1653 tot Roomsch koning gekozen, in het daarop volgende jaar overleden was, beklom zijn tweede zoon Leopold in 1657 den troon en behield dien tot 1705. Zijne langdurige regéring was getuige van eene reeks van rampen. Aan de westzijde bedreigde Lodewijk XIV de grenzen des Rijks en stelde bij de vredesverdragen van Aken, Nijmegen en Rijswijk zich in het bezit van onderscheidene Duitsche landen en steden. Tevens deden de Turken op nieuw een inval in Hongarije, versloegen bij Gran een Oostenrijksch leger en rukten plunderend en verwoestend voorwaarts tot Brünn en Olmütz. Reeds had het Hof zijn zetel uit de bedreigde hoofdstad naar Linz verplaatst, toen de schitterende overwinning van Montecuculi bij St. Gotthard aan de Raab (1 Augustus (1664) de Turken noodzaakte, den 20 jarigen vrede van Vasvar te sluiten. Deze werd echter verbroken in 1688, toen Emmerich Tököly, aanvoerder der Hongaren, die voor hunne oude constitutie en voor het Protestantismus te velde trokken, hunne hulp inriep. De grootvizier Kara Moestapha trok in dat jaar aan het hoofd van 200000 man naar Weenen, hetwelk hij 2 maanden belegerde, doch de stad werd gered door de heldhaftige verdediging van graaf Rüdiger von Starhemberg en door eene zegepraal, door Johan Sobiëski, koning van Polen, en Karel van Lotharingen verworven. Na dien tijd daalde de Halve Maan meer en meer; in dat zelfde jaar werd Gran heroverd, en in 1686 viel Ofen, dat 145 jaar in het bezit der Turken was geweest, weder in handen der Habsburgers, terwijl de glansrijke slag bij Mohacs achtervolgd werd door de onderwerping van Slawonië en Croatië. Nadat in het heroverde gedeelte van Hongarije een bloedraad was ingesteld, veranderde Leopold het land, hetwelk te voren koningen naar welgevallen koos, in een erfrijk der Habsburgers (1687) en vereenigde het met Siebenbürgen. Met afwisselenden voorspoed werd nu de oorlog tegen Turkije voorgezet: de Keizer veroverde Belgrado en Widdin en behaalde overwinningen bij Patasch en Nissa. Alles echter ging wederom verloren door het beleid van den grootvisier Moestapha Köprili, die evenwel ten slotte in den bloedigen slag van Szalankemen met 24000 Turken het onderspit moest delven voor markgraaf Lodewijk van Baden. Eindelijk kwam door de schitterende zegepraal van prins Eugenius van Savoye bij Zenta (1697) een einde aan den oorlog, en bij den Vrede van Karlowitz werd geheel Siebenbürgen en al het land tusschen de Donau en de Theisz, met uitzondering van het banaat van Temesvar, aan Oostenrijk afgestaan. — Nadat Leopold in 1665 Tyrol aan zijne landen had toegevoegd, wilde hij in 1700, na den dood van Karel II, koning van Spanje, de kroon van dit land doen toewijzen aan zijn zoon Karel, waardoor de Spaansche Successie-oorlog ontstond. De gesteldheid van het binnenland was voorts onder het bestuur van Leopold door den bekrompen staat der geldmiddelen en de omkoopbaarheid der ambtenaren hoogst ongunstig. Hij werd opgevolgd door zijn oudsten zoon Joseph I (1705—1711), die den Spaanschen Successie-oorlog voortzette. Deze strijd en de hoop op den bijstand der Turken veroorzaakten een nieuwen opstand der Hongaren onder Rakoczi, welke echter door de zegepraal des Keizers in 1708 gedempt werd en in 1711 met de onderwerping des lands en den Vrede van Szathmar eindigde. De Keizer, die eene loffelijke spaarzaamheid bevorderde en de regtspleging aanmerkelijk verbeterde, werd opgevolgd door zijn broeder Karel VI (1704—1740), die Philips V als koning van Spanje erkende, doch in het bezit kwam van de Spaansche Nederlanden, Napels, Sardinië en een deel der Fransche Nederlanden met Doornik. Toen voorts Philippus zich weder meester wilde maken van Italië, werd hij daarin verhinderd door de Quadruple-alliantie van den Keizer met Engeland, Frankrijk en Holland tot het handhaven van den Vrede van Utrecht, en zijn bondgenoot, de hertog van Savoye, moest in 1720 bij den Vrede van ’s Gravenhage Sicilië tegen Sardinië aan Oostenrijk afstaan. In 1716 verbond zich Karel met de Venetiaansche Republiek tegen de Turken, die zich wederregtelijk van Moréa hadden meester gemaakt. Eugenius van Savoye bragt hun met een leger, half zoo sterk als dat zijner tegenstanders, in 1716 bij Peterwardein eene bloedige nederlaag toe, gevolgd door de capitulatie van Temesvar; in 1717 verjoeg hij bij Belgrado een overmagtig Turksch leger uit zijne verschansingen, maakte zich een paar dagen daarna meester van laatstgenoemde stad en noodzaakte de Turken tot den Vrede van Passarowitz (1718), waardoor hij het geheele Banaat, vijf districten van Klein-Walachije en een gedeelte van Serbië verkreeg. Minder groot was de voorspoed van Eugenius in den Poolschen Successie-oorlog, want hij moest Napels en Sicilië afstaan en verkreeg tot schadeloosstelling slechts Parma en Piacenza. Om zich vergoeding te verschaffen voor zijne verliezen in Italië, verklaarde Karel VI in 1737 den oorlog aan de Turken, maar werd bij Banjaloeka en in 1739 bij Krotzka geslagen en verloor bij den Vrede van Belgrado (1734) deze vesting, benevens Serbië en Walachije. De Keizer stelde voorts onder den naam van „Pragmatieke Sanctie” eene nieuwe erfopvolging vast, welke zich ook tot de dochters uitstrekte. Hij beijverde zich, haar te doen erkennen door de Europésche Mogendheden, ’t geen hem niet overal gelukte, doch verwaarloosde tevens de belangen van de schatkist en van het leger. Met hem stierf het Huis Habsburg uit in de mannelijke lijn (1760), en hij werd opgevolgd door zijne dochter Maria Theresia, die door haar huwelijk met Frans van Lotharingen het groothertogdom Toscane met de Oostenrijksche Monarchie vereenigde. Haar gemaal werd evenwel niet gekozen tot Keizer van Duitschland, daar deze waardigheid ten deel viel aan keurvorst Karel Albrecht van Beijeren, die als Karel VIl het bewind aanvaardde. Maar ook de erfgoederen van het Habsburgsche Huis schenen niet veilig te zijn. Laatstgenoemde Keurvorst maakte daarop aanspraak, zich beroepende op zijne afstamming van Anna, de oudste dochter van Ferdinand I. Voorts beweerde Frederik II van Pruissen regt te hebben op een gedeelte van Silézië en deed er een inval, daar hij besloten had Pruissen tot eene mogendheid van den eersten rang te verheffen. Zoo ontstond de eerste Silézische Oorlog (1740—1742). Frederik veroverde het land en hield zich staande tegen het oprukkend leger der Oostenrijkers door de overwinning bij Molwitz (1741). Dientengevolge vereenigden zich den 22sten Mei 1741 te Nymphenburg allen, die iets begeerden van de nalatenschap van Karel VI, namelijk Saksen, Sardinië, Frankrijk, Spanje en Pruissen. De Oostenrijksche Successie-oorlog (1741—1748), uit dit verbond gesproten, nam een aanvang met het bezetten van Passau door den Keurvorst van Beijeren en met de overrompeling der bergvesting Oberhaus. Door een Fransch leger onder Belle-Isle versterkt, deed hij een inval in Opper-Oostenrijk, liet zich te Linz huldigen en aanvaardde den titel van aartshertog van Oostenrijk. Maria Theresia riep de Hongaren te hulp, die bijna 100000 man te velde bragten en door de misslagen van den vijand voldoenden tijd hadden, om hunne toerustingen te voleindigen. Immers in plaats van naar Weenen en Preszburg te trekken en zich met den Koning van Pruissen te vereenigen, wiens ligte ruiters reeds tot Stockerau waren doorgedrongen, trok de Keurvorst van Beijeren naar Bohemen, om te Praag de kroon te ontvangen. Nadat hij voorts Bohemen verlaten had en over de Rijn was getrokken, deed een Oostenrijksch leger onder Frans van Lotharingen een inval in Bohemen, terwijl een tweede onder generaal Bärenklau in Beijeren doordrong, München bezette en er geweldige verwoestingen aanrigtte. Karel VII verblijdde zich wel is waar in de zegepraal, door Frederik II in 1742 in Bohemen op Karel van Lotharingen behaald, doch ten onregte, daar die overwinning tot den vrede leidde tusschen Oostenrijk en Pruissen, waarbij dit laatste in Silézië en het graafschap Glatz een grondgebied van 650 geogr. mijl verkreeg. Nu zette Maria Theresia den Successie-oorlog met ijver voort. De Franschen onder Belle-Isle en Broglio moesten met groot verlies Bohemen verlaten; zij werden bij Dettingen (1743) geslagen en aan de Boven-Rijn bedreigd. Beijeren werd door de overwinning van Karel van Lotharingen bij Simpach (1743) nagenoeg geheel en al veroverd, zoodat Saksen en Sardinië de zijde van Oostenrijk kozen en Engeland en Holland de handhaving waarborgden der Pragmatieke Sanctie. Vreezende, dat dit verbond later hem zou gelden, maakte Frederik II aanstalten tot den tweeden Silézischen Oorlog (1744—1745), sloot een verbond met den Keurvorst van de Pfalz, met Hessen-Cassel en met Frankrijk, deed een inval in Bohemen en maakte zich stormenderhand meester van Praag. De Oostenrijkers en Saksers noodzaakten hem echter, naar Silézië terug te trekken. Korten tijd daarna stierf Karel VII te München, en zijn opvolger Maximiliaan Joseph sloot aanstonds vrede met Maria Theresia (1745). Hij ontving Beijeren terug, deed afstand van alle aanspraken op de Oostenrijksche landen en beloofde bij eene volgende Keizerskeuze zijne stem te geven aan den gemaal van Maria Theresia. Niettemin bleef de oorlog voortduren, en Frederik II behaalde glanrijke overwinningen bij Hohenfriedberg en bij Sorr. Toen Karel van Lotharingen oprukte naar Berlijn, noodzaakte Frederik hem tot den terugtogt. Weldra echter werd met Pruissen de Vrede van Dresden gesloten, waarbij Frederik den pas gekozen Frans I als Duitsch Keizer erkende. De strijd met Frankrijk bleef nog 3 jaren aanhouden en eindigde in 1748 met den Vrede van Aken. Eene poging van Maria Theresia om, verbonden met Rusland, Frankrijk, Zweden en het Duitsche Rijk, zich weder van Silzéië meester te maken, gaf aanleiding tot den Derden Silézischen of Zevenjarigen Oorlog, en deze eindigde in 1763 met den Vrede van Hubertusburg.

De gemaal van Maria Theresia, als Franz 1 de eerste keizer uit het Huis Habsburg-Lotharingen (1745—1765), had geenerlei invloed op de Duitsche of op de Oostenrijksche politiek. Reeds bij zijn leven was zijn zoon Joseph II tot zijn opvolger gekozen en deze beklom na den dood zijns vaders (1765) den troon, terwijl hij tevens in Oostenrijk met zijne Moeder de zaken bestuurde. Nadat hij in 1772, door de eerste verdeeling van Polen, Galicië en Lodomerië (te zamen 2000 geogr. mijl) en in 1775 van de Turken de Boekowina verkregen had, noodzaakte hij den Keurvorst van de Pfalz, erfgenaam van den kinderloozen Keurvorst van Beijeren, zijne aanspraken op een gedeelte van het land van laatstgenoemde door eene overeenkomst als gegrond te erkennen. Frederik de Groote wilde dit echter niet gedoogen en haalde den hertog Karel von Zweibrücken over, die overeenkomst niet te erkennen. Toen voorts Joseph II na aflijvigheid van den Keurvorst van Beijeren toch dat land in bezit nam, maakte Frederik, verbonden met Saksen, zich gereed tot den Beijerschen Successie oorlog (1778) en viel in Bohemen. Daar echter de Oostenrijkers achter de Elbe eene voordeelige stelling hadden ingenomen, moest hij naar Silézië terugtrekken, waar in 1779 de Vrede van Teschen gesloten werd, die aan Joseph slechts 38 geogr. mijl van het door hem verlangde gebied toekende.

In het volgende jaar overleed Maria Theresia, en haar zoon werd alleenheerscher over een gebied van meer dan 11000 o geogr. mijl met 24 millioen inwoners, terwijl ook de schatkist en het leger zich in een gunstigen toestand bevonden. Daarvoor had zij voortreffelijke maatregelen genomen en tevens het binnenlandsch bestuur aanmerkelijk verbeterd, het. lot der lijfeigenen verzacht, in de opheffing van de Orde der Jezuïeten toegestemd en de pijnbank afgeschaft. De staatkunde van Joseph II onderscheidde zich niet in doel, maar in middelen van die zijner Moeder. Zijn grondregel was deze: „Alle landen der Monarchie moeten één geheel vormen, en alle krachten des volks moeten zamenwerken tot één doel, de grootheid van Oostenrijk”. Door wetten en verordeningen wilde hij eene staatshervorming tot stand brengen, die geene wortels vond in den volksgeest. Die wetten en verordeningen volgden elkander op met verbazende snelheid. Hij schafte de censuur af, hief de geestelijke stichtingen op en strekte door het tolerantie-edict van 15 October 1781 zijne verdraagzaamheid uit tot alle godsdienstige secten.

Voorts vernietigde hij in 1784 de lijfeigenschap, beperkte de magt van den adel en zorgde met naauwlettenden ijver voor al zijne onderdanen. Door de wet op de grondbelasting van 1 November 1789 verminderde hij de lasten der boeren, terwijl hij die der groote grondbezitters verhoogde. Ook schreef hij voor, dat ambtenaren en regters in zijn geheele gebied gebruik zouden maken van de Duitsche taal; doch door al die verordeningen haalde hij zich den haat van den adel, van de geestelijkheid en van de Hongaren op den hals. De tegenstand, dien hij ondervond, was zoo groot, dat hij alle nieuwe instellingen, met uitzondering van de afschaffing van de lijfeigenschap en van het tolerantie-edict, in de laatste dagen van zijn leven herroepen moest. Hij deed dit in de vermaarde resolutie van 28 Januarij 1790, waarin hij met ééne pennestreek de vrucht zijner tienjarige bemoeijingen vernietigde. In de Nederlanden veroorzaakten zijne hervormingen een geweldig oproer, dat op het seminarium te Leuven uitbarstte en zich zoozeer uitbreidde, dat men er zich in 1789 openlijk tegen de Oostenrijkers verzette; deze moesten het land ruimen, hetwelk zich onafhankelijk verklaarde, maar weldra — hoewel eerst na den dood van Joseph — door geweld van wapenen weder tot onderwerping werd gebragt.

Dezelfde voortvarendheid, welke den Keizer bezielde bij de binnenlandsche hervormingen, openbaarde zich ook in zijn gedrag jegens het buitenland. In 1785 poogde hij door ruiling in het bezit te komen van Beijeren, door keurvorst Karel Theodoor het grootste gedeelte der Nederlanden als een koningrijk Bourgondië aan te bieden. Zijn plan vond echter geen bijval. Zijn verlangen om door opheffing van het Barrièretractaat en door vrijmaking van de monden der Schelde den handel in de Oostenrijksche Nederlanden te verlevendigen, wikkelde hem in oneenigheid met Holland, die echter in 1785 werd bijgelegd door de overeenkomst, dat Joseph voor eene som van 8½ millioen van zijne plannen zou afzien. Het einde van den niet zeer voorspoedigen oorlog tegen de Turken, dien hij met Rusland ondernam, mogt hij niet beleven. Hij overleed den 20sten Februarij 1790 en liet Oostenrijk in de grootste verwarring achter. De oude vormen van het staatsleven had hij vernietigd en de nieuwe herroepen, zoodat zijn broeder, de groothertog van Toscane, die hem als Leopold II (1790—1792) opvolgde, alle krachten zijner staatsmanswijsheid moest inspannen om de bestaande moeijelijkheden te overwinnen. Hij wist echter door gepaste maatregelen allen tegenstand te vernietigen.

Inmiddels was de Fransche Omwenteling uitgebarsten, en Leopold zag zich van verschillende kanten en vooral door Friedrich Wilhelm II van Pruissen aangespoord, om het koningschap, in den persoon van Lodewijk XVI bedreigd, in bescherming te nemen en aan Frankrijk den oorlog te verklaren. Hij weigerde echter daaraan gehoor te geven en overleed in 1792. Zijn zoon en opvolger Frans (II als Duitsch Keizer tot 1806 en I als Keizer van Oostenrijk tot 1835) was minder afkeerig van den oorlog en voerde dien met korte tusschenpoozen tot 1815. Het eerste tijdperk dier worsteling eindigde in 1797 met den Vrede van Campo Formio. Wél moest hij toen zijne Nederlanden, Milaan en Mantua missen, maar werd hiervoor schadeloos gesteld door het grootste gedeelte van Venetië en door de Dalmatische Eilanden. Daar Oostenrijk bij de derde verdeeling van Polen in 1795 West-Galicië, een gebied van 834 geogr. mijl met ongeveer een millioen inwoners, had verworven, had het grooter oppervlakte verkregen dan het bij den aanvang van den oorlog bezat. Het hervatten van den strijd in 1799, toen Oostenrijk magtige bondgenooten telde, nam den 9den Februarij 1801 een einde met den Vrede van Luneville, die de voorwaarden van Campo Formio grootendeels bekrachtigde, doch de nederlagen van Ulm en Austerlitz leidden in 1805 tot den vernederenden Vrede van Preszburg, waarbij Oostenrijk in Italië en Duitschland 1196 geogr. mijl met omstreeks 3 millioen inwoners tegen Salzburg moest afstaan.

De stichting van den Rijnbond (1806) en de uitbreiding van het Duitsche rijk noopten Frans II tot het nederleggen van de Duitsch-Keizerlijke waardigheid. In Oostenrijk veroorzaakte de Vrede van Preszburg eene kabinetsverandering, waarbij graaf Stadion de teugels van het bewind in handen nam en met de aartshertogen Karel en Johann het rijk in een weerbaren toestand zocht te brengen. Door den invloed der Napoleontische partij leende ook Oostenrijk zijne kracht tot handhaving van het continentaalstelsel, zoodat de handel in Triëst verliep en eene geldcrisis het gezonken crediet nog dieper deed dalen. De voorbereidselen tot den oorlog waren nog niet voltooid, toen Napoleon dien in 1808 verklaarde. De Oostenrijkers verzuimden het, de vruchten te plukken van de overwinning bij Aspern (1809), en daarop volgden de nederlaag bij Wagram, de wapenstilstand van Znaim en de wapenstilstand van Weenen, waarbij Oostenrijk bijna 2000 geogr. mijl verloor en eene oorlogscontributie van 85 mlilioen gulden moest opbrengen. Franz I getroostte zich daarbij niet alleen het gemis van Tyrol, dat in den tegenstand tegen zijne vijanden goed en bloed had ten offer gebragt, maar deed ook geen enkelen stap, om zijne aanhangers aldaar tegen de wraak van Napoleon te beveiligen.

De Keizer met een ministérie, aan welks hoofd zich Metternich bevond, behoefde nu aan eene vermeerdering der magt van den Staat niet te denken; hij kon zijne krachten besteden aan de verbetering van den inwendigen toestand. Intusschen bevonden zich de geldzaken in eene hoogst treurige gesteldheid. Bij het overlijden van Joseph II bedroeg de staatsschuld 399 en in 1802 reeds 680 millioen gulden. Daar de gewone middelen om geld te bekomen, zelfs om geld te leenen, waren uitgeput, nam men er zijne toevlugt tot loterijleeningen, tot het munten van geld van geringe wezenlijke waarde en tot het uitgeven van papieren geld. De schuld nam daarbij verbazend toe, terwijl men op het papier geen voldoend vertrouwen stelde, en hierdoor begonnen handel en nijverheid te kwijnen. Dientengevolge nam Franz Wallis, minister van Financiën, een doortastenden maatregel. Hij verkondigde aan het volk op den 15den Maart 1811, dat er voor meer dan een milliard aan papieren geld in omloop was, hetwelk hij nu bragt op 1/5de der nominale waarde, terwijl hij, daar het onmogelijk was ook die som te verzilveren, de bankbriefjes verruilen zou tegen andere, die als eenig gangbaar papieren geld moesten worden aangemerkt. Wél beloofde de regéring, dat zij van dat nieuwe papier geen hooger bedrag zou uitgeven, dan voor de inwisseling van het oude noodig was, maar de krijgstoerustingen van 1812 en 1813 veroorzaakten groote kosten, zoodat een openlijk besluit genomen werd, om 45 millioen gulden uit te geven, welke men in plaats van belasting kon terugbetalen, terwijl die som in 3 jaren tijds heimelijk vertienvoudigd werd.

In 1812 was Oostenrijk de bondgenoot van Napoleon, en een Oostenrijksch korps van 30000 man onder Schwarzenberg vormde den regter vleugel van het groote leger. In 1813 bleef het in den beginne onzijdig, doch verklaarde na den wapenstilstand den oorlog weshalve Oostenrijk bij den Eersten Vrede van Parijs meer dan zijn voormalig grondgebied herkreeg, en wél eene uitbreiding tot 12150 geogr. mijl. Daarenboven verwierf Oostenrijk het voorzitterschap op den Duitschen Bondsdag. Nu ontstond er onder de leiding en het gezag van den rijkskanselier von Metternich eene groote reactie op staatkundig gebied, welke tot aan het jaar 1848 voortduurde. Metternich wilde juist niet tot voormalige toestanden terugkeeren, maar hij had evenzeer een afkeer van het nieuwe, en zocht het bestaande te handhaven. Met kracht werd gewaakt tegen alles, wat een verzet kon wezen of zelfs schijnen tegen de rigting der regéring. Elke uiting op het gebied van kunst, letterkunde en wetenschap werd angstvallig bespied en was aan eene gestrenge censuur onderworpen. Dichters en geschiedschrijvers durfden niet schrijven wat zij gevoelden en dachten; men zag in die treurige dagen talentvolle mannen aan de belangen van den dompergeest verbonden.

Op aandringen van Metternich had na het feest op den Wartburg en na het vermoorden van Kotzebue in 1819 het Congrès te Karlsbad plaats, waar de bekende „Karlsbader besluiten” werden genomen, die eene zorgvuldige bewaking der académische jongelingschap voorschreven. Metternich was oorzaak, dat de Congressen te Troppau (1820) en te Laibach (1821) belegd werden, waar men vaststelde, dat de te Napels ingevoerde constitutie moest worden vernietigd, ’t geen kort daarna door een Oostenrijksch leger geschiedde. Het was het werk van Metternich op het Congrès van Verona (1822), dat Frankrijk belast werd met de taak, om door zijne tusschenkomst in Spanje de reactie te dienen. Zoo zorgde hij, dat de Revolutie in elken vorm overal bestreden werd, en het was inderdaad een staatkundig meesterstuk van den kanselier, dat hij den Keizer van Rusland, hoe groot ook de Sympathie der Russen voor de Grieken mogt wezen, weêrhield van het bieden van bijstand aan laatstgenoemden in den bevrijdingsoorlog. De vijandige stemming van Metternich tegen Griekenland openbaarde zich reeds vóór den aanvang van dien oorlog in de uitlevering van Rhigas, den dichter der Grieksche vrijheidszangen, aan den Pasja van Belgrado, die den edelen Griek tusschen twee planken levend liet doorzagen, — alsmede in het gevangen houden van Alexander Ypsylanti te Munkacs.

Ook gelukte het hem, Pruissen te doen afzien van de toetreding tot het Londensche verdrag van 6 Juli 1827, waarbij Rusland, Engeland en Frankrijk op zich namen, een einde te maken aan de worsteling tusschen de Turken en Grieken. Zijne bemoeijingen echter, om den oorlog tusschen die Mogendheden en Turkije te voorkomen, werden verijdeld door den slag bij Navarino. — Geheel anders was zijne houding bij den Poolschen opstand van 1830 en 1831. Het belang van Oostenrijk scheen te vorderen, dat hij daaraan zijne anti-revolutionaire beginselen ten offer bragt, zoodat zelfs het Hof te Weenen in verdenking kwam, dat het de Polen begunstigde. Weldra echter hadden er gebeurtenissen plaats, die den kanselier terugvoerden tot den vroegeren weg, namelijk de krachtige volksbewegingen in Italië in Februarij 1831. Weldra trok een Oostenrijksch leger derwaarts en herstelde de rust, terwijl Metternich zich voorts beijverde, om op zamenkomsten van Vorsten of gevolmagtigden in 1833 en 1834 maatregelen voor te stellen ter beteugeling van de republikeinsche woelingen in Duitschland.

Frans I overleed den 2den Maart 1835 en werd opgevolgd door zijn zoon Ferdinand I, terwijl Metternich bij voortduring het beheer der zaken in handen hield. In 1866 werd de vrijstaat Krakau, waar eenige onlusten waren uitgebroken, aan de Oostenrijksche Monarchie toegevoegd.

Intusschen werd meer en meer verzet aangeteekend tegen den dompergeest, die in Oostenrijk heerschte. Dat geschiedde vooral op het gebied der letteren; begaafde, vrijzinnige mannen deden hunne geschriften buiten de grenzen des lands drukken, maar zij werden binnen de grenzen gelezen, en vooral de „Spaziergänge eines Wiener Poeten” van Anastasius Grün maakten grooten opgang. In Hongarije streefden de Magyaren, het Weener despotismus moede, naar onafhankelijkheid , en in Bohemen verklaarden de Standen zich tegen de censuur en tegen het willekeurig opleggen van belastingen, terwijl zij hun aloud regt erkend wilden zien, om bij het uitsterven van het Vorstenhuis een Koning te kiezen. Op den Neder-Oostenrijkschen Landdag verlangde inzonderheid graaf Brenner invloed van afgevaardigden uit den burgerstand op het uitschrijven van belastingen, afschaffing der leenheerlijke voorregten en hervorming van het onderwijs. Het woelige jaar 1848 vond dus ook Oostenrijk voldoende voorbereid. De eerste aanval op het stelsel van Metternich geschiedde op den Hongaarschen Rijksdag, waar Kossuth den 3den Maart 1848 eene redevoering hield, welke als de kiem van den opstand in Hongarije en in Weenen mag worden beschouwd. Hij stelde daarin voor, een adrés tot den Keizer te rigten, waarin men constitutionele instellingen verlangde voor alle landen der Monarchie. Den 11den Maart beraadslaagden de Tzechen te Praag over eene hervorming van den staatkundigen toestand in Bohemen, en te Weenen verhief zich een storm van adressen, en onder deze was één van de studerende jongelingschap, waarin vrijheid van drukpers, van spreken, van onderwijs, van leeren en van geloof, benevens eene algemeene volksvertegenwoordiging werd gevraagd.

Zoo verscheen de 13de Maart, voor de opening der Standen vastgesteld, zonder dat door de regéring nog iets gedaan was, om de gemoederen te bevredigen. Op het plein vóór het gebouw der Standen stroomde eene ontzettende menigte bijeen, en de arts Fischhof trad er als spreker op, om het volk op te winden. Anderen volgden dat voorbeeld; de redevoering van Kossuth werd voorgelezen en de geestdrift zoo groot, dat het volk met den kreet: „Leve de constitutie!” in het gebouw der Standen doordrong en de meubels vernielde en naar het hoofd der soldaten wierp, wat door deze, vermoedelijk op bevel van den aartshertog Albrecht, met een dubbel salvo beantwoord werd. Daar de troepen vervolgens aftrokken, had deze botsing, waarbij omstreeks 30 personen gevallen waren, geen ander gevolg, dan dat de opstand zich met kracht uitbreidde, daar nu ook de gezetene burgers er aan deel namen. Toezeggingen van de zijde van Metternich kwamen te laat; hij moest zijne betrekking neêrleggen en zich naar Engeland begeven. Een hervormingsgezind Kabinet trad op met graaf Kolowrat aan het hoofd; doch nu erlangde het volk, dat zoolang in staatkundige onmondigheid had verkeerd, vrijheden en regten, welke het niet wist te gebruiken, en eene algemeene volkswapening was weinig geschikt om de veiligheid te verhoogen; zelfs vreemde gelukzoekers en landloopers bekwamen wapens uit het tuighuis en de vrijheid van drukpers werd misbruikt door allerlei schandbladen, die logen en laster verbreidden. Wél leverde de regéring het ontwerp eener constitutie, op de leest der Belgische geschoeid, doch men was daarmede op verre na niet te vreden. Het ministérie deed eene poging om het centraal comité te ontbinden, maar stuitte op een geweldigen tegenstand, zoodat de staat van zaken bij den dag. verergerde.

Toen het den 15den Mei vergaderd was, stroomde het volk derwaarts en noodzaakte het, zijn besluit tot die ontbinding terug te nemen, de geoctroijeerde constitutie van 26 April te schorsen en eene constituérende vergadering bijeen te roepen. De Keizer nam de wijk naar Innsbrück, en het ministérie, niet alleen het voortbestaan van het studentenlegioen, maar ook van eene commissie uit de burgers enz., bestaande uit 200 leden onder voorzitterschap van dr. Fischhof, goedkeurend, deed hierdoor afstand van alle gezag. Toen kort daarna aartshertog Johann te Weenen kwam, om den rijksdag te openen, zag hij zich genoodzaakt, het ministérie aan genoemde commissie ten offer te brengen. Daarop vertrok hij naar Frankfort aan de Main om de betrekking van rijksbestuurder te aanvaarden, en opende den 22sten Julij den Rijksdag, die eene constitutie voor de Duitsch-Slawische landen zou ontwerpen.

Tot zijne medeleden behoorden 92 boeren, die een blinden haat koesterden tegen de groote grondbezitters. Het meerendeel der afgevaardigden was onbekend met de Duitsche taal, en de voorzitter — de advocaat Schmitt — muntte niet uit door groote gaven. De verschillende nationaliteiten vormden er even zoo vele partijen. In een adrés verlangde men den terugkeer des Keizers. Aan dien wensch werd gehoor gegeven, en nu namen de beraadslagingen een aanvang over het opheffen van de middeneeuwsche lasten, en de hierop betrekkelijke wet werd den 9den September door den Keizer bekrachtigd.

Gedurende deze beraadslagingen was Weenen het tooneel eener rustelooze volksbeweging. Handel en nijverheid stonden grootendeels stil, en de lagere volksklassen, daardoor beroofd van werk, werden allengs woeliger. Niet minder hagchelijk voor den Keizer was de toestand in Hongarije, en Jellasjisj, banus van Croatië, gesteund door het Hof te Weenen, aanvaardde den strijd tegen de Magyaren. Toen de verstandhouding van den Banus met de regéring bekend werd, legde aartshertog Stefanus de betrekking van paladijn van Hongarije neder, doch toen graaf Lamberg, in zijne plaats derwaarts gezonden, bij zijne aankomst te Pesth den 28sten September door het graauw vermoord werd, was een vredebreuk tusschen Oostenrijk en Hongarije onvermijdelijk. De minister van Oorlog gaf bevel, dat de Oostenrijksche troepen zouden oprukken, en toen de bevolking van Weenen dit poogde te verhinderen, ontstond er eene botsing, waarbij een generaal en verscheidene officieren en soldaten sneuvelden, terwijl de opstandelingen de overhand behielden. Hierdoor kwam de geheele stad in beweging; er werden barrikaden opgeworpen en het gelui der klokken vermengde zich met den donder van het geschut. Inmiddels waren de ministers bij hun ambtgenoot van Oorlog (Latour) vergaderd. De menigte omringde zijn huis en eischte de schorsing van den strijd.

Deze werd toegestaan, maar hiermede was het graauw niet tevreden; het drong zijne woning binnen, vond hem verscholen op de vierde verdieping, doodde hem met spiezen, staven en hamers en hing het lijk op aan een lantaarnpaal. Een aanval op het tuighuis voorzag het razende volk van wapens, en weldra had het de geheele stad in zijne magt. Deze vreeselijke gebeurtenissen maakten op den Keizer, die zich te Schönbrünn bevond, zulk een diepen indruk, dat hij den volgenden dag de wijk nam naar Olmütz, nadat hij vorst Windischgrätz, die eenige maanden te voren den opstand te Praag gedempt had, tot opperbevelhebber van alle Keizerlijke troepen, met uitzondering van de Italiaansche (onder Radetzky), had benoemd. Terwijl deze uit Praag naar Weenen trok, naderde Jellasjisj uit het oosten en vereenigde zich met graaf Auersperg. Vorst Windischgrätz, tot veldmaarschalk benoemd, nam alle maatregelen om Weenen te omsingelen, en vaardigde toen, doch te vergeefs, in krachtige woorden eene proclamatie uit, waarin hij de burgers aan hun pligt herinnerde en tot onderwerping aanspoorde. De wapens moesten nu beslissen. Het ontbrak te Weenen niet aan soldaten, maar aan eensgezindheid en krijgsbeleid. De dichter Messenhauser, tot opperbevelhebber benoemd, was ongeschikt voor zijne betrekking, maar tevens verstandig genoeg om het bestuur der zaken over te laten aan den Poolschen generaal Bem, wiens krijgskundige bekwaamheid zich later in Siebenbürgen in een glansrijk licht vertoonde.

Ook Blum en Fröbel, leden van het Parlement te Frankfort, waren verschenen, en vooral de eerste spoorde de inwoners van Weenen ijverig aan, om in hun tegenstand te volharden. Den 23sten October nam de strijd een aanvang en duurde tot den 29sten. Toen echter de buitenwerken en voorsteden ingenomen waren en de opstandelingen gebrek hadden aan levensmiddelen en munitie, moest de gemeenteraad het besluit nemen om zich volgens het verlangen van Windischgrätz op genade en ongenade over te geven. Reeds hadden de ingezetenen gedeeltelijk de wapens afgeleverd, toen het gerucht zich verspreidde, dat de Hongaren aanrukten tot ontzet. Dit gaf moed, zoodat ze weder naar de wapens grepen en de kanonnen op de wallen plaatsten. Intusschen werden zij bedrogen in hunne verwachting, daar Jellasjisj aan de Hongaren eene nederlaag toebragt en hen noodzaakte, ijlings naar Preszburg terug te trekken.

Met verdubbelde woede werd nu de stad door de soldaten van Windischgrätz bestormd en ingenomen, zoodat laatstgenoemde en Jellasjisj er den 2den November binnentrokken. Deze verklaarden haar in staat van beleg, stelden militaire regtbanken in en deden velen in hechtenis nemen. De hoofdleiders van dien opstand, onder welke zich Messenhauser en Mum bevonden, werden ter dood gebragt en het moeijelijke werk van de herstelling der Monarchie nam een aanvang, doordien de reactionaire prins Felix Schwarzenberg optrad aan het hoofd van een nieuw Kabinet. Weinige dagen daarna (2 December) legde keizer Ferdinand de kroon neder, en daar zijn broeder Frans Karel weinig gezindheid betoonde om haar over te nemen, werd diens achttienjarige zoon Frans Joseph daarmede versierd. De zegepraal der Oostenrijksche wapenen in Hongarije bragt voorts den Keizer op aandringen van Schwarzenberg tot een staatsstreek: hij ontbond den 7den Maart 1849 den Rijksdag van Kremsier en verleende eene grondwet, door welke alle landen der Oostenrijksche Monarchie, met uitzondering van de Italiaansche, tot één geheel werden vereenigd. Daarmede verlangde Oostenrijk lid te worden van den Duitschen Bond, hetgeen op het Parlement te Frankfort zulk een diepen indruk maakte, dat men er aanstonds besloot de Rijksgrondwet aan te nemen en de Duitsche Keizerskroon op te dragen aan den Koning van Pruissen.

Hongarije, van ouds naijverig op zijne zelfstandigheid, wilde zich aan de geoctroijeerde Oostenrijksche constitutie niet zonder strijd onderwerpen. Deze was aanvankelijk rampspoedig voor de Hongaren, daar Windischgrätz weldra Budapesth in bezit nam. Weldra echter ontstond er een ommekeer van zaken: de Oostenrijkers werden tot Preszburg teruggedrongen, en reeds den 14den April 1849 verklaarde de Hongaarsche Rijksdag Hongarije en Siebenbürgen een zelfstandigen, onafhankelijken Staat, ontnam de heerschappij aan het Huis Habsburg en benoemde Kossuth tot president. Doch niet lang daarna trokken Russische legerbenden in Siebenbürgen en Hongarije, om de Oostenrijkers onder Jellasjisj en Haynau te versterken; zij hernamen Ofen en behaalden de overwinning bij Temesvar. Kossuth stond zijn dictatorschap af aan Görgei en begaf zich eerst naar Turkije en toen naar Engeland.

Görgei evenwel legde reeds den 30sten Augustus met 30000 man en 120 kanonnen te Világos bij Arad de wapens neder voor den Russischen generaal Rüdiger. Alleen de vesting Komorn werd nog tot den 27sten September door Klapka verdedigd. De aanvoerders van den opstand traden gedeeltelijk in Turksche krijgsdienst, namen gedeeltelijk de vlugt naar Engeland, en werden gedeeltelijk opgehangen of doodgeschoten. De onder den grond bedolvene Hongaarsche rijkskleinoodiën werden in 1853 teruggevonden.

Tegelijk met de onderwerping van Hongarije werd ook de rust in Italië hersteld, waarna de toestand, waarin Oostenrijk zich vóór het jaar 1848 bevond, nagenoeg was teruggekeerd. Den 14den April 1851 werd een door den Keizer benoemde Rijksraad in de plaats gesteld der volksvertegenwoordiging, en nog in hetzelfde jaar zoowel de ministeriéle verantwoordelijkheid als de constitutie van Maart opgeheven. Schwarzenberg overleed in April 1852, maar zijne ambtgenooten bleven werkzaam in denzelfden geest. Het wetboek van strafregt en van burgerlijk regt, de organisatie der regterlijke magt enz. werden door Keizerlijke besluiten gewijzigd, en van die van den Rijksdag bleef alleen dat omtrent de vermindering van de lasten der boeren ongedeerd. Treurig was voorts de toestand der schatkist en verregaand de invloed der geestelijkheid, inzonderheid na het concordaat van 18 Augustus 1855.

Intusschen verkreeg Oostenrijk, gesteund door Rusland, eene groote magt tegenover het buitenland, — ja, het scheen in staat te zijn om geheel Duitschland te overvleugelen. Reeds in den Krim-oorlog echter zag Oostenrijk zich gedwongen, de zijde van Rusland te verlaten. Het verkreeg daardoor niet eens het bondgenootschap der Westersche Mogendheden, en het bezetten der Donau-vorstendommen verslond eene vrijwillige leening van 611 millioen gulden. Door zijne houding bij den twist omtrent Neufchâtel verloor Oostenrijk tevens de toegenegenheid van Pruissen, zoodat Sardinië zich opgewekt gevoelde, om gewapenderhand voor de bevrijding van Italië op te treden.

In den Italiaanschen Oorlog van 1859 kwamen de gebreken van den Oostenrijkschen Staat duidelijk aan het licht; de onbekwaamheid der aanvoerders en het bedrog der leveranciers maakten de dapperheid der soldaten te schande, en bij den Vrede 'van Villa Franea (11 Juli 1859) moest Oostenrijk Lombardije afstaan. Dit verzwakte het aanzien van den Staat en wekte vooral de Hongaren op, ontevreden als zij waren over de jongste regeling hunner kerkelijke zaken, om naar het herkrijgen van hunne voormalige regten te streven. Het bevredigde hen niet, dat de Keizer den Rijksraad uitbreidde. De veldtuigmeester Benedek, een Hongaar van geboorte, werd voorloopig gouverneur van Hongarije en kommandant der aldaar aanwezige troepen. Toen echter de Rijksraad bijeenkwam, verklaarden de Hongaren, met de graven Andrássy en Apponyi aan het hoofd, dat zij die vergadering slechts in zoover van gewigt rekenden, als zij dienen kon om hunne wettige wenschen te bevredigen. Inmiddels ging Oostenrijk diep gebogen onder den last zijner staatsschuld, die in 1859 geklommen was tot 2 milliard 351 millioen gulden, terwijl de begrooting van 1861 sloot met een te kort van 40 millioen gulden.

Die bezwaren stemden de regéring tot toegevendheid, en een besluit van Frans Joseph van 20 October 1860 bevatte de grondslagen eener nieuwe Constitutie, waarin zoowel gezorgd was voor de eenheid des Rijks als voor het zelfbestuur der afzonderlijke Kroonlanden. De Hongaren herkregen hunne voormalige grondwet en de overige Kroonlanden afzonderlijke Landdagen voor hunne belangen, terwijl de gemeenschappelijke aangelegenheden in een door den Keizer benoemden Rijksraad zouden behandeld worden. De ministériën van Binnenlandsche Zaken, van Justitie en van Eeredienst werden opgeheven, de Hongaarsche en Siebenbürgsche Hof kanselarij hersteld, en de leiding der staatkundig-administratieve zaken aan een staatsminister toevertrouwd. Goluchowski, tot deze betrekking benoemd, werd eerlang vervangen door den vrijzinnigen von Schmerling. Deze bragt openbaarheid in de beraadslagingen van de Landdagen en van den Rijksraad, bezorgde aan eerstgenoemden het initiatief en stelde vast, dat het aantal leden van den Rijksraad door regtstreeksche keuzen van den Landdag zou vermeerderd worden.

Bovengemeld Keizerlijk besluit werd voorts ten uitvoer gelegd door de afkondiging eener Constitutie voor den geheelen Staat en van lands-instellingen voor ieder Kroonland, met uitzondering van Hongarije en Venetië. De vertegenwoordiging van den geheelen Staat zou bestaan uit een Huis der Heeren en een Huis van Afgevaardigden; de leden van het eerste zouden door den Keizer benoemd, die van het tweede — ten getale van 343 — regtstreeks gekozen worden. Voorts werd de Rijksraad door een Staatsraad vervangen. In den Hongaarschen Rijksdag bevonden zich 2 partijen, eene gematigde onder de leiding van Frans Déak en eene ultra-Magyaarsche onder die van Wladislaus Téléki, van welke de eerste de overhand behield. Nu wilde echter de Oostenrijksche regéring van geene verdere toegevendheid weten, en toen de oppositie van Hongarije aanhield, werd de Hongaarsche Landdag ontbonden en graaf Palffy met uitgebreide volmagt naar Hongarije gezonden, terwijl er tevens militaire regtbanken werden ingesteld. Uit de andere Kroonlanden ontving de regéring blijken van erkentelijkheid, en in de zitting van den Rijksraad, welke tot den 18den December 1862 duurde, opende de regéring het uitzigt op het indienen eener wet op de ministeriéle verantwoordelijkheid.

De buitenlandsche staatkunde van Oostenrijk, zooals in den Deenschen Oorlog, die nog grooter verwarring bragt in de geldzaken, en in de vijandelijkheden tegen Italië, waardoor de Paus werd aangespoord om naar herstelling van zijn wereldlijk gezag te streven, maakte een treurigen indruk op de Vertegenwoordigers, en toen de Rijksraad in 1864 weder bijeenkwam, toonde deze zich minder inschikkelijk dan te voren. In Junij 1865 bragt Frans Joseph een bezoek aan Pesth, en schoon hij op eene schitterende wijze ontvangen werd, deed hij aan de Hofkanselarij van Hongarije en Siebenbürgen (Zichy en Nadasdy) hun ontslag toekomen. Dientengevolge nam ook een gedeelte van het ministérie zijn afscheid, waarna het kabinet-Belcredi gevormd werd. De jongste constitutie werd ingetrokken, doch schoon de Keizer in persoon den Hongaarschen Landdag opende, kon men niet tot een vergelijk komen. De regéring verlangde namelijk, dat de Hongaarsche wet van 1848 vóór hare invoering zou worden herzien, terwijl de Hongaren de herziening op de invoering wilden doen volgen. Toen barstte de oorlog met Pruissen uit, die wel is waar, wanneer men het verlies van Venetië niet in rekening brengt, zonder verlies van grondgebied ten einde liep, maar toch Oostenrijk uit Duitschland verdrong. Nu trad de vrijheer von Beust op als minister van Buitenlandsche Zaken, en deze volgde een geheel ander programma, namelijk de ontbinding der Monarchie in 5 onafhankelijke koningrijken, die slechts vereenigd zouden wezen door den persoon des Keizers. Deze laatste benoemde voorts een Hongaarsch ministérie, door Julius Andrássy voorgedragen, en den 8sten Junij werd de Keizer als Koning van Hongarije gekroond.

Ook voor de Cis-Leithaansche landen werd nu een ministérie benoemd. Schoon de vrijheer von Beust verklaarde, dat hij als Protestant zich liefst zoo weinig mogelijk met het concordaat wilde bemoeijen, kwam men van verschillende zijden tegen dit laatste in verzet, en toen professor Herbst 3 wetsontwerpen voordroeg, namelijk tot invoering van het burgerlijk huwelijk, tot vrijmaking der school van de Kerk en tot regeling van de onderlinge verhouding der kerkgenootschappen, vond hij grooten bijval. Deze vermeerderde, toen 25 bisschoppen een adres aan den Keizer inleverden, waarin zij verklaarden, dat zulke aanvallen niet tegen het concordaat, maar tegen het Christendom gerigt waren. De wetsontwerpen werden aangenomen, en weldra trad zelfs uit de bekwaamste leden van het Huis van Afgevaardigden een verantwoordelijk ministérie op, terwijl voor de gemeenschappelijke aangelegenheden van de beide deelen der Monarchie een ministérie van 3 leden benoemd werd. Onder het nieuwe Cis-Leithaansche ministérie werden de kerkelijke wetsontwerpen tot wetten verheven, en de hoofdstad gaf blijken van hare tevredenheid door eene schitterende illuminatie, terwijl de Paus in eene allocutie tot de bisschoppen die wetten met het doemvonnis trof.

Nog scherper was de taal van kardinaal Rauscher en andere hooge geestelijken, doch deze wekten daardoor zulk eene verbittering, dat er stemmen opgingen tot aanbeveling der stichting eener nationale Kerk. Niet minder moeijelijk was de oplossing der geldkwestie. In December 1867 bedroeg de staatsschuld 3025 millioen gulden, zoodat de indirecte belastingen door de rente werden verslonden. Daarenboven waren de directe belastingen noodig voor het departement van Oorlog. De beraadslagingen eindigden met het besluit, om bijna alle leeningen in eene eenvoudige schuld om te zetten en de rente met 16% te belasten.

Bij het openen der Landdagen in de Cis-Leithaansche landen in Augustus 1868 werd de nieuwe constitutie heftig aangevallen, omdat ieder kroonland de meest mogelijke autonomie verlangde, doch in den Rijksraad werd de militiewet, tot verhooging van de weerbaarheid des lands, tot een goed einde gebragt. Het verzet der bisschoppen tegen de kerkelijke wetten veroorzaakte nog menigen storm, en de wensch naar opheffing van het concordaat deed zich meer en meer hooren, vooral toen men ontdekte, dat de non Barbara Ubryk in een Carmelieter Klooster te Krakau op last der abdis gedurende 4 jaren in den ellendigsten toestand was gevangen gehouden. Toen voorts in 1870 het dogma der onfeilbaarheid werd afgekondigd, vereenigde zich de Keizer met het gevoelen, dat men nu met eene andere persoonlijkheid te doen had dan de voorgaande contractant, weshalve men het concordaat als opgeheven kon beschouwen. Inmiddels hadden er weder veranderingen plaats in het Cis-Leithaansche Kabinet, en toen dit het voorstel deed, dat er regtstreeksche keuzen voor den Rijksraad zouden plaats hebben, wanneer een Landdag verzuimde de vereischte leden te benoemen, legden de Poolsche Afgevaardigden, alsmede die van Görz, Istrië, Triest enz. hun mandaat neder, zoodat het Huis naauwelijks talrijk genoeg was om een besluit te kunnen nemen. De ministers verlangden daarop de ontbinding der Landdagen, wier leden den Rijksraad verlaten hadden, en toen de Keizer hierop een weigerend antwoord gaf, legden zij hunne portefeuilles neder. Niettemin werden kort daarna al de Landdagen ontbonden, en toen zij, na de nieuwe verkiezingen, weder vergaderden, gaven zij in adressen aan den Keizer te kennen, dat zij de bestaande constitutie wenschten gehandhaafd te zien, waarop het kort te voren gevormde ministérie Potocki al weder aftrad. Men stond aanzienlijke sommen toe, om het leger in een uitmuntenden staat te brengen en zoo mogelijk wraak voor Sadowa te nemen, en eerst na de capitulatie van Sédan liet men de vergeldingsplannen varen.

Intusschen waren de gevoelens bij het volk met betrekking tot den Fransch-Duitschen Oorlog zeer verdeeld; sommigen helden over tot de zijde der Franschen, anderen tot die der Pruissen, en nog anderen wenschten de gestrengste onzijdigheid gehandhaafd te zien. In den aanvang van 1871 werd de ultramontaansche graaf Hohenwart tot minister van Binnenlandsche Zaken benoemd. Hij en zijne ambtgenooten wilden de provinciale Landdagen opheffen en den Rijksraad beperken. Toen men zich nu met adressen in tegenovergestelden zin tot den Keizer wendde, schaarde deze zich aan de zijde van den minister. Nu vormde de constitutionéle partij het plan om de begrooting te verwerpen, doch miste haar doel, zoodat Hohenwart voortschreed op den ingeslagen weg. Het Huis van Afgevaardigden van den Rijksdag en de constitutioneelgezinde Landdagen werden ontbonden, waarna de ministeriéle partij de overwinning behaalde.

Niettemin werd het ministérie op de Landdagen met hevigheid aangevallen, zoodat deze laatsten gesloten werden. Ook nu koos de Keizer de zijde der ministers, en wie weet, hoever de reactie was voortgezet, zoo niet von Beust in eene memorie den Keizer het gevaarlijke van zijn toestand had doen gevoelen. Daarop werd Andrássy naar Weenen geroepen, en het ministérie Hohenwart nam den 26sten October zijn ontslag. Tot algemeene verwondering legde ook von Beust kort daarna zijne betrekking neder en werd den 14den November opgevolgd door Andrássy, die zijne betrekking vervuld zag door den Hongaar Lonyay. De vorming van een Cis-Leithaansch ministérie werd opgedragen aan Adolf Auersperg. Het ontbond de onwettige Landdagen; de nieuwe keuzen vielen uit ten gunste der constituérende partij en de Rijksraad, daarop bijeengekomen, was talrijk genoeg om besluiten te nemen, hoewel de meeste Foederalisten afwezig bleven.

De zaken in Galicië wilden echter in 1872 nog niet vlotten, omdat de Polen een onbeperkt zelfbestuur verlangden. Ook in kerkelijke aangelegenheden bleef de reactie aanhouden, daar de minister van Eeredienst de handelingen der Oud-Katholieken onwettig verklaarde en zich daardoor het ongenoegen op den hals haalde van de liberale drukpers. In Hongarije kwam evenmin een einde aan de staatkundige beweging; hoewel er de gematigde partij van Déak bij de verkiezingen de overhand behield, moest de minister Lonyay wegens zware beschuldigingen aftreden en werd opgevolgd door den bekwamen minister van Koophandel Szlavy. Door den Boheemschen Landdag werden 40 constitutionéle afgevaardigden naar den Rijksraad gezonden, en eene nieuwe kieswet werd in April 1873 door den Keizer bekrachtigd. Volgens deze bedroeg het aantal leden van den Rijksraad 353, uit 4 groepen van kiesbevoegden (grondbezitters, landelijke gemeenten, steden en kamers van Koophandel) gekozen. Het Galicische vraagstuk bleef voor’shands onopgelost.

De minister van Eeredienst in Oostenrijk, Stremayr, spaarde geene moeite om de school weder onder de heerschappij der Kerk te brengen en beantwoordde het verzet tegen die bedoeling met harde maatregelen. Hierdoor werd de overmoed der geestelijkheid geprikkeld. Het Huis van Afgevaardigden van den Rijksraad werd wederom ontbonden, en het bleek na de nieuwe verkiezingen, dat de groote meerderheid tot de constitutionéle partij behoorde. De leider der oppositie (de minderheid) was graaf Hohenwart. Tot voorzitter van het Huis der Heeren werd prins Carlos Auersperg benoemd, terwijl het Huis van Afgevaardigden dr. Rechbauer tot zijn voorzitter koos. Op de troonrede, waarin de Keizerregeling der verhouding tusschen Kerk en Staat toezegde, gaven de beide ligchamen ten antwoord, dat zij volkomene geloofs- en gewetensvrijheid verlangden. Op de verschillende Landdagen werd voorts heftig gestreden.

Te midden van die parlementaire worstelingen ontstond de groote geldcrisis, die honderde banken vernietigde, terwijl op den 1sten Mei 1873 de wereldtentoonstelling te Weenen door den Keizer geopend werd. De financiéle ongelegenheid had een nadeeligen invloed op de drukte van het bezoek. Toch verschenen er de meeste Vorsten van Europa zelfs de Keizer van Rusland en de Koning van Italië. In 1874 werden voorts, in weerwil van den onvermoeiden tegenstand der bisschoppen, de nieuwe kerkelijke wetten aangenomen. Daar zij echter veel te zacht werden toegepast en op verre na niet alle misbruiken verhinderden, eischte de vrijzinnige partij bescherming van de lagere geestelijken tegen hunne overheden, regeling van den toestand der Oud-Katholieken, herziening van de wet op het huwelijk enz.

In het jaar 1875 hield Franz Joseph, door Andrássy vergezeld, te Venetië eene vriendschappelijke zamenkomst met Victor Emanuël. In het Huis van Afgevaardigden van den Rijksdag werd een wetsontwerp tot regeling van den toestand der Oud-Katholieken aangenomen, maar door het Huis der Heeren verworpen. In den Hongaarschen Rijksdag ontstond door den invloed van Koloman Tisza eene belangrijke verandering, zoodat deze minister werd en bij de nieuwe verkiezingen eene aanzienlijke meerderheid verkreeg. In den aanvang van 1876 overleed er de uitstekende, vaderlandslievende staatsman Déak. Bij voortduring stelde Hongarije bij de regeling van de betrekking des lands met Oostenrijk hooge eischen, zoodat zelfs Kossuth zijne liberale landgenooten tegen overdrijving waarschuwde. Eindelijk kwamen in 1877 de beide ministériën — het Cis-Leithaansche en het Hongaarsche — tot onderhandelingen omtrent een vergelijk, en de uitkomsten daarvan werden aan de Vertegenwoordigers der beide deelen voorgelegd.

De regeling der kerkelijke zaken kwam echter nog niet tot een gewenscht einde. In den oorlog tusschen Rusland en Turkijë bewaarde Oostenrijk tot nu toe eene naauwgezette onzijdigheid; terwijl zich bij de Slawische bevolking eene natuurlijke sympathie voor Rusland openbaarde, schaarden zich de Hongaren — inzonderheid de studenten te Pesth — aan de zijde der Turken. In elk geval veroorzaakt er die strijd eene groote spanning, die wegens kostbare krijgstoerustingen en de onzekere toekomst een noodlottigen invloed oefenen op de welvaart der ingezetenen en op den toestand der schatkist. Eene ministeriële crisis, die wegens het mislukken van bovengemeld vergelijk in den aanvang van 1878 Oostenrijk bedreigde, daar von Auersperg zijne portefeuille ter beschikking des Keizers stelde, bleef voorts zonder gevolg, daar de reorganisatie van het Cis-Leithaansche Kabinet aan genoemden staatsman werd opgedragen. Eindelijk is in Februarij 1878 voorgesteld, dat het Congrès ter bepaling van de vredesvoorwaarden van Rusland en Turkije in de hoofdstad van Oostenrijk zou worden gehouden, — ’t geen echter geen bijval schijnt te vinden bp het Russisch Kabinet.

Laatst bijgewerkt 10-08-2018