Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 19-03-2018

Bordes

betekenis & definitie

Bordes (Tobie Constantijn de), een uit­stekend Nederlandsch regtsgeleerde, werd ge­boren te Amsterdam uit een aanzienlijk ge­slacht den 13den December 1773. Na het bezoeken van het gymnasium en van de doorluchtige school zijner geboortestad werd hij — een jongeling van groote gaven — in 1795 tot meester in de regten bevorderd en bekleedde achtereenvolgens de betrekkingen van secretaris van het Comité van Justitie (1795), secretaris bij het Agentschap van Fi­nanciën (1798), secretaris van den thesaurier-generaal en raden van Financiën (1802), advocaat-fiscaal-generaal voor de middelen (1805), advocaat bij het Hoog-geregtshof te ’s Hage (1811), eersten advocaat-generaal bij genoemd geregtshof (1813), en procureur-generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden.

Voorts werd hij in 1831 gekozen tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, in 1817 benoemd tot ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, in 1843 tot commandeur dier orde, en in 1829 tot lid der Maatschappij van Nederlandsche letterkunde te Leiden. Hij overleed den 3den October 1843.

Tot hetzelfde geslacht behoort Jan Philip de Bordes, een verdienstelijk Nederlandsch inge­nieur. Geboren te Amsterdam den 17de Junij 1817, ontving hij zijne eerste opleiding aan de school van den heer Stuart te Vianen, vertrok van daar naar de Militaire Academie en werd in 1837 als officier geplaatst bij het corps inge­nieurs. Niet alleen schreef hij degelijke opstel­len in tijdschriften, maar gaf ook met J. W. van Sypestein een werk in het licht, getiteld “De verdediging van Nederland in 1672”, hetwelk door deskundigen met grooten bijval is be­groet. Nadat de Bordes in de Commissie van toezigt op den aanleg der Staatsspoorwegen was benoemd, werd hem van wege de Maat­schappij der Indische spoorwegen de vereerende taak opgedragen, om als chef van het toezigt op den spoorwegbouw op Java werk­zaam te wezen, en het is gebleken, dat de Maatschappij zich in hare keuze niet had ver­gist. Het is aan de Bordes gelukt, aldaar door vrije arbeiders de moeijelijkste werkzaamheden te doen volbrengen en den aanleg van ijzeren wegen met kracht te bevorderen. In het jaar 1870 is de Bordes in het Vaderland terug­gekeerd.