Arno betekenis & definitie

Arno (De), na de Tiber de belangrijkste rivier van Midden-Italië, ontspringt ter hoogte van 1450 Ned. el op den Falterona, een aanzienlijk gebergte, dat een zijtak vormt van de Apennijnen. Zij vertoont zich aanvankelijk als een woesten bergstroom en vormt daarna het vruchtbare dal Casentino.

Nadat zij door de heuvels is heengebroken, die de Sub-Apennijnen met de hoofdketen verbinden, wendt zij zich westwaarts en kronkelt door de bebouwde vlakte van Arezzo, waar zij de wateren opneemt der Chiana, welke haar met de Tiber verbindt. Daarna vloeit zij eerst noordwestwaarts en dan noordwaarts door het breede en vruchtbare dal der Arno, keert zich bij het vlek Pontassieve, waar zij de Sieve ontvangt, plotselijk naar het westen en stroomt in deze rigting voort tot aan haren mond. Tusschen Pontassieve en Florence is zij door bebouwde en boschrijke heuvels gezoomd. Bij de stad Empoli komt zij in eene breede vlakte, neemt er de Elsa, en bij Pontedera de Edera op en vloeit door de stad Pisa. Voorheen lag haar mond digt bij de muren dezer stad, — thans is zij er ongeveer 1 uur gaans van verwijderd.

De Arno is bijna nergens bevaarbaar. Zij heeft eene lengte van 33 1/2, geogr. mijl. Om de zandbanken van haren mond te vermijden, heeft men in 1608 door moerassen heen een kanaal van Pisa naar Livorno gegraven. De Italiaansche dichters gewagen van de “gouden Arno,” doch hare wateren hebben meerendeels eene vuile koffijkleur, en op het natuurschoon harer oevers valt niet veel te roemen.

Gepubliceerd op 11-01-2018