Argenson betekenis & definitie

Van de personen, die dezen geslachtsnaam gedragen hebben, vermelden wij:

Marc René, marquis d'Argenson, een Fransch staatsman, die in 1652 te Venetië geboren werd. In 1709 werd hij staatsraad, in 1718 grootzegelbewaarder van Frankrijk, voorzitter van den Financiélen Raad en lid der Academie, en in 1720 minister. Hij was een tegenstander van de geldelijke operatiën van Law (zie onder dezen naam) en legde reeds in 1721 zijne betrekking neder. In datzelfde jaar overleed hij. Moed, standvastigheid en werkzaamheid kan men hem niet ontzeggen, maar hij was wegens zijne hardvochtigheid gehaat bij het volk.

RénéLouis, marquis d'Argenson, den zoon van den voorgaande. Hij werd geboren in 1694 en was van 1720 tot 1724 intendant in Henegouwen. Daarna werd hij benoemd tot staatsraad en in 1741 tot minister van Buitenlandsche zaken. In deze betrekking onderhandelde hij met Piémont over het plan, om de Italiaansche Staten tot een bond te vereenigen. Dit was in strijd met den wensch der Spaansche Bourbons, zoodat hij door den invloed van deze in 1747 zijne portefeuille verloor. Na dien tijd wijdde hij zijne dagen aan wetenschappelijke studiën. Uit zijne nalatenschap zijn in het licht verschenen “Considérations sur le gouvernement ancien et présent de la France (Amsterdam, 1764),— voorts “Loisirs d’ un ministre” met belangrijke berigten omtrent merkwaardige tijdgenooten, en met vele anecdoten.

Marc Pierre, comte d'Argenson, een broeder van den voorgaande. Hij werd geboren te Parijs den 16den Augustus 1696. In 1740 werd hij intendant van Parijs en in 1742 minister van oorlog in de plaats van Breteuil. Hij poogde het leger, dat zich in een verwaarloosden toestand bevond, weder op goeden voet te brengen, voerde oorlog met Nederland en haalde den laauwen Lodewijk XV over, om zelf zich naar het tooneel van den strijd te begeven. Na den Vrede van Aken legde hij zich ijverig toe op de verbetering der militaire scholen en toonde zich tevens een voorstander der wetenschappen. In zijn tijd werd door d'Alembert en Diderot een aanvang gemaakt met de beroemde “Encyclopédie,” en aan zijn vriend Voltaire verschafte hij de bouwstoffen voor diens “Siècle de Louis XIV." Door den invloed van de markiezin de Pompadour verloor hij in 1757 zijne betrekking. Hij werd naar zijn landgoed Ormes in ballingschap gezonden. Na den dood zijner magtige vijandin keerde hij terug naar Parijs, waar hij in 1764 overleed.

Marc Antoine Bené, marquis d'Argenson een neef van den voorgaande. Hij werd in 1722 te Valenciennes geboren. Eerst was hij gouverneur van het Arsenaal en daarna ambassadeur te Venetië en te Warschau. Later gaf hij de voorkeur aan het ambteloos leven en wijdde zich als lid der Fransche Academie en der Académie des inscriptions, alsmede der Academiën te Berlijn en te Nancy uitsluitend aan de beoefening der wetenschappen. Hij maakte een plan van uitgave eener “Bibliothèque universelle des romans”, van welke onder zijne leiding 40 doelen in het licht verschenen (Parijs, 1775 tot 1778), waarbij zich ook romans van hemzelven bevonden. Niet minder groot van omvang was zijne uitgave van de “Melanges tirés d’une grande bibliothèque,” waarvan 65 deelen zijn uitgekomen. Hij bezat inderdaad eene groote biblitheek; deze telde 150000 deelen en is na zijn overlijden aangekocht door den graaf van Artois.

Marc René d' Argenson, marquis de Voyer die in 1771 te Parijs geboren werd. Hij wijdde zich aan de krijgsdienst en was bij het uitbarsten der omwenteling adjudant van Lafayette. Toen deze Frankrijk verliet, begaf hij zich naar zijne goederen, huwde met de weduwe van prins Victor de Broglie en hield zich bezig met den landbouw. Zijne modelboerderijen hebben een gunstigen invloed uitgeoefend op den landbouw in geheel Poitou. Niet minder belangrijk waren zijne ijzersmelterijen in den Boven-Elsas. Napoleon benoemde hem in 1804 tot prefect van het departement Deux Néthes. Hij was in die betrekking een ijverig voorstander der constitutie, en toen hij geen steun vond bij het ministérie, nam hij zijn ontslag. Lodowijk XVIII benoemde hem tot prefect van de Bouches du Rhône, maar hij wees die onderscheiding van de hand, omdat Frankrijk nog geene grondwet bezat. 'Weldra erlangde hij zitting in het wetgevend ligchaam, en hij was mede-onderteekenaar van het protest tegen het geweld der vreemde troepen, die in 1815 de vergaderzaal gesloten hielden. Kort daarna legde hij als afgevaardigde den eed af, onder voorbehoud van het onvervreemdbaar regt des volks, om zelf zijne constitutie te wijzigen. Krachtig verzette hij zich tegen de vervolging der Protestanten in het zuiden van Frankrijk en tegen de maatregelen der regéring, die in 1816 en 1818 de vrijheid bedreigden. Veel opzien baarde in laatstgemeld jaar zijne bewering, dat eene constitutie geene genade is van de zijde eens vorsten, maar eene beperking van het regt des volks. Onder het ministerie Martignac deed hij afstand van zijn post als afgevaardigde (Julij 1829), maar in 1830 na de Julijomwenteling werd hij weder gekozen. Toen de regéring in 1832 het besluit nam om Parijs in staat van beleg te verklaren, protesteerde hij in een brief, tot de “Tribune” gerigt, tegen dezen maatregel. Na dien tijd heeft hij zich weinig met de staatkunde bemoeid.

Gepubliceerd op 11-01-2018