Acupunctuur betekenis & definitie

Acupunctuur of naaldsteken, zoo noemt men het behendig insteken van zeer dunne en scherpe naalden door de huid heen in een ziek ligchaamsdeel. Deze operatie, eene uitvinding der Chinezen en Japannezen, is omstreeks het einde der 16de eeuw naar Europa gebragt door den Nederlandschen wondheeler Ten Rhyne en in deze eeuw, vooral door Berlioz, weder in zwang gekomen. De dunne naald van staal, zilver, goud of platina vervaardigd, is met een looden knop voorzien en wordt door de gespannen huid heen in het vleesch gedrukt.

Weldra ontstaat rondom de naald een roode kring, die na verloop van eenige uren weder verdwijnt. De acupunctuur wordt aanbevolen bij plaatselijk zenuwlijden (neuralgie) en bij rheumatische aandoeningen. Men heeft door de ingestoken naald ook wel een elektrischen of galvanischen stroom geleid en hieraan den naam gegeven van electropunctuur en galvanopunctuur. Men heeft die operatie dikwijls aangewend bij beklemde breuken en vooral bij asphyxie — in het laatste geval, om de zamentrekking van het middenrif te bevorderen. Men heeft echter tot nu toe van de acupunctuur geene zoo schitterende uitkomsten waargenomen, dat hare toepassing algemeen is geworden. Hare werking is nog een raadsel; volgens sommigen is zij grootendeels in de oxydatie van het metaal gelegen.