warm betekenis & definitie

warm - Bijvoeglijk naamwoord
1. een hoge temperatuur hebbend
tab tab1">♢ Dit is een warme kachel.
2. de warmte van het lichaam vasthoudend
Vandaag dragen we warme kleding.
3. enthousiast zijn/worden
Ik begin er al helemaal warm voor te lopen!
4. waarbij warmte nodig is
Haal even brood bij de warme bakker.
5. prettig overkomend
Dat schilderij bestond uit allerlei soorten warme kleuren.

warm - Bijwoord
1. op warme wijze
Hij werd warm onthaald.
2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
warmlopen: Zij waren bezig zich warm te lopen.

warm - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van warmen
♢ Ik warm
2. gebiedende wijs van warmen
warm!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van warmen
warm je?

Antoniemen
koud