want betekenis & definitie

want - Zelfstandignaamwoord
1. (f)/(m): (kleding) handschoen waarbij alle vinger|vingers, behalve de duim in één ruimte zitten
2. (n): (scheepvaart) de lijnen of staalkabels aan stuur- en bakboord, die een mast overeind houden (staand want), en het touwwerk om de zeilen te zetten (lopend want)
De voor- en achterstag rekent men gewoonlijk niet tot het want.

want - Voegwoord
1. geeft nevenschikkend een reden aan.
Opm.: ‘want’ kan niet aan het begin van de zin geplaatst worden.
Ik wil een biertje, want ik heb dorst.

want - Werkwoord
1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wannen
♢ Jij want
2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wannen
♢ Hij want
3. verouderde gebiedende wijs meervoud van wannen
want!

want - Werkwoord
1. enkelvoud tegenwoordige tijd van wanten
2. gebiedenwijs van wanten

Woordherkomst
[1] Van Frankisch want, vanwaar Frans gant
[3] Afgeleid van want (2.) op basis van gelijkenis

Verwante begrippen
[1] handschoen, [2] achterstag, bras, schoot, putting, spanner, stag, val, verstaging, voorstag, zaling, omdat, daar, doordat, vanwege, wegens

Gepubliceerd op 31-10-2017