voeren betekenis & definitie

voeren - Werkwoord
1. geleiden, ergens heen brengen
tab tab1">♢ De gijzelaar werd geblinddoekt naar het schavot gevoerd''.
2. kleding aan de binnenkant van een isolerende laag voorzien
Deze jas is met bont gevoerd.
3. (veeteelt) dieren te eten geven
Voer dat maar aan de varkens!
4. een kind eten in de mond stoppen
Het duurt uren om Jantje te voeren.

voeren - Werkwoord
1. meervoud verleden tijd van varen
♢Wij voeren
♢Jullie voeren
♢Zij voeren