trap betekenis & definitie

trap - Zelfstandignaamwoord
1. een verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen, bestaande uit een reeks treden die zich (schuin) boven elkaar bevinden
Hij liep de trap op.
2. (vogels) een vogel uit de familie Otididae
De grote en de kleine trap worden in de Lage Landen niet vaak waargenomen.
3. een schop, een stoot met de benen
Hij gaf de bal een veel te harde trap.
4. de onderdelen van een duikuitrusting die de druk van de perslucht terugbrengen naar normale druk om te ademen.
5. mate van ontwikkeling
Op deze trap van ontwikkeling vormen de arbeiders een over het gehele land verstrooide en door de concurrentie verbrokkelde massa
6. (muziek) een functie of akkoord in een akkoordreeks -> klanktrap, toontrap

trap - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trappen
Ik trap
2. gebiedende wijs van trappen
trap!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trappen
trap je?

Synoniemen
[3] schop

Gepubliceerd op 01-11-2017