Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Gepubliceerd op 01-11-2017

2017-11-01

tijdvak

betekenis & definitie

tijdvak - Zelfstandignaamwoord
1. een begrensd deel van de tijd (tijdsinterval)
tab tab1">♢ In dat tijdvak zijn de winsten sterk gestegen.
2. (geologie) een van de tijdperken waarin een periode verdeeld is
In het huidige tijdvak (het holoceen, van 10.000 v. Chr. tot heden) wordt het klimaat warmer en vochtiger.

Woordherkomst
samenstelling van tijd(zelfstandig naamwoord) en vak(zelfstandig naamwoord)

Verwante begrippen
aera, decade, decennium, eeuw, epoch, epoche, epoque, era, jaar, kwartaal, lustrum, millennium, milliade, perio, periode, semester, tijdperk, tijdsgewricht, tijdverloop, trimester, week, [2] etage (geologie)