Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Gepubliceerd op 01-11-2017

2017-11-01

struis

betekenis & definitie

struis - Zelfstandignaamwoord
1. (vogels) Struthio camelus struisvogel

struis - Bijvoeglijk naamwoord
1. stevig gebouwd, flink

Verwante begrippen
ferm, fors, hecht, potig, robuust, sterk, stevig, stoer, taai, veerkrachtig