na betekenis & definitie

na - Bijvoeglijk naamwoord
1. dichtbij staand.
Dit vereist een nader onderzoek.
Ik proef in 't zuivre morgenlicht

Als een nog woordeloos gedicht

Uw naë afwezigheid — Boutens
2. verwant
Dit is zijn naaste familie.
3. (Jiddisch-Hebreeuws) bewegend (in: schwa na)

na - Voorzetsel
1. in tijd volgend op
na|Na regen komt zonneschijn
2. later komend in de bewegingsrichting
Je moet na de kerk linksaf slaan.
3. later in tijd
We worden na zeven uur verwacht.
4. later in volgorde
De hofdame kwam na de koningin binnen.

na - Bijwoord
1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
2. : nakijken: hij keek het huiswerk na
3. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
4. : erna: hij heeft er weinig na weten te bereiken.
5. te ~ te dicht erbij, te veel in iemands vaarwater.
Je moet hem niet te na komen, dan krijg je problemen.

Woordherkomst
[1],[2] (erfwoord) via het Middelnederlandse woord na van het Oudernederlandse woord nah
[3] van Hebreeuws נע (na) "bewegend, mobiel"

Uitdrukkingen en gezegden
iemand niet te na gesproken
iemand, veelal uit respect, uitsluiten van de gedane uitspraak

Synoniemen
2. voorbij
3. later dan
4. later dan

Antoniemen
1. voor
2. voor
3. voor
4. voor

Zie ook
Na, ná

Gepubliceerd op 04-12-2017