maand betekenis & definitie

maand - Zelfstandignaamwoord
1. (tijdrekening), (eenheid) elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 31 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
Ik ben geboren in de maand juli.

Woordherkomst
afkomstig van:
Middelnederlands: maent
Oudernederlands: mānoth
Germaans: *mēnōþs
Indo-Europees: *mḗh₁n̥s

Uitdrukkingen en gezegden
♦ de afgelopen maanden