hond betekenis & definitie

hond - Zelfstandignaamwoord
1. (dierkunde), (zoogdieren) Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
Een hond moet regelmatig uitgelaten worden.

Woordherkomst
afkomstig van:
Middelnederlands: hont
Oudernederlands: hunt
Germaans: *hundaz

Spreekwoorden
♦ Een haastige hond werpt blinde jongen.
Beter langzaam iets goed doen, dan haastig iets slechts doen.
♦ Wie bij de hond slaapt, krijgt zijn vlooien.
Wie met een slecht iemand omgaat, gaat zijn gedrag overnemen.
♦ Als twee honden vechten om een been, loopt de derde er mee heen
als twee personen ruzie hebben of er niet uit komen, kan een derde daarvan profiteren
♦ Bekend staan als de bonte hond
onder geen goede naam bekend staan
♦ Blaffende honden bijten niet
een grote mond hebben, maar als het er op aan komt niets doen, je moet daarom dus niet per definitie bang zijn voor iemand met een grote mond
♦ De hond in de pot vinden
Te laat komen voor het eten, het (avond)eten is op
♦ Een haar van de hond

♦ Je moet geen slapende honden wakker maken
beter niet over een bepaald onderwerp beginnen; je moet aan mensen die ergens niets van weten en het er wellicht niet mee eens zijn, niets erover vertellen
♦ Komt men over de hond, dan komt men ook (wel) over de staart
als men het moeilijkste gehad heeft is de rest eenvoudiger te doen
♦ Met onwillige honden is het slecht hazen vangen
het is moeilijk om samen te werken met mensen die niet willen
♦ Veel honden zijn der hazen dood
niemand kan op tegen heel veel tegenstanders
♦ Wie een hond wil slaan, kan gemakkelijk een stok vinden
als je iemand (ergens mee) wilt afkeuren is er altijd wel een reden te vinden

Uitdrukkingen en gezegden
♦ als kat en hond zijn
in voortdurend ruzie zijn
♦ een hondenbaan
een slechte baan
♦ een hondenleven
een ellendig leven
hondenweer
slecht weer
♦ van het hondje gebeten zijn
trots zijn
♦ zo ziek als een hond zijn
zeer ziek zijn

Verwante begrippen
reu, teef, puppy