Gepubliceerd op 04-12-2017

glooiing

betekenis & definitie

glooiing - Zelfstandignaamwoord
1. het omhoog of omlaag gaan van de bodem
De lussen bij Osen en Ool zijn het uitbundigst en beschrijven een afstand van enkele kilometers. De Maas moest hier ooit, in lang vervlogen tijden, van zijn stroomlijn uitwijken voor harde hellingen, terrassen van rivierzand en grindlagen. Dus boog de rivier af, of eerder: werd ertoe gedwongen en zocht een nieuwe bedding, stroomde verder. De meanders die hierdoor ontstaan, geven de Maas zijn karakteristieke grillen. Ook duikt de rivier zelf weg, de glooiingen en slenken van het landschap in.
Na verloop van tijd waren de bomen minder vaak met lianen getooid en viel er vanuit de hemel her en der een paarlemoeren licht tussen de stammen. Dit was de ruggengraat van het eiland, het iets hoger gelegen land aan de voet van de berg, waar het oerwoud niet langer een dichte jungle was. Hier waren weidse ruimtes doorschoten met bosschages en enorme bomen, en de glooiing van het land voerde hem hoger naarmate het bos zich verder opende.

Woordherkomst
Naamwoord van handeling van glooien met het achtervoegsel -ing

Synoniemen
helling, heuvel, talud, schuinte, wal

Antoniemen
vlakte