fitheid betekenis & definitie

fitheid - Zelfstandignaamwoord
1. de lichamelijke en geestelijke conditie van iemand
De zieke man moest hard werken aan zijn fitheid om de operatie te kunnen doorstaan.
Voor een 31-jarige verdediger was Boulahrouz met een salaris van 118.070 euro per maand niet goedkoop, maar Sporting had alle vertrouwen in zijn fitheid. Boulahrouz wordt “nog steeds regelmatig opgeroepen voor het Nederlands elftal”, juichte de club.

Woordherkomst
afleiding van fit met het achtervoegsel -heid

Synoniemen
conditie, energie, gezondheid, welzijn, gezondheidstoestand