Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Gepubliceerd op 14-11-2017

2017-11-14

ene

betekenis & definitie

ene - Hoofdtelwoord
1. vorm van één om dit aantal te benadrukken
Vijf keer terugkomen voor de lol van de ploerten en dan wee van de narigheid naar huis met ene gulden dertig.
Wonderbaarlijk genoeg deed ze alles af op haar ene been.
2. vorm van één soms gebruikt bij ritmisch aftellen
Daar gaat ie dan, ene.. tweeë.. drie!

ene - Bijvoeglijk naamwoord
1. gebruikt in tegenstelling tot ander
De ene man doet het wel, de ander niet.
2. gebruikt om een eenzame uitzondering aan te geven
Die ene keer dat je je vergiste zal je heus niet aangerekend worden.

ene - Lidwoord
1. benadrukte vorm van een gebruikt voor een persoonsnaam om aan te geven dat die niet bekend is; soms licht misprijzend bedoeld
Ene meneer Jansen schijnt daarover bezwaar gemaakt te hebben.
2. (verouderd) verbogen vorm van een (nominatief enkelvoud vrouwelijk)
Zodanig ene onderneming vordert zekerlyk ene weldoorknede beoefening der Kerklyke Geschiedenissen, (...)
3. (verouderd) verbogen vorm van een (accusatief enkelvoud vrouwelijk)
Ik heb voor enigen tyd, by ene noodzaekelyke verandering van Domestiken, enen knegt gehuurd, die van Frederikstad(*) gekomen is met loflyke getuigenissen van een braef en stil jongman te zyn, (...)

ene - Onbepaald voornaamwoord
1. de bedoelde persoon ken je niet
Ene Jansen belde vanmorgen op om een afspraak te maken.

ene - Bijvoeglijk naamwoord
1. verbogen vorm van de stellende trap van één

Uitdrukkingen en gezegden
♦ geen ene moer
helemaal niets
♦ Als de ene hand de ander wast worden ze allebei schoon.
wanneer je samenwerkt en elkaar helpt, is hetgeen gebeuren moet sneller gedaan
♦ De ene dienst is de andere waard.
wanneer iemand helpt, doet men graag iets terug
♦ Het ene gat met het andere stoppen
het slecht beheren van geld door met de ene schuld de andere af te lossen
♦ Het ene oor in, het andere weer uit.
iets (een raad e.d.) wel horen maar het vervolgens meteen weer vergeten; gezegd van hardleerse personen aan wie hetzelfde steeds weer opnieuw moet worden verteld
♦ Het ene woord haalt het andere uit.
als de ene persoon een grote mond opzet, krijgt die dat van de ander terug