dan betekenis & definitie

dan - Bijwoord
1. een tijdstip in de toekomst
    ♢ Het is morgen de twaalfde. Hij zei dat hij dan zou komen.
2. daarna, vervolgens
    ♢ Eerst gaat hij ontbijten, dan gaat hij de krant lezen.
3. een woord zonder duidelijke betekenis
    ♢ Heeft dan niemand zijn huiswerk gemaakt?
als ... dan - Bijwoord
1. indien
    ♢ Als hij niet komt dan moeten we even bellen.
anders dan - Bijwoord
1. behalve
    ♢ De nieuwe president van Suriname Desi Bouterse is niet welkom in Nederland, anders dan om zijn gevangenisstraf uit te zitten.
dan ook - Bijwoord
1. in het geheel, ieder.
    ♢ Welk deel dan ook we nemen, de uitkomst is altijd hetzelfde.
    ♢ Geen kind dan ook zou daar mee geconfronteerd moeten worden.
dan - Voegwoord
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord
    ♢ Hij is groter dan ik. Ik ben even groot als zijn jongere broer.
dan - Zelfstandignaamwoord
1. (sport)graad van behendigheid bij judo, karate enz

Woordherkomst
afkomstig van:
Middelnederlands: dan
Oudernederlands: than
Germaans: *þan-, *þana-
ine: *to-

Gepubliceerd op 03-10-2017