Gepubliceerd op 10-11-2017

braak

betekenis & definitie

braak - Zelfstandignaamwoord
1. een bewerking van vlas of hennep waarbij de huls gebroken wordt
Met de braak worden de hennepstengels gebroken zodat houtpijp en vezel worden gescheiden.
2. (gereedschap) een houten toestel bedoeld voor [1]
Een braak bestaat uit twee planken voorzien van balkjes die in elkaar vallen.
3. een stuk braakliggend land
4. een om de hals van een schutterskoning gehangen versiering
5. het breken of stukmaken van iets (bijv. van een dijk) (ook (waterstaat))
6. (juridisch) het ongeoorloofd verbreken van een verzegeling of vergrendeling

braak - Bijwoord
1. ~ liggen niet langer bebouwd worden voor landbouwdoeleinden
Het is goed voor uitgeputte grond om een jaar braak te liggen.

braak - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van braken
♢ Ik braak
2. gebiedende wijs van braken
braak!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van braken
braak je?