bloed betekenis & definitie

bloed - Zelfstandignaamwoord
1. lichaamsvocht dat rondstroomt in de slagaderen en aderen ter verspreiding van zuurstof en andere voor de levensprocessen onontbeerlijke stoffen
Het bloed vervoert zuurstof van de longen naar de lichaamscellen.
2. (enkel als verkleinwoord: bloedjes) in bloedjes van kinderen: kinderen van mijn eigen vlees en bloed
3. (enkel als datief: bloede) in in koelen bloede, van den bloede en van koninklijken bloede
4. de sukkel

bloed - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloeden
♢ Ik bloed
2. gebiedende wijs van bloeden
bloed!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloeden
bloed je?

Woordherkomst
Afkomstig van Middelnederlands: bloet > Oudnederlands: bluot > Oudgermaans *blōþan|*blōþą.

Verwante begrippen
bloeden, verbloeden