Bodemrecht betekenis & definitie

het recht dat aan de Ontvanger van de Belastingdienst toekomt om zich onder bepaalde omstandigheden te verhalen op goederen van een derde voor belastingschulden van de belastingschuldige.

Art. 22 lid 3 Invorderingswet 1990 bepaalt dat een eigenaar van goederen die zich bevinden op de bodem van een belastingschuldige (bijvoorbeeld in een bedrijfspand of in zijn woning) zich niet kan verzetten tegen beslag door de Ontvanger op die goederen, als de goederen dienen ter stoffering van de bodem. Dat recht kan de Ontvanger voor acht specifiek genoemde belastingmiddelen uitoefenen.

Bij "ter stoffering" moet gedacht worden aan inventaris dat in een bedrijfspand staat. Die goederen staan ten dienste aan de belastingschuldige voor de uitoefening van zijn onderneming. Voorraden dienen niet ter stoffering van de bodem en vallen dus niet onder het bodemrecht. Voertuigen kunnen onder omstandigheden daar wel onder vallen; bijvoorbeeld een vorkheftruck die enkel in het magazijn wordt gebruikt.

De wet is duidelijk. De eigenaar heeft geen rechtsmiddelen om uitwinning door de Ontvanger te voorkomen. In de Leidraad Invordering wordt een uitzondering gemaakt op de hoofdregel van art. 22 lid 3 Invorderingswet 1990. De eigenaar die kan aantonen dat hij het reële eigendom, zoals eigendomsvoorbehoud en bepaalde vormen van lease, heeft, kan op grond van de beleidsregel vrijgave van zijn goederen verkrijgen.

Daarop is weer een uitzondering gemaakt in de gevallen dat het reële eigendom zodanig is dat er eigenlijk geen sprake is van enige risico bij de eigenaar of als de eigenaar specifieke afspraken heeft gemaakt met de belastingschuldige, zoals een bierbrouwer met een caféhouder dat enkel via de verstrekte tapinstallatie bier van de brouwer mag worden verkocht (de zogenaamde bedrijfsinmenging).