kop betekenis & definitie

(de; -pen) AL - het voorste of een van de uiterste gedeelten van iets, of dat deel waarbij men het gewoonlijk aanvat, al of niet duidelijk afgescheiden van de rest van het lichaam: op kop, aan (de) kop gaan, liggen, rijden, vooraan gaan, liggen, rijden, m.n. in een veld van deelnemers aan een wedstrijd; de kop (over)nemen, kop doen, vooraan gaan rijden en daardoor zowel wind vangen als gangmaken; kop over kop, om de beurt op kop fietsen. meestal met snelle aflossing; van kop af, vanuit de koppositie, bv. demarreren; de kop opdringen, vertragen, bv. vlak voor een eindsprint, om de renner erachter vóór zich te krijgen; met de kop onder het stuur (ook: tussen de kabels) rijden, het uiterste van zijn krachten, alles geven.