Censuur betekenis & definitie

Censuur betekende oorspronkelijk het „Censorschap", de waardigheid, het ambt van „Censor" bij de Romeinen. Er waren er twee; zij ontleenden hun naam aan het woord Census — Cyns, dien zij moesten regelen.

Zij moesten n.1. alle 5 jaar het volk in verschillende klassen indelen naar rang, stand en vermogen. Deze schatting oi indeling heette census. Na afloop der schatting werd een plechtig zuiveringsoffer opgedragen, lustrum geheeten, waarnaar ook wel het 5-jarig tijdvak zelí lustrum genoemd werd. (Thans spreekt men nog aan onze hogescholen van de lustrumfeesten, die elke 5 jaar gehouden worden.) Bovendien moesten de censoren toezicht houden op het gedrag der burgers en hadden de bevoegdheid strenge straffen toe te passen: de censuur. Vandaar dat censuur in de kerktaal betekent: de kerkelijke tucht en de daaruit voortvloeiende straffen. Ook wordt het woord toegepast op het toezicht, dat de staat of de kerk uitoefent op de voortbrengselen der drukpers ; bijv. tijdens de Franse inlijving werd hier de censuur toegepast. Het woord census leeft bij ons nog voort in de beteekenis van belasting, bijv. de censuskiezers. Een verbastering van dit woord is cijns en ziet vooral op de belasting, die van onderworpen volken geheven wordt.