Negers betekenis & definitie

Evenals van de Indianen moeten we ook van de negers aannemen, dat ze oorspronkelijk uit Centraal-Azië afkomstig zijn en dat ze zich vandaar uit verspreid hebben. Niet alleen in Afrika vinden we negers, ook in Z.O.

Azië en op de eilanden van Oceanië treffen we negerachtige typen aan. De negers in Amerika zijn daar niet uit eigen vrijen wil gekomen; de slavenhandelaars hebben hen daarheen gebracht.De negers in Afrika (zie: Afrika) verdelen wij in twee groepen: de Soedan- en de Bantoe-negers. Het verschil tussen beide is de taal. Alle andere verschillen zijn terug te voeren tot den aard van hun woongebied, het klimaat ter plaatse en het verschillend contact met andere volken.

Zeer waarschijnlijk zijn de Soedannegers de oudste geweest. Ze vertonen op sommige punten een. merkwaardige overeenkomst met de Melanesiërs, een negerachtig volk, dat naar het Oosten is getrokken van Centraal-Azië uit. Zo kennen beide volkeren de trommeltaal. In bepaalde cadans wordt op grote trommels geslagen en zo worden berichten overgebracht, want de trommel in het volgende dorp geeft het bericht weer door.

De Soedan-negers hebben een hogere beschaving dan de ten Zuiden van hen levende Bantoes; en ze hebben deze vooral te danken aan het contact met andere, hoger beschaafde, volkeren als b.v. de Hamieten. Ook heeft de Islam zijn stempel op de negers gedrukt. Hun woongebied is het gebied ten Zuiden van de Sahara tot aan Chartoem aan den Nijl.

Evenals alle negers hebben de Soedannegers een zwart-bruine huid, kroeshaar, een breden, platten neus en dikke lippen en zijn ze van behoorlijke lichaamslengte.

Hun kleding beperkt zich tot het allernoodzakelijkste en dat is niet veel. Daarentegen versieren ze zich dolgraag en van hun krulhaar bouwen ze kunstige kapsels.

De Soedan-negers hebben een zeer beperkten landbouw. Oorspronkelijk kenden ze als landbouwproducten slechts bonen, bananen en kalebassen, maar later heeft ook de maïs bij hen ingang gevonden en wel in die mate, dat het thans een der voornaamste voedingsmiddelen is. Aan veeteelt doen ze weinig: wat geiten, soms varkens, een enkel rund en een paar paarden.

De woningen van de negers verschillen alnaarmate het gebied, waarin ze liggen. In de droge steppen en savannen wonen ze in ronde lemen hutten met kegelvormige daken; in *het Zuiden van hun woongebied, dat zeer regenrijk is, reiken die daken met het oog op de vele regens een heel eind over de wanden heen en bijna tot aan den grond.

In de woudgebieden nabij de kust van Guinea vinden we houten huizen met geveldaken, die in de moerassige gebieden vlak aan de kust steeds op palen gebouwd zijn. Daar in het woongebied hebben zich reeds vroeg machtige rijken ontwikkeld: Dahome, Ashanti en Benin. Er heersten vorsten, die een absolute macht bezaten en naar willekeur konden beschikken over hun onderdanen. Vooral in Dahome en Ashanti werden jaarlijks duizenden aan de godheid en aan de overleden vorsten geofferd.

Toch waren deze negers geen bloeddorstige mensen; in menig opzicht waren ze zelfs buitengewoon zachtmoedig.

Heel merkwaardig was nog het Amazonenleger van Dahome. Een leger, dat geheel uit vrouwelijke strijdkrachten bestond.

Tegenwoordig, nu de Europese grote Mogendheden bijna geheel Afrika bezitten, hebben deze negerrijken nog alleen maar historische betekenis.

De B a n t o e-n e g e r s wonen ten Zuiden van de Soedannegers tot ver in Zuid-Afrika. Ze onderscheiden zich van de Soedan-negers vooral door hun taal. De taal der Soedan-negers staat op een veel lageren trap dan de taal van de Bantoes en is éénlettergrepig. Verder missen alle woorden verbuiging en vervoeging. Op die manier kan de taal natuurlijk slechts een betrekkelijk gering aantal .woorden bevatten.

Maar daarop hebben de Soedan-negers wel wat gevonden. Ze spreken, net als de Chinezen, een woord op verschillende toonhoogten uit; zo betekent het woord do al naar gelang men het bromt, zwaar, zangerig, gewoon, hoog of nog anders uitspreekt: neerzetten, verenigen, laten gaan, slepen, prikken, fijn malen, veranderen, tellen, slaan of droevig zijn.

Als ze maar nooit verkouden zijn!

De moderne tijd heeft ook in de taal der Soedannegers nieuwe begrippen ingevoerd. Daarvoor moesten dus nieuwe woorden gevonden worden en daar er geen toonhoogten meer bij te maken waren, hebben zij hun toevlucht moeten nemen tot een ander hulpmiddel en wel het aaneenrijgen van hun korte woorden. Zo heet een gids in den Soedan „Akwancherifo”, van akwan = weg, cheri = tonen en fo = persoon.

De godsdienst van de Bantoe-negers verschilt niet veel van dien der Soedan-negers. De meest algemene godsdienst is de verering der voorvaderen. Verder hebben de negers ook groten eerbied voor de fetischen (zie aldaar), die een belangrijke rol spelen in het dagelijks leven.

De Bantoes, die in het Congobekken en daaromheen wonen, hebben een gemakkelijk leven, omdat de natuur met haar rijken plantengroei vrijwel alles levert, wat zij nodig hebben. Zij hebben tijd om te praten. De palavers, de debatten der mannen, zijn hier dan ook nóg langer en gezelliger dan bij de Soedannegers, die, naar de begrippen der Bantoes, harder moeten werken.

Veeteelt komt in het Congobekken niet voor, waar de tsetse-vlieg een ziekte overbrengt, die voor mens en dier bijna steeds dodelijk is. Deze vlieg is de ellende van het Congo-gebied, doch het is te verwachten, dat ten slotte de mensheid ook dit euvel zal overwinnen. Denk maar eens aan den strijd, dien de bekende Albert Schweitzer, de veelgenoemde zendeling-medicusmusicus, tegen de tropische ziekten in Afrika voert.

Op de regenarme hooglanden ten Zuiden en ten Oosten van het Congogebied heersen geheel andere toestanden. Daar moet de neger heel wat harder werken voor zijn levensonderhoud. De stammen, die in deze gebieden wonen, hebben veel meer dan hun soortgenoten elders de gewoonte hun lichaam op alle mogelijke, of liever onmogelijke manieren te versieren en te vervormen; door ’t doorboren van neus en oren om daar zware houten of metalen voorwerpen in te hangen, het slijpen of uitslaan der tanden en het kerven en plooien der huid, enz. Het wanstaltige jip-ornament is echter wel het ergste. Grote houten schijven worden in onder- en bovenlip gebracht, zodat die vooruitsteken en niet zelden de grootte van een ontbijtbordje krijgen.

Ook bij deze stammen doet de vrouw het grootste deel van het werk. Haar heergemaal vindt tabak roken en bier drinken op het dorpsplein al voldoende.

De Ba-Ganda, die ook tot de Oost-Bantoes behoren, verdienen apart genoemd te worden, omdat ze een gunstige uitzondering vormen. Sedert ze onder Engels bestuur staan, tonen ze een duidelijke geschiktheid voor geestelijke ontwikkeling. Zij lezen vrij wat en hebben eigen drukkerijen.

Vele Bantoe-stammen kennen behalve de voorvaderenverering en de fetischen ook nog een Hoogste Wezen, dat bliksem, donder en regen veroorzaakt. Vooral de Zuid-Bantoes vereren hem. De Zoeloes zien in dat Hoogste Wezen den eersten mens, den machtigsten der voorvaderen. Ze noemen hem Moenkoetoenkoeloe en in geheel Zuid-Afrika heeft dit Opperwezen een naam, die aan dit woord verwant is.

Die Zoeloes zijn nog door iets anders bekend: zij hebben vorsten gehad van buitengewone capaciteiten. In de vorige eeuw vormden de Zoeloes een machtige militaire hiërarchie; het hele volk werd tot krijgers gedrild en die Zoeloes hebben Boer en Brit handen en handen vol werk gegeven. Ook overigens behoren de Zoeloes tot de hoogst ontwikkelde negers.

Zoals reeds opgemerkt, zijn de negers niet vrijwillig naar Amerika gegaan. De Europeanen hebben hen daar als slaven voor de plantages heen gevoerd. Die slavenhandel is iets verschrikkelijks geweest.

Arabische slavenhandelaars trokken met hun medewerkers den Soedan door, overvielen een dorp en namen alle negers gevangen. Dan werd ieder gekeurd; wie te oud of te jong was, werd gedood of ook wel eens vrijgelaten en de overigen met de mooisten en sterksten voorop in een lange rij geplaatst. De voorste kreeg een gaffel om den nek, zodat het driehoekig stuk daarvan om zijn hals sloot en de steel werd vastgemaakt aan den volgende, en zo vervolgens. Dagen en dagen trok men dan door de steppen of woestijnen. Hij, die viel, werd gedood. Als men dan — heel vaak met niet meer dan de helft van het oorspronkelijke aantal negers — aan de kust kwam, werden de ongelukkigen, als beesten op elkaar gepakt, in schepen gestuwd en dan ging het naar Amerika.

Van den oorspronkelijken troep kwam slechts een armzalig restje in dit land aan en toch was de slavenhandel nog een zeer winstgevend bedrijf.

In Zuid-Amerika, dat toch al een gemengde bevolking had, zijn de slaven in het volksgeheel opgenomen.

In de Verenigde Staten van Noord-Amerika is het echter lang zo gunstig niet met hen gesteld. Officieel zijn ze daar met de overige burgers Van de Staten gelijkgesteld, maar in de praktijk komt daar maar weinig van terecht, vooral in de Zuidelijke Staten.

Dat sommige negers in Amerika toch een hoge ontwikkeling hebben bereikt, hebben ze dus uitsluitend aan eigen kracht en energie te danken.

Toen ze vrijgelaten werden, waren alle negers analphabeten, thans kunnen velen lezen, schrijven en rekenen. Zelf hebben ze scholen gesticht, toen de Staten in gebreke bleven, zelf hebben ze hogescholen in het leven geroepen. Ze hebben nu hun eigen predikanten, geneesheren, professoren, leraren, handelaren en bankdirecteuren, enz. Al die mensen kunnen slechts voor hun rasgenoten werken, geen blanke zal hen willen kennen. In openbare en staatsberoepen, als rijksof .gemeente-ambtenaar, als advocaat worden de negers over het geheel niet toegelaten.

De pogingen, die men gedaan heeft om met de Amerikaanse negers de Afrikaanse te beschaven, zijn volkomen mislukt. De daar, uit vrijgelaten slaven, gevormde negerrepubliek Liberia is een mislukking geworden. De Amerikaanse negers verachten hun onbeschaafde soortgenoten evenzeer, als de Amerikanen de negers.