Marken betekenis & definitie

Bij de oude zwervende Germanenstammen was grondbezit nog een ongewoon begrip. Iedere afzonderlijke stam bewoonde tijdelijk een begrensd grondgebied, dat Mark werd genoemd.

De overheden verdeelden de akkergronden in de mark onder de familiegroepen of geslachten van den stam; de weiden en bossen bleven echter ter beschikking van de gemeenschappelijke markgenoten of marknoten: ieder liet zijn kudden in de weiden grazen en kapte zijn brand- en timmerhout in de bossen. Was de bouwgrond nagenoeg uitgeput, dan trok men naar een andere streek en dezelfde manier van doen werd opnieuw gevolgd.Later, ook toen onder den invloed der Romeinse beschaving het particulier grondbezit meer op den voorgrond getreden was, .bleef toch het gemeenschappelijk bezit en gebruiksrecht van weide en bos, moeras en rivier, heide en meer, de „allmende” genaamd, nog vele eeuwen in stand. Reeds onder „Erfgooiers” werd vermeld, dat dit recht in het Gooi tot op den huidigen dag bewaard is gebleven. Het woord „allmende”, onverdeelde eigendom, heeft nauwe betrekkingen met onze woorden meent en gemeente.

Omdat gewoonlijk een groot gedeelte van de mark uit bos bestond, was houtkap een belangrijk recht van de markgenoten en de middelen, die werden toegepast om deze rechten te beschermen, waren lang niet mals. Men zou het den ernstigen, goedmoedigen boertjes zeker niet meer aanzien, dat hun verre voorvaderen zulke ongelooflijk strenge straffen durfden opleggen aan een vreemden sprokkelaar, die overdag hout stal. Hij moest een zware boete betalen of verloor de rechterhand, maar wee dengene, die het dorst wagen om bij nacht in een bos van de mark te kappen! Hij zou met den stam, „waaraan hij had durven houwen”, gevoerd worden onder den gerichtsboom en aldaar op den stam worden onthoofd.