Griekse mythologie betekenis & definitie

Onder Griekse mythologie verstaan we de verzameling van mythen, die zijn ontstaan voor en tijdens den groten bloei van de oud-Griekse beschaving.

Laat ik jullie nu eerst even vertellen, wat een mythe precies is.
Een mythe dan is veelal ’n verhaal, dat ontstaan is door de behoefte, die de mensen steeds gevoeld hebben, om voor de grote menigte te verklaren, hoe alles op de wereld is ontstaan; een verhaal, waarin dan in den regel alles geschapen, gevormd of bewerkt wordt door de goden.
Hoewel mythen dus veelal godenverhalen zijn, moet men toch niet denken, dat, als men de mythologie van een volk kent, men ook den godsdienst of zelfs maar de godenleer kent.
Natuurlijk bestaat er wel samenhang tussen beiden. Maar jullie begrijpen nu ook, dat het helemaal niet oneerbiedig tegenover de goden behoeft te zijn, als men niet alle mythen gelooft.
Als middel om den godsdienst van de Grieken te leren kennen, hebben die mythen dus slechts betrekkelijke waarde. Neen, de waarde van de mythen ligt op een heel ander gebied. Die mythen zijn n.l. van groten invloed geweest op de kunst en hebben dien invloed heel vaak ook nu nog. Hoeveel boeken, toneelstukken, schilderijen en beeldhouwwerken zijn niet door mythen geïnspireerd? En hoeveel beter leert men overigens ook een volk kennen, als men kennis neemt van zijn mythologie.
Daarom juist is ’t voor ons, moderne mensen, van groot belang, op de hoogte te zijn van de Griekse mythen, aangezien de Grieken een groten invloed hebben gehad op onze beschaving en aangezien ons dikwijls de zin en de inhoud van een kunstwerk zouden ontgaan, als wij de daaraan ten grondslag liggende mythen niet kenden.
Er bestaan talrijke Nederlandse verzamelingen van de Griekse en Romeinse mythen. Als jullie er belang in stelt, moet je er maar eens een lezen, wij kunnen hier onmogelijk alle mythen vertellen!
Een enkele mythe vinden jullie wel in deze Encyclopedie onder andere woorden, zie bijv. Argonauten, Adonis enz.
In dit hoofdstuk wilden we jullie nog wat vertellen over de betekenis en ’t gebruik van vele godennamen, die je ook in het dagelijks leven wel eens tegenkomt.
In de eerste plaats moet ik er dan op wijzen, dat de meeste en voornaamste goden een Grieksen en een Romeinsen vorm hebben, die vaak ieder door een aparten naam werden aangeduid, ofschoon de Griekse god in veel gelijk en gelijkvormig is aan den Latijnsen. (In onderstaande verhalen noemen wij in den regel eerst de Griekse en dan de Romeinse namen). Dit komt, doordat de Romeinen hun goden in veel opzichten hebben overgenomen van de Grieken, waardoor dus welhaast iedere god naast een Grieksen ook een Latijnsen naam kreeg.
Vooral de Latijnse namen gebruikt men vaak.
Over de diepere betekenis en de indeling van de godenwereld kunnen wij niet te uitvoerig worden, wijl daarin veel onzeker en ingewikkeld is. Slechts heel in het algemeen stellen wij voorop, dat de stamvader der góden Kronos (Saturnus) heette, die dan de zes hoofdgoden (Hestia, Demeter, Hera, Hades, Poseidon en Zeus-Jupiter) tot kinderen had.
Zeus maakte eerst een einde aan de heerschappij der Titanen (waaronder zijn vader Kronos behoorde) en verdeelde toen de heerschappij onder zijn broeders en zichzelf, daarbij zelf het opperbestuur houdend. Hades kreeg de onderwereld, Poseidon de zee, Zeus den hemel; de Olympus en de Aarde waren gemeenschappelijk eigendom. Toch was Zeus de koning en als de anderen tegen hem opstonden, trokken zij in den regel aan het kortste einde. Zeus immers had als verschrikkelijk wapen den bliksem.
Zijn geliefde dochter, die geboren werd uit het hoofd van Zeus, is Pallas Athene; ook deze staat wel eens tegen haar vader op.
Jullie zegt wel eens, dat iemand zo dom is als een uil, maar bij de Grieken was de uil, met zijn peinzende gelaatsuitdrukking, juist het symbool en ’t attribuut van Pallas Athene of Minerva (Lat. naam), de godin van de wijsheid.
Dikwijls zul je een afbeelding van deze godin met den uil op haar schouder of op haar arm vinden in de kamers van studenten; immers die zijn dienaren van Minerva. Ook de universiteit wordt dikwijls voorgesteld als onder de hoede van Minerva te staan.
In Amsterdam is een H.B.S., waar op den gevel een stenen uil prijkt, wat heus niet bedoeld is om aan te duiden, dat er alleen maar domme jongens en meisjes op zijn, verre van dat!
Jullie hebt je misschien wel eens afgevraagd, waarom de godin der wijsheid zo dikwijls in volle wapenrusting wordt afgebeeld. Dat komt, omdat Minerva niet alleen de godin van de wijsheid was, maar ook de godin van den vrede en van den oorlog, die met verstand en beleid gevoerd wordt; zij is bovendien de beschermster van het vrouwelijke werk.
Volgens de mythe heeft zij haar naam aan de stad Athene geschonken. Dat kwam zo: Met haar oom Poseidon, den zeegod, streed Athene erom, wie de beschermgod van de nieuwe stad zou worden. Athene nu schonk de stad een olijfboom, het symbool van overvloed en vrede, terwijl Poseidon slechts een schoon gevormd paard gaf. Zo werd Athene beschermgodin van de stad, waaraan zij nu ook haar naam schonk.
Als broers en zusters had Athene onder anderen Phoebus, Apollo, den zonnegod — zie: Apollo —, die tevens beschermer van de geneeskunde en van de muziek en de schone kunsten was, en Artemis, de tweelingzuster van Apollo, die in ’t Latijn Diana heet en die de godin der maan en de beschermster van de jacht was.
Vooral als wetbeschermer, als heilbrenger, als voorspeller en op kunstgebied is Apollo de leidsman. Zijn zoon Asklepios (Aesculapius) heeft hij in alle geheimen van de geneeskunst ingewijd, vandaar dat deze zoon in sommige delen van Griekenland werd vereerd. Zijn attribuut is de staf met slang; dit teken zie je nu nog op de z.g. dokterskaarten in auto’s.
Ook bestaan er veel verhalen over liefdesavonturen van Apollo, waarvan ik er je een zal vertellen, omdat het een geliefkoosd onderwerp van schilders en beeldhouwers is.
Eens ontmoette Apollo een schone bosnymf, Daphne geheten, die echter niets van Apollo moest hebben en voor hem vluchtte naar 't gebied van haar vader, den riviergod. Uit angst echter, dat Apollo haar zou inhalen, vóór ze de rivier bereikt had, smeekte zij haar vader om hulp.
Plotseling voelde Daphne, dat ze verstijfde, schors omhulde haar leden, takken en bladeren ontsproten aan haar handen en uit heur haar. De riviergod had de bede van zijn dochter verhoord en haar in een laurierboom veranderd. Van dit ogenblik af was de laurierboom de geliefde boom van Apollo en schonk men voortaan aan de winnaars van wedstrijden kransen, uit laurierbladeren gevlochten.
Apollo’s zuster Artemis (Diana), reed ’s nachts met haar maanwagen langs het hemelgewelf, maar overdag vermaakte ze zich met de jacht. In deze functie zien we haar ook dikwijls afgebeeld met pijl en boog in de hand. Van haar is ’t volgende verhaal: Eens toen zij met haar gezellinnen na een inspannende jacht een heerlijk bad nam in een vijver, die diep in ’t bos lag, verscheen de jager Actaeon, die opmerkzaam op haar was geworden door de vrolijke kreten en het gelach. Behoedzaam naderde hij den vijver, maar toch niet zo voorzichtig, of Diana’s geoefend jagersoor had hem gehoord en toen ze den vermetelen sterveling zag, die haar poogde te begluren, veranderde ze hem in een hert. Hevig geschrokken neemt Actaeon, als hert, de vlucht, maar Diana’s honden zitten hem reeds op de hielen — een wilde jacht volgt, Actaeon struikelt en wordt door de honden verscheurd.
Evenals Apollo is Diana herhaaldelijk verliefd geworden op een sterveling. Wie was nu de bewerker van al die genegenheden tussen góden en mensen? Dat was Aphrodite (Venus), de godin van de liefde en de schoonheid.
Volgens de Grieken was ze uit het schuim der golven geboren en zo schoon, dat alle goden dadelijk verliefd op haar werden. Haar zoon Eros (Cupido of Amor) ’t kind-godje, was gewapend met pijl en boog. Degeen, die door een dezer pijlen getroffen werd, voelde direct op dat ogénblik een stekende pijn en werd hevig verliefd.
Zowel goden als mensen waren de slachtoffers van Venus en Eros (Cupido). Op zekeren keer braken deze streken Cupido echter op. Per ongeluk verwondde hij zich met een van zijn eigen pijlen, waardoor hij smoorlijk verliefd werd op Psyche, (letterlijk betekent dit woord: de adem, de ziel), die zo schoon was, dat het mensdom haar aanbad in plaats van Venus. Om zich daarover te wreken, zond Venus Cupido om Psyche te doden. Toen gebeurde het ongeluk, waarvan we jullie juist vertelden en Cupido kon 't toen natuurlijk niet meer over zijn hart verkrijgen, Psyche enig leed te doen — zie ook: Amor.
Venus, boos, dat haar mededingster nog in leven was, plaagde de arme Psyche zo, dat deze zich in een afgrond stortte. Cupido liet haar echter door den wind naar een eiland voeren, waar hij haar zijn liefde bekende. Hij deelde haar echter mee, dat ze nooit zijn naam te weten mocht komen en hem alleen ’s nachts in ’t duister zou mogen ontmoeten. Psyche beloofde hiermee tevreden te zullen zijn.
Spoedig echter kon ze haar nieuwsgierigheid niet meer bedwingen, ze wilde Cupido’s gelaat zien en terwijl Cupido sliep, hield ze een lamp boven zijn hoofd. Cupido werd wakker en verdween, terwijl hij Psyche verweet, dat ze hem niet vertrouwde. Troosteloos ging Psyche nu in dienst van Venus in de hoop Cupido weer te zien. Wel stelde Venus haar trouw en nieuwsgierigheid op zwaren proef, maar Psyche hield vol.
Op een keer liet Venus haar bij Persephone (Proserpina), de heerseres van de onderwereld, de vrouw van Hades (Pluto), een schoonheidszalf halen. Zij slaagde er in door de gruwelen van den Hades (onderwereld) heen te gaan, maar op den terugweg bezweek ze voor de verleiding zich zelf een beetje met de zalf te verfraaien.
Ze opende de doos en viel in een diepen slaap, want in de doos zat de slaap. Zo vond Cupido haar; hij wekte haar en nam haar toch tot vrouw.
Behalve Cupido kenden de Grieken nog een god, die ondeugende streken uithaalde, namelijk Hermes (Mercurius), den heraut der goden, den god van het verkeer, doch ook van den slaap en den droom.
Bij de Romeinen was Mercurius ook de god van den handel. Van deze veelbelovende godheid wordt verteld, dat hij den eersten nacht na zijn geboorte, omdat hij honger had, op zoek ging naar voedsel. Hermes vond toen de kudden van den zonnegod Apollo en ’t water kwam hem in den mond bij de gedachte aan een mals biefstukje. Heel slim bond hij een aantal jonge runderen takken met bladeren om de poten en trok ze bij de staarten, dus achterwaarts in een grot, zodat de sporen leken als van koeien, die uit de grot waren gelopen inplaats van er in.
Mercurius at zijn buikje vol en kroop verzadigd weer in zijn wieg, waar Apollo hem den volgenden morgen aantrof.
Bewijzen kon Apollo niets, maar hij verdacht Hermes (Mercurius) wel. Deze speelde daarop zo mooi op de lier, dat hij Apollo vertederde, die hem zijn streek vergaf en allerlei geschenken en raad gaf.
Ook sombere godenfiguren ontbreken in de Griekse mythologie niet, b.v. Ares (Mars), de god van den oorlog, Hephaistos (Vulcanus), de god van het vuur, die in een vuurspuwenden berg woonde, waar hij de bliksems voor Zeus (Jupiter), den dondergod, en de liefdespijlen voor Cupido smeedde.
Poseidon (Neptunus) was de bekende heerser over alle oceanen en andere wateren, Hades (Pluto) was de god van de onderwereld. Het waren beide broers van Jupiter, zoals wij al schreven.
Een heel ander karakter hadden de goden Dionysus (Bacchus), de god van den wijn, en Demeter (Ceres) en Persephone (Proserpina), de godinnen der vruchtbaarheid. Bacchus werd voorgesteld als een vrolijke jonge god, meestal vergezeld door een uitbundige, feestvierende schare, die aan haar aanbidding van deze godheid uiting gaf door heel veel wijn te drinken. De woeste feesten, die ter zijner ere gevierd werden, heetten bacchanalen, en zijn volgelingen (met name zijn haast waanzinnige vrouwelijke volgelingen) werden bacchanten genoemd. Oorspronkelijk regeerde Demeter (Ceres), de godin van het koren en Persephone (Proserpina), de godin van den plantengroei, het gehele jaar.
Nadat Persephone door Pluto was geschaakt en, als zijn gemalin, heerseres der onderwereld was geworden, heersten droogte en hongersnood op aarde, want Ceres had zich treurend over haar dochter teruggetrokken in een grot. De mensen, die ten einde raad waren, smeekten Jupiter aan Pluto te bevelen, Proserpina naar de aarde te laten terugkeren. Jupiter stond deze bede toe: Proserpina zou voortaan twee derden van het jaar op aarde doorbrengen en één derde in de onderwereld. Daarom heersen vruchtbaarheid en plantengroei sindsdien slechts acht maanden per jaar op aarde, want de andere vier maanden is Proserpina heerseres in den Hades en trekt Ceres zich treurend in haar grot terug.
Zo, nu weten jullie iets van de Griekse goden en de daarmee verbonden mythen.
Volgens de Grieken gedroegen de goden zich dus als mensen en hadden ook een mensengedaante, of met geleerde woorden: de Griekse godsdienst was anthropomorf.
Behalve de zuivere godenverhalen worden meestal ook tot de Griekse mythologie gerekend de heldensagen, waarvan we jullie onder „Argonauten” reeds een bekende hebben verteld. Onder Hercules, Ilias, Odyssee enz. kun je er later nog een paar lezen.