Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Gepubliceerd op 09-08-2019

Geld

betekenis & definitie

In onze moderne maatschappij heeft ’t geld langzamerhand zo’n grote, zelfs overdreven grote plaats ingenomen, dat we weleens vergeten, dat het geld eigenlijk oorspronkelijk niets anders is dan een betaalmiddel, waardoor ieder mens in ruil voor zijn arbeid, voedsel en andere dingen, die hij nodig heeft, kan krijgen. In vroeger tijden was er geen geld, maar bewerkten alle mensen den bodem en leefden van wat hun eigen grond opleverde, of gingen gezamenlijk op jacht of knollen en vruchten zoeken, die ze dan met elkander deelden, zodat, zoals men wel opmerkt, de slechte zoekers en jagers evenveel kregen als de goede.

Bij sommige volken werkten zo de handigen en slimmen voor de luiere stamgenoten. Dan is het in onzen tijd veel beter, zeggen velen. Nu heeft iemand, die knapper is, die meer kent, een voorsprong op zijn dommeren buurman.
Langzamerhand ging men inzien, dat niet ieder voor elke soort arbeid even geschikt was. De een was een uitstekend landbouwer, maar had van jagen of een werktuig herstellen, om ’t populair te zeggen, „geen kaas gegeten”, dat kon een ander weer beter en zo kwam men tot de arbeidsverdeling. De een deed alléén aan landbouw, de ander aan jagen, de derde maakte en repareerde werktuigen en wapens. Maar nu was dan ook ruil van de verkregen producten noodzakelijk geworden. Eerst ruilde men goed tegen goed. Zoveel graan voor een werktuig en zoveel voor een herteboutje.
Toen het zover was, ontstond de behoefte aan geld, d.w.z. aan iets, dat een vaste waarde had, dat dus een goede waardemeter voor andere zaken was en dat men bewaren kon, om het als betaalmiddel te gebruiken.
Bij de natuurvolken zijn schelpen, tanden van wilde dieren, matjes, lege flessen enz. nog altijd als geld in gebruik, n.l. bij den ruilhandel tussen de inboorlingen onderling. Voor den handel met vreemdelingen heeft dit „geld” natuurlijk geen waarde.
De Kaurischelp is in den Soedan het meest gebruikelijke betaalmiddel, terwijl de kleine doorboorde schelpjes van de Nassa callosa op Nieuw-Pommeren (ten N. van Nieuw Guinea) worden gebruikt.
Heel bekend is ook uit de geschiedenis het betalen met stoffen. In de Oud-Noorse wetboeken wordt de waarde van allerlei dingen uitgedrukt in het aantal meters linnen, dat men ervoor krijgt; in het N.W. van Amerika bij de Kwakioetl, een Indianenstam, kan men vrijwel alles, wat men hebben wil, betalen met wollen dekens, want die hebben een vaste waarde. Bij de Dajaks op Borneo zijn stukjes zout een gewoon betaalmiddel.
Met de uitbreiding van de beschaving werden al spoedig edele metalen voor betaling gebruikt, hetzij dat men per gewicht betaalde, hetzij met munten, van die metalen gemaakt. Men betaalde dus met goud, zilver of ander metaal, omdat die stoffen, althans in vroeger tijd, altijd hun waarde hielden, goed konden worden bewaard en zich uitstekend leenden voor het aanbrengen van stempels, waardoor de waarde werd bepaald.
In de Egyptische koningsgraven heeft men zilveren munten gevonden en in den Bijbel lezen we, dat Abraham een akker kocht voor „400 zilveren sikkelen”. Een sikkel is een gewicht. Hier werd dus het metaal nog gewogen. Bij de opgravingen in Palestina zijn ook veel oude munten te voorschijn gekomen. De munten hebben en hadden, vooral bij de Oosterse volken, soms heel vreemde vormen. Denk maar aan de ovale koperen munten van Japan uit de 19e eeuw en aan de Siamese zilvermunten, die den vorm van een grote boon hadden met een stempeltje op den bovenkant.
Langzamerhand nu kwam het wegen van het metaal in onbruik, en kreeg men behoefte aan munten, waarop de waarde stond aangegeven. Het kon dus op den duur niet uitblijven, dat eerst de vorst, later de staat zich ging bemoeien met de waarde der munten. Er werd dus bepaald, dat zij alleen het recht hadden om munten te slaan en de waarde daarvan te bepalen en dat valse munters zouden worden gestraft. Zo is het nu nog altijd.
Behalve goud-, zilver-, koper- en nikkelgeld, dat bij de lagere metaalsoorten altijd nog een zekere waarde heeft, hoewel lang niet zoveel als de waarde, die erop gedrukt staat, wordt ook papiergeld uitgegeven, dat helemaal geen eigenlijke waarde heeft, doch in Nederland b.v. te beschouwen is als een schuldbekentenis van de Nederlandse Bank. Deze bank kan dit papier uitgeven op grond van een overeenkomst met den Staat en mits er een voldoende goudvoorraad tot dekking van deze bedragen bij de Bank aanwezig is. Bekijk zo’n briefje van ƒ 100 of ƒ25 maar eens. Er staat op: de Nederlandse Bank betaalt aan toonder ƒ 100 of ƒ25. De waarde van zo’n bankbiljet van ƒ 100 bestaat dus hierin, dat je er ten allen tijde 100 guldens voor terug kunt krijgen; en omdat iedereen dit weet, zijn de mensen graag bereid, als ze iets verkopen, een bankbiljet ter betaling in ontvangst te nemen.
Was het geld vroeger een eenvoudig betaalmiddel, dat het leven gemakkelijker maakte, nu is langzamerhand het geldwezen zo ingewikkeld geworden, dat het niet mogelijk is hiervan binnen kort bestek een beeld te geven. Immers de waarde van het geld hangt in het internationale leven van zoveel omstandigheden af, dat er maar weinigen zijn, die zich dat goed kunnen voorstellen en dat er onder die weinigen nog allerlei verschillende opvattingen zijn. Speciaal in tijden van crisis, van slechten gang van zaken, van werkeloosheid, onzekerheid, zijn er veel moeilijkheden.
Laten wij ons verder beperken tot de mededeling, dat in de laatste jaren, aanvankelijk vooral in Engeland en Amerika, doch thans ook op het vasteland van Europa, zich een grote verandering in het geldverkeer heeft voltrokken, doordat in de plaats van betaling met geld in veel gevallen betaling met cheques is gekomen. Het voordeel van die nieuwe methode is, dat de maatschappij minder gemunt geld nodig heeft, omdat de chèques, die tegen elkaar worden „afgerekend”, een groot deel van de werkzaamheid van het geld hebben overgenomen.
En nu tot slot nog een goede raad:
Wees maar heel blij, als je ’t door hard werken zover kunt brengen, dat je op een eerlijke manier in je onderhoud kunt voorzien en benijd nooit de mensen, die veel geld hebben. Als je wist, hoeveel zorgen die hebben, zou je wijzer wezen. En mocht je nog eens in ’t bezit komen van veel geld, besteed het dan nuttig. Leid er niet een lui leventje van, maar werk hard, net alsof je ’t voor je onderhoud moest doen. En gebruik je geld goed, gebruik het om er meer geld mee te verdienen en te laten verdienen, maar houd in de allereerste plaats de vraag in ’t oog: hoe kan ik het geld, dat mij is toevertrouwd, werkelijk in alle opzichten goed besteden? Geef niet je geld weg uit een soort slappe goedigheid, maar probeer dan met je geld de mensen, die je helpen wilt, te leren werken. Bedenk, dat arbeid nog altijd de allergrootste zegen is, dien een mens heeft. Als je dit alles werkelijk in ’t oog houdt, dan kan het bezit van veel geld een zegen zijn.