Fietsen betekenis & definitie

Er is geen land ter wereld, waar de fiets zo populair is als bij ons. De meesten van ons zijn als ’t ware aan de fiets vastgegroeid en we kunnen ’t haast niet over ons hart verkrijgen, als we even aan den overkant van de straat een boodschap moeten doen, om lopende te gaan.

We grijpen vlug de fiets en springen erop!Het fietsen zit ons Hollanders nu eenmaal in het bloed en dit komt natuurlijk in de eerste plaats wel door de vlakheid van ons land, waardoor we zo fijn kilometers en kilometers kunnen doorpeddelen, zonder te hoeven afstappen, omdat er bergen voor onzen neus oprijzen. De meeste heuvels in ons land zijn voor een enigszins sportief fietser gemakkelijk op te komen en het genot van het afvliegen der lange hellingen is na die inspanning des te groter.
Ja, ons land is een ideaal fietsland en we zijn allemaal van oud tot jong hartstochtelijke fietsers: niet alleen in onze vacanties, maar ook stellig daarbuiten.
Ga eens een kijkje nemen in de Leidsestraat te Amsterdam of in de hoofdstraten van een der andere grote steden, b.v. om 12 of om 4, 5, 6 uur, als de scholen en kantoren uitgaan en let eens op de duizenden fietsen, die daar dagelijks in onafzienbare, ononderbroken rijen voorbijschuiven, terwijl het gebel geen moment van de lucht is: gewone fietsen, transportfietsen van iederen vorm en grootte, fietsen van melkboeren met vernuftige inrichtingen voor het neerzetten van de bussen, bakkerskarren en ijsco-wagens met fietsen er aan vast!
En let dan op mooie zomerdagen eens op den uittocht uit de stad: fietsen met aanhangwagentjes, kampeerfietsen, waaraan bagagewagentjes zijn bevestigd, damesfietsen met mandjes voor kinderen, herenfietsen met kleine zadeltjes op de stang, waarop het jongste zoontje prijkt, en dan rijen en nog eens rijen gewone fietsen, afgewisseld door een enkele racefiets, waarop de berijder met dubbelgevouwen lichaam en nors of onverschillig gezicht al de anderen ongeduldig bellend passeert, en nu ook weer de tandems.
Wat zou er van ons overblijven, als we geen fiets hadden? Een ouderwets Engelsman zei eens: De Nederlander is steeds vergezeld van zijn „machine”, zo zelfs, dat hij zonder deze niet leven en zich niet bewegen kan. Het toestel heet rijwiel (spreek uit: fiets).
We kunnen er ons haast niet indenken, dat er een tijd geweest is, dat er geen fietsen bestonden. Toch is dit natuurlijk zo geweest. De uitvinding van de fiets is zelfs nog zo heel oud niet en als je plotseling een vijftig jaar geleden, terug kon komen, zou je alleen zoontjes van rijke mensen met een fiets zien. Het allereerste begin was het vreemdsoortige ding, de z.g. „célérifère”, die in 1790 werd uitgevonden door den Fransman de Sivrac. Het was een leeuwtje of ander dier op wieltjes; men ging erop zitten en bewoog zich voort door telkens de voeten op den grond af te zetten. De bekende „incroyables”, waarvan we in ons artikel over het costuum iets vertelden, hadden erg veel pleizier met dit kinderlijke fietsje.
In 1818 werd de zaak iets ernstiger. De Duitse baron Drais von Sauerbronn vond de z.g. „draisine” (pas op voor dit woord: het kan ook spoorwagen, zelfs autospoorwagen betekenen) uit, ook al zo'n loopmachine, voorzien van een soort stuurinrichting, die in 1861 verbeterd werd door den Parijzenaar Michaux. Miehatrx bracht n.l. aan het voorwiel van de loopmachine twee pedalen aan, waardoor het grote voordeel werd verkregen, dat men niet meer met de voeten hoefde af te zetten. Hij is eigenlijk de uitvinder geweest van de z.g. vélocipède.
Je kunt vermoedelijk wel begrijpen, hoe vreemd die eerste fiets eruit zag. Maar de grondvorm was er en nu was de verbetering nog slechts een kwestie van ervaring en van tijd.
De vélocipède van Michaux, die in ’t Engels den typischen naam kreeg van „boneshaker” (beenderen-schudder), rustte op twee houten wielen met ijzeren banden. Zij woog eventjes veertig kilo! In ± 1883 hebben wij in een middelgrote stad in Nederland een voorstelling met zo’n fiets bij gewoond in een gymnastiekzaal. Dat werd toen als het grote wonder beschouwd: zo maar een schooljongen op zo’n merkwaardig ding!
Maar de enthousiaste fiets-deskundigen, toen deftig genaamd vélocipédisten, rustten niet, voor zij alles hadden gedaan, om hun voertuig te verbeteren. In Engeland werden achtereenvolgens de stalen spaken, de stalen velgen en de kogellagers uitgevonden, terwijl een reusachtige verbetering bereikt werd door de uitvinding van de gummibanden, toen nog geen luchtbanden maar massieve bandjes, die er ongeveer uitzagen als de banden van een ouderwetsen kinderwagen.
Op 4 November 1869 had tussen Parijs en Rouaan een wedstrijd op vélocipèdes plaats, waarbij de Engelsman J. Moore, die als overwinnaar uit het strijdperk trad, de voor dien tijd enorme snelheid bereikte van 12 K.M. per uur.
Maar weldra werd de grootvader van onze fiets zo verbeterd, dat de snelheid aanmerkelijk kon worden opgevoerd en wel door de doorsnee van het voorwiel te vergroten en het achterwiel te verkleinen, zodat het vehikel ontstond, dat in Frankrijk bicyclette of „grand bi” werd genoemd. In 1885 wogen deze fietsen niet meer dan 15 à 16 K.G.
Toch bleek dit toestel nog niet geheel te voldoen. Er gebeurden erg veel ongelukken mee, door het hoge voorwiel, en dus stelde men pogingen in het werk om dit wiel te verlagen, wat men alleen gedaan kon krijgen door de eigenlijke beweging over te brengen op het achterwiel en gebruik te maken van een ketting. Zo ontstonden in 1885 de Engelse „pioneer” en de „rover”, de laatste gemaakt door Starley en Sutton te Coventry.
Een heel belangrijke verbetering bracht, nadat de dikke gummiband, de cushionband, zijn tijd gehad had, de uitvinding van de luchtbanden door Dunlop (de eerste zodanige banden werden, ± 1892 in Amsterdams straten gezien), terwijl later ook de toepassing van het vrijwiel en de versnellingen het rijwiel, dat weldra in ons land algemeen fiets werd genoemd, in alle opzichten vervolmaakte.
Ook met de verlichting der fietsen ging het steeds vooruit.' In het begin bestond deze slechts uit een olielampje, dat alleen bij kalm weer gebruikt kon warden. Op een winderigen avond moest men dus maar in het donker scharrelen, zodat men heel vaak in onzachte aanraking met een boerenkar kwam. Er bestond toen nog geen wettelijke regeling voor de verlichting van rijwielen. Het spreekt vanzelf, dat de olielamp het als fietsverlichting niet lang uithield. De kaarslantaarns werd haar opvolger, doch deze was ook verre van ideaal, temeer daar zij slechts een zwak licht uitstraalde en spoedig gloeiend heet werd. Wat licht betreft, bracht de carbid-lantaarn al een grote verbetering, maar de onaangename lucht en het geknoei bij een slootje, om het benodigde water voor de carbidlamp te krijgen, waren een groot nadeel, waar je ouders je nog hele verhalen van kunnen vertellen.
Daarna kwam de electrische lantaarn, die nu wel bijna de volmaaktheid heeft bereikt, en waarvan het enige bezwaar is, dat zij vaak een te fel licht naar voren werpt, zodat aankomende fietsers erdoor worden verblind. Dit is echter goed te verhelpen, door de lantaarn een beetje meer naar den grond te richten, waardoor de grond vooruit goed verlicht wordt, zonder dat men last heeft van verblinding. Behalve veel beter, lichter en sterker zijn de fietsen in den loop der jaren ook oneindig veel goedkoper geworden en dit is natuurlijk fijn, doch het heeft een enkel nadeel, n.l. dat er tegenwoordig lang zo goed niet meer voor de fietsen gezorgd wordt als een dertig jaar geleden.
Toen was de fiets een echt kostbaar bezit, dat na iederen tocht direct keurig werd afgeveegd en op zolder geborgen. Nu... praat er niet van! Zeer vele jongelui houden er de kernachtige, maar onverstandige spreuk op na: „Als ie maar rijdt” en jakkeren rond op karretjes, die maar heel weinig aanspraak op den naam fiets kunnen maken, laat staan op den voornamen naam rijwiel! Al in de verte hoor je het rammelen van de verschillende onderdelen als loszittende spatborden, kapotte remmen enz.
Dit is natuurlijk dom, want in de eerste plaats is het onaangenaam en vermoeiend, om op zo’n lawaaimakend gevaarte te rijden en in de tweede plaats is het gevaarlijk voor jezelf en voor anderen. Hoe vaak gebeurt het niet, dat er valpartijen voorkomen, tengevolge van het slecht werken der remmen of het weigeren van een bel! Dit kan voor ’t grootste gedeelte voorkomen worden, als je je fiets maar steeds goed onderhoudt.
Een ieder heeft wel eens een verloren half uurtje, waarin hij niet weet, wat te doen. Neem dan je fiets eens even onder handen. Controleer zorgvuldig de lopende delen en mochten die een weinig droog gelopen zijn, spuit er dan wat fietsenolie in. Gebruik echter nooit andere oliesoorten, want dan krijg je al heel gauw last van het z.g. „koeken” en spoedig loopt de hele zaak vast, zodat je dan nog verder van huis bent. Kijk alle moeren en moertjes goed na en controleer in ’t bizonder je rem, want bij het toenemende snelverkeer langs den weg en in del steden moet deze al bizonder nauwkeurig werken. De terugtraprem, die een eind heeft gemaakt aan de ellende van de doorschietende remblokjes op velg en op banden vooral bij vochtig weer, is wel een groot gemak, doch op vrij wat fietsen zitten nog de handremmen en deze moeten voortdurend worden nagekeken, evenals de bel. Ik hoop, dat jullie dit preekje werkelijk eens ter harte zult nemen.