Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Gepubliceerd op 09-08-2019

Amsterdam

betekenis & definitie

Veel vertellen over Amsterdam, onze mooie, karakteristieke hoofdstad, ,,’t zal niet gaan, jongelui,” zoals de echte Amsterdammer zegt. Want dan zou dit geschrijf wemelen van jaartallen en cijfers en inplaats van een encyclopedie voor jongeren zou dit een grote-mensen-encyclopedie worden!

Maar iets vertellen, een beeld in vogelvlucht geven bij een aantal mooie foto’s, dat gaat toch wèl.

Ten slotte is Amsterdam onze enige grote, onze enige wereld-stad, al is het begrijpelijk, dat sommigen den indruk van het iets te grote woord wegnemen door het een wereldstadje te noemen.

Het is waar, het heeft niet wat andere hoofdsteden hebben: het parlement, de ministeries, de centrale regering enz. enz.

Wij zijn nu eenmaal in de niet zeer gelukkige doch historisch geworden noodzakelijkheid om onderscheid te maken tussen hoofdstad en residentiestad en veel van wat dus bij een hoofdstad hoort, vindt men in Amsterdam niet.

Doch al te treurig maakt Amsterdam er zich niet over en men ziet het gemis daar niet. De stad zou niet véél groter zijn, als er ook nog kamerleden, ministers, referendarissen en hoge officieren waren.

Een bezwaar tegen de stad is ook: Amsterdam heeft geen omstreken, geen buurt waar men dadelijk buiten is en waar het dan een beetje romantisch is.

Doch ook dit grote bezwaar heeft ten slotte Amsterdam geen kwaad gedaan. De stad is enorm gegroeid en heeft tóch haar eigen schoonheid weten te behouden.

En hoe mooi zij is — wij hebben het nooit zo begrepen, als toen wij door een paar honderd mensen in een stuk of 20 talen dagen lang die schoonheid hebben horen roemen: het was tijdens de kroning van Koningin Wilhelmina in 1898, toen de grote journalisten van overal daar bijeengekomen waren en vol bewondering waren voor de prachtige stad en de zo goed geslaagde plechtigheden.

En geen wonder!

Want... Amsterdam is een mooie, een typische èn een gezellige, prettige, gemoedelijke stad, en er zal wel bijna niemand zijn, die dat zou willen tegenspreken.

Het spreekt vanzelf, dat de één geboren wordt als buitenmens en dan van groene weiden en bossen houdt en dat de ander een rasecht stadsmens is, die het gevoel heeft, alsof hij niet zou kunnen leven zonder het getoeter van auto’s, het geratel van vrachtwagens en het jachtend verkeer overal om zich heen.

Je weet voor jezelf wel, tot welke soort van mensen — of mensen-in-den-dop dan — je behoort. Ben je een stadsmens, dan spreekt het vanzelf, dat je van Amsterdam houdt. Maar zelfs wanneer je je echt buitenmens voelt, zullen er nog heel veel dingen zijn, die je in Amsterdam mooi, interessant en aantrekkelijk vindt.

Over die dingen willen we even iets vertellen, — niet veel, want... Amsterdam werkelijk kennen, is nu eenmaal: Amsterdam zien.

Eerst even een blik op het verleden, op Amsterdams kinderjaren, want Amsterdam is, evenals wij allen, een kind geweest. Dat was het jaar 1300, toen er nog geen stad Amsterdam bestond. Er lag toen, aan de boorden van den Amstel, wel een vissersdorp, dat later, na het aanleggen van den Amsteldam, Amstelredam of Amstelledamme heette. In 1275 komt de naam van dit dorp voor in een oorkonde — officieel geschrift — waarin graaf Floris V aan de „lieden wonende aan den Amsteldam” tolvrijheid schonk door geheel Holland.

Natuurlijk heb je ook allen wel eens gehoord van den beroemden Gijsbrecht van Aemstel, die heer van Amsterdam was vóór de jaren, waarvan wij nu spreken. Hij is de hoofdpersoon in het bekende treurspel van Vondel, dat ieder jaar bij het begin van ’t jaar en nog een helen tijd daarna in den Stadsschouwburg te Amsterdam wordt vertoond, maar... wat er van hem en van zijn „benarde veste” verteld wordt, staat geschiedkundig niet vast: wij weten niet, wat ervan waar gebeurd is en wat behoort tot het gebied van de romantische legende.

Wel weten wij van Amsterdam, dat het in ± 1300 tot stad bevorderd werd en sindsdien voortdurend in groei en bloei toenam.

Het wapen van Amsterdam bestaat uit een schild met een zwarten pal, waarop drie zilveren kruisen; het schild is gedekt met de Oostenrijkse Keizerskroon en wordt vastgehouden door twee staande leeuwen in natuurlijke kleur en met rode tongen.

Hoe komt nu Amsterdam aan een Oostenrijkse Keizerskroon?, zul je vragen. Die kroon heeft onze hoofdstad te danken aan Maximiliaan van Oostenrijk, die over ’t algemeen erg weinig plezier van zijn onderdanen in Nederland beleefde. Want niet alleen zetten zij hem in Brugge gevangen, maar ook onthielden zij hem het geld, waaraan hij zo dringend behoefte had. Amstelredam echter haalde den vorst in 1486 feestelijk in en steunde hem bij verschillende gelegenheden met geld en schepen, en uit dankbaarheid hiervoor schonk Maximiliaan in 1489 den burgers het voorrecht „nu voortaen tot eeuwighen daghen” de keizerlijke kroon te voeren boven het wapen der stad.

In die dagen was het voeren van zo’n wapen meer dan een beleefdheid en een aardigheid. Het was een kostbaar bezit voor alle Amsterdammers en bovenal voor hen, die ter zee voeren, want in menig hachelijk ogenblik zal dit Keizerlijk wapen, dat op alle geleibrieven van schepen werd gedrukt, hen tegen geweld van andere staten hebben beschermd.

Hoe zag Amsterdam er nu uit in die overoude tijden? De allereerste huizen zijn gebouwd precies daar, waar IJ en Amstel tezamen kwamen en waar men dus een gunstig punt had voor een nederzetting. De plaats, waar het kleine vissersdorp lag aan den rechteroever van den Amstel, laat zich precies aanwijzen: het was ten Oosten van de Beurs, op de plaats ongeveer, waar nu de Oude kerk en een deel der Warmoesstraat gelegen zijn. Men had voor die allereerste nederzetting een zandplaat uitgekozen, die wat droger was dan de moerassige plekken eromheen. Ten Zuiden van deze zandplaat doen de namen der stadsgedeelten de Nes (= landtong), Gansvoorde en „de Brakke Grond” nog denken aan het oude moeras.

Doch niettegenstaande het op een hoger gelegen zandplaat stond, was het dorpje nog niet veilig voor stormvloeden en overstromingen; daarom werd in den Amstel een dam gelegd om het water te keren.

Het open gedeelte van den Amstel, ten Noorden van den Dam werd nu een mooie, veilige haven, die Damrak werd genoemd (rak betekent rechte vaart), terwijl ten Zuiden van den Dam de Amstel Rokin heet, wat betekent rak-in of binnenrak. Zo was dan Amstelredam een haven geworden met een dijk eromheen — de naam Nieuwendijk doet je hieraan nog denken — en met houten huizen, die in den beginne geteerd, later geverfd werden, op dezelfde manier als de bekende houten huisjes, die je nu nog wel in de Zaanstreek ziet.

Na 1323, toen Amsterdam een brandpunt van den Hamburgsen bierhandel werd, en ook later, toen het als koopstad meer en meer betekenis kreeg, moest de stad voortdurend worden uitgebreid en dit geschiedde naar alle kanten: eerst kwam de Kalverstraat, die vroeger als veemarkt werd gebruikt, later de Oudezijds- en Nieuwezijdsvoorburgwal en de Achterburgwallen, enz. Het zou al te uitvoerig worden om al de straten op te noemen, die achtereenvolgens werden aangebouwd.

Telkens als Amsterdam weer werd uitgebreid, kwam er een nieuwe gracht als een halve cirkel om de stad te liggen en wanneer je de kaart van Amsterdam bekijkt, kan je die ringen heel duidelijk onderscheiden.

De Dam, het middelpunt en beginpunt van Amsterdam dus, bestond vroeger uit drie gedeelten, n.l. de eigenlijke dam in den Amstel, die gedeeltelijk Middeldam, gedeeltelijk Vijgendam genoemd werd —die naam bestaat nog — en het ten Westen daarvan liggende marktplein, dat eigenlijk „de Plaetse” heet, maar dat wij later Dam zijn gaan noemen.

En als we nu eindelijk eens iets willen vertellen van Amsterdam, zoals het nu is, dan kunnen we wel even op den Dam blijven staan en daar beginnen.

Want de Dam is nog altijd het middelpunt van Amsterdam, al is er nu meestal niet meer zoveel moois en kleurigs te beleven als in vroeger eeuwen het geval moet zijn geweest, toen het grijze, indrukwekkende paleis op den Dam nog stadhuis was en toen onze voorouders in hun schilderachtige kleding voorreden en er binnengingen om hun vergaderingen te houden.

Het Paleis is nog altijd een mooi, waardig en indrukwekkend gebouw, al ziet het er wat somber uit. Het werd in 1655 voltooid door den beroemden bouwmeester Jacob van Campen; het prachtige beeldhouwwerk, dat de voor- en achtergevel versiert, werd uitgevoerd door Arthur Quellijn.

Maar het inwendige van het Paleis is nog veel mooier dan de buitenkant, daar moet je eens een kijkje gaan nemen, als je kunt en er het beeldhouw- en schilderwerk gaan bewonderen.

Toen het Paleis nog als stadhuis werd gebruikt, werd het terecht „het achtste wereldwonder” genoemd, doch later, in den Fransen tijd, toen koning Lodewijk Napoleon het tot zijn woonplaats koos, is er heel veel aan vertimmerd en bedorven. Toch is het nog altijd van binnen en van buiten de moeite van het bekijken waard; evenals de Nieuwe Kerk, die er vlak bij staat en die eigenlijk al een heel oude kerk is, hoewel niet zo oud als de Oude Kerk op het Oudekerksplein tussen Warmoesstraat en Oudezijdsvoorburgwal. Je weet: wat om en bij de Warmoesstraat ligt, is wel het alleroudste van het oude Amsterdam en als je de Warmoesstraat zo eens doorwandelt, kun je ook niet bepaald zeggen, dat het boeltje er nieuw en fris uitziet. ’t Lijkt wel of het stof van al die eeuwen daar op en tussen de oude huizen is blijven liggen.

Op den Dam is het gewoonlijk vrolijker, vooral bij zonneschijn. Dan is het een gezellig plekje voor kinderen, want heel dikwijls wordt op den Dam de echt-ouderwetse poppenkast vertoond en kun je er meeleven met de grappen en grollen van Jan Klaassen en Katrijn en zien, hoe het bruine aapje aan de ketting als comediant optreedt. Ook staat er soms een tekenaar, die verbazend snel landschappen en schepen kloddert en altijd een helen drom mensen om zich heen heeft. En buitengewoon druk is het op den Dam, als — eens per jaar gedurende een paar dagen — de Koningin Amsterdam komt bezoeken en dan in het Paleis verblijf houdt. Maar behalve dien korten tijd staat het grote, grijze gebouw het gehele jaar door leeg.

Van den Dam kom je in de Kalverstraat, ook op een zonnigen dag erg gezellig voor wie er van houden. De Kalverstraat is voor een hoofdstraat van een moderne stad eigenlijk veel te smal en dus kun je er op de drukke uren niet wandelen, laat staan lopen, maar je moet er bedaard doorheen schuifelen of drentelen, voetje voor voetje. Mooie winkels om te bekijken zijn er hier in overvloed en in de zijstraatjes wordt soms, als er geen agent in de buurt is, muziek gemaakt, wat de vrolijkheid en lawaaiïgheid van ’t geheel nog verhoogt.

Ben je de hele Kalverstraat uitgelopen, tot aan het Muntplein, dan moet je even kijken hoe mooi die oude Munttoren — ook nog een stukje oud-Amsterdam — daar ligt en wat een aardig uitzicht je daar hebt op het Singel, vooral als er bloemenmarkt is of — tegen “Kerstmis — kerstbomenmarkt. Wil je wat bloemetjes kopen in een bosje om moeder mee te verrassen of een aardig plantje in een potje, dan kun je daar te kust en te keur gaan en niet duur, want een Amsterdammer houdt nu eenmaal niet van duur en pingelt net zolang, tot hij er werkelijk van overtuigd is, dat hij een „koopje” heeft.

Maar we laten nu het Singel met zijn bloemenmarkt in den steek, slaan vervolgens de Reguliersbreestraat in en staan dan in een paar minuten op het Rembrandtsplein. In den zomer is dit het vrolijkste en gezelligste plein, dat je je maar denken kunt, want dan is daar, in tegenstelling met de meeste andere stadspleinen, waar je niets dan stenen ziet, nog eens iets groens en bloeiends om je over te verheugen. In het midden, in een keurig plantsoen, staat daar het standbeeld van Rembrandt, die, meer dan levensgroot, op zijn gemak zit uit te kijken over het gewoel beneden hem; voor alle café’s — het Rembrandtsplein bestaat uit niet veel anders dan café’s en dgl. — vindt men grote bakken met groen en bloemen en op de terrassen staan de vrolijke witte stoeltjes klaar voor de vele bezoekers, die hier van ranja, kwast, ijs of andere heerlijkheden, van een uurtje babbelen of van een half uurtje rust, van een der vele strijkjes of van de gezelligheid in het algemeen komen genieten.

We lopen weer door en komen dan door de Amstelstraat regelrecht aan de hartader van Amsterdam: den Amstel.

Daar ligt hij, breed en rustig, naar links vervloeiend in de stadsgrachten, naar rechts zichtbaar tot in het nieuwe Amsterdam.

Het is wel de moeite waard om een trammetje te nemen en ons een eind stroomopwaarts langs den Amstel te laten rijden, want wat verderop, aan de grens van de stadswijk, die de Amsterdammer „plan Zuid” noemt, ligt de nieuwe Berlage-brug, breed, stoer en eenvoudig van lijn en nog verderop is een nieuw stadsgedeelte, dat zó karakteristiek is, dat je er best eens een uurtje aan moogt wijden, om het goed te bekijken.

Hier zijn overal brede straten met hoge huizen, afgewisseld door plantsoenen en speeltuinen.

Maar we wandelen langs den Amstel terug en slaan de Ceintuurbaan in, vanwaar wij komen in een gedeelte van Amsterdam, dat allerminst nieuwbouw is. Het is „de Pijp” of met een deftiger woord het schilderskwartier, want alle oud-Hollandse schilders hebben daar hun eigen straat, zoals Ferdinand Bol, Govert Flinck, Albert Cuyp, Jan Steen en nog vele anderen, en volgen wij nu steeds maar die schildersnamen, die ons uit de kunstgeschiedenis allemaal zo bekend voorkomen, dan worden langzamerhand, niet de schilders zelf, maar wel hun straten, voornamer en komen wij, langs het vrolijke, ruim gebouwde gedeelte van de Hobbemakade en de heerlijk zonnige Reynier Vinkeleskade, vanzelf in het museumkwartier.

In het Noorden daarvan ligt het Rijksmuseum, het mooie, indrukwekkende gebouw met zijn talloze kunstschatten, waar wij zelfs in één week nog lang niet uitgekeken raken. Wij zullen maar niet doen zoals de vele Amerikanen en Engelsen, die hier in het seizoen met grote sight-seeing-cars langs komen stuiven, om even vlug een blik te werpen op de beroemde „Nachtwacht” van Rembrandt, het veel bekeken en veel beschreven schilderij, dat eigenlijk niets met een nachtwacht te maken heeft, maar de naam draagt van „het korporaalschap van Banningh Cocq.” Want het Rijksmuseum is te mooi en veel te interessant om er doorheen te draven. Wij gaan het later in dit boek nog eens op ons gemak bekijken. En dan gaan wc ook naar het Stedelijk museum, hier in de buurt, tegenover het Concertgebouw, welk laatste gebouw tot ver over onze grenzen beroemd is door zijn orkest onder leiding van Prof. Dr. Willem Mengelberg.

Nu een klein eindje naar rechts, een kort straatje door en we staan zó midden uit het stadsgewoel, midden uit Amsterdam, in de vrije natuur, in het Vondelpark.

Het Vondelpark is een lange, betrekkelijk smalle strook groen tussen de huizenzee, een der longen van Amsterdam en een stukje buiten, waarvan ieder Amsterdammer houdt.

Hier trekken op de mooie Zondagmor gens eindeloze rijen moeders of oudere zusjes naar toe achter kinderwagens of met kleine dribbelende dreumesen, die hier zo heerlijk vrij kunnen rondkrioelen, omdat er geen gevaarlijke auto’s zijn.

En er zijn zeldzaam mooie vijvers met veel banken eromheen en een gezellig eendenbruggetje, waar honderden kleintjes dag in dag uit de eendjes voeren, net zolang tot er welhaast meer brood dan water in den vijver ligt en de eenden zó volgevoerd zijn, dat ze zich al met minachting afwenden, zodra ze een stukje brood op zich af zien komen.

We lopen het hele Vondelpark uit, langs den zandbak vlak bij den uitgang aan den Amstelveensenweg, waar in den zomer wel een paar honderd kinderen veilig kunnen spelen en wij verlaten daar het Vondelpark.

Een klein eindje hier vandaan ligt het nieuwe Olympische Stadion, dat geen jongen mag of wil overslaan, als hij eens in Amsterdam komt. Ervoor is een ruim parkeerterrein voor auto’s en je let natuurlijk ook op de hoge muren, waar bij feestelijke gelegenheden de Olympiade-fakkel brandt en op het van Tuyl-monument, dat een athleet voorstelt en dat door de oneerbiedige Amsterdammers wel eens „Jan met de handjes” wordt genoemd.

Wij lopen of trammen nu dén helen Amstelveensenweg af in de richting van de stad, tot wij aan de nieuwe brug voor den Hoofdweg komen; wij gaan die over, om even een blik te werpen in een ander nieuw gedeelte: plan West.

De brede Hoofdweg doorsnijdt dit nieuwe stadsgedeelte en gaat tenslotte over in den nieuwen weg naar 't aloude Sloterdijk, waarlangs nog geen huizen staan, maar waar men al druk bezig is met de enorme zandvlakten op te hogen en voor bouwterrein geschikt te maken. Hier, aan het eind van den Hoofdweg, is het iederen zomer „Zandvoort aan de zee”. Daar hollen en draven, spelen en graven honderden kinderen in badpakjes in het zand en genieten er van den heerlijken zonneschijn, die hen, zélfs in Amsterdam of tenminste aan den rand ervan, donkerbruin doet stoven als Moriaantjes.

Maar heel lang blijven wij hier niet. We gaan het eerste gedeelte van den Hoofdweg terug en komen langs het vrolijke, gezellige Mercatorplein en de Jan Evertsenstraat, vanzelf met een kleinen omweg weer in het oudere stadsgedeelte. Langs de Kinkerstraat, een echte, typisch Amsterdamse volksbuurt, waar het krioelt van de karren met appels, peren en sinaasappels en van de kooplui met bloemen, veters, scheermesjes en andere onmisbare artikelen en waar je op Zaterdagavond moet komen, om het kabaal op zijn hoogtepunt mee te maken, komen wij aan de Rozengracht.

En dit is nu weer echt oud-Amsterdam op z’n best.

Sla maar eens op goed geluk een der zijstraten in, die allemaal namen van bloemen hebben. Je neemt de Goudsbloemstraat, de Laurierstraat of de Anjelierstraat maar, of de Egelantiersdwarsstraat, en je staat meteen in ’t hartje van den Jordaan, welke naam eigenlijk, zoals je weet, „jardin” betekent, het Franse woord voor tuin (vandaar dan ook al die bloemen om je heen). Hier ben je in een heel typisch brokje Amsterdam, waar een eigenaardig mensensoort woont, dat je nergens in Amsterdam en ook nergens in ons hele land precies zo aantreft.

Dit is de buurt van de smalle straatjes met de heel smalle geveltjes, waar je soms nog de echte Jordaanvrouwen in witte jakken en met een ouderwets haarknoetje boven op het hoofd kunt zien rondwandelen of over ’t straatje heen uit de ramen met elkaar praten. Hier zie je zelfs nog heel dikwijls gekleurde erepoorten en slingers van papieren bloemen tussen de huizen hangen, als „ome Piet” jarig is of „tante Na” en „ome Dirk” hun gouden bruiloft vieren, en hier staat het „pierement” of draaiorgel, waar de kleine meisjes keurig netjes en met ernstige gezichten de nieuwste danspassen bij uitvoeren.

De Jordaners zijn een apart slag mensen, ruw maar trouwhartig en allergenoeglijkst voor wie met hen kan omgaan.

En nu hebben we meteen de gelegenheid, want we zijn er hier vlak bij, om het allermooiste van Amsterdam te bekijken: de Amsterdamse grachten, die als brede, stille gordels al dit gewoel doorsnijden en waar eens de rijke koopmansstand, de glorie van onze hoofdstad, zijn paleizen bouwde. Luister eens even naar wat Johan Luger in zijn aardig boekje „Amsterdam zwart op wit”, dat door Jo Spier werd geïllustreerd, over die grachten schrijft:

„Wie kan gaan langs de Amsterdamse grachten en niet verlangen het beeld in zich te doen ontstaan van de vroegere pracht dezer kanalen, die zelfs na eeuwen onverschilligheid en vandalisme — ruwe vernielzucht — te hebben ondergaan en alle wisselingen van den tijd, het verkeer en de bestemming, nog bijna onverwoest en stil en heerlijk gebleven zijn...?

Enkele gevels zijn neergehaald — andere vol wansmaak zijn ervoor in de plaats gekomen — de onderpuien zijn uitgesloopt — de stenen zijn met een smerige bruine of zwarte verf overtrokken — de stoepen zijn weggebroken... maar nog altijd gaan die donkere, van groen overhuifde waterwegen door de stad, met hun onverwachte buigingen en prachtig opgeloste brug-partijen, waar het gezicht zich opent op nieuwe gevelrijen — nieuwe paleizen... zoals de ene eeuw na de andere ze daar neergezet heeft, ten behoeve van de glorie van zoveel honderden fiere, vorstelijke Amsterdamse koopmansgeslachten.

Eenmaal heeft een Amsterdamse bouwmeester, met begrip van dien vroegeren tijd en de pracht van het beweeg op het water en onder de bomenrijen, voorgesteld het Amsterdamse verkeer te ontlasten, door het verkeer op het water te bevorderen. Hij zag een stoet van gondels — een feestelijk gedoente van aanlegsteigers — een vrolijk bewegen op het water van boten en schuiten. Men heeft het een fantasie gevonden. En toch had hij Amsterdam niet anders gezien dan het vroeger geweest is, toen de grachten de hoofdwegen der stad vormden en de schepen door de ophaalbruggen voeren, tot voor de pakhuizen. Want de Amsterdamse kooplui hielden van centraliseren. Zij hadden „beneden” hun vorstelijke woningen, van welker interieure pracht men zich geen idee kon vormen, wanneer men de gesloten gevels zag. Maar „boven” waren de opslagruimten en de schepen losten hun inhoud vlak voor de deur. Ze, kwamen van overal

— ze brachten zijde van Lyon, olie en wijnen van Malaga en Valencia, krenten en rozijnen uit de Griekse havens. De Hollandse schepen voeren op alle wereldhavens en brachten er de producten van het eigen land en de koloniën heen. Ze namen retourvrachten mee, maar havens en kanalen wemelden ook van vreemde natievlaggen — de vlaggen van Frankrijk en Bremen, van Monaco, Savoye, Danzig, Portugal, Venetië en Koerland.

En dit hele leven van bonte dingen en bonte gestalten bewoog zich langs de Amsterdamse grachten en door de nauwe toegangswegen, die hen onderling verbonden

— karossen en draagstoelen baanden zich een weg door dit gewoel — ruiters en voetgangers, matrozen en lastdragers, soldaten en stadsbeambten en de mannen van de ambachten -gingen huns weegs langs die trotse paleizenrijen en maakten met elkander dat wonderlijke beeld van Amsterdam in zijn grootsten en schoonsten tijd...”

Weer staan wij, na een wandeling langs die grachten, op den Dam, maar nu gaan we niet de Kalverstraat in, doch in den hoek langs den ouden Vijgendam, door de Damstraat en komen zo terecht in het Amsterdamse Ghetto of de Jodenbuurt. De buurt van Rembrandt is dit, de buurt, waar hij de modellen vond voor zijn bijbelse taferelen. De buurt, waar door alle eeuwen heen de Joden, als het hun in andere landen te benauwd werd, gastvrijheid vonden en een veilige schuilplaats. Zij bleven hier in hun eigen wereldje bijeen wonen, zij bouwden er hun synagogen en het middelpunt van hun stad is het Waterloplein, waar de hele week door, behalve op Sabbath, markt is.

Kapotte stoelen, gebarsten kacheltjes, fietsbanden, pakken kranten, kortom het wonderlijkste allegaartje dat je je maar denken kunt, is daar te koop, maar er staan ook kramen met manufacturen, kammetjes en flesjes odeur en zelfs de heerlijkste en beste soorten vruchten. De Nieuwmarkt, aan de andere zijde van den Jodenhoek gelegen, ziet er ongeveer hetzelfde uit: alleen de alleroudste rommel is daar niet aanwezig.

Wij steken even door naar den Zeedijk, die aan de Nieuwmarkt grenst, een buurt van veel café’s waar je overdag prettiger wandelt dan bij avond en waar je heel wat Chinezen tegenkomt. Daar op den Zeedijk en in de aangrenzende straten wonen ze bij honderden, de Pinda-Chineesjes, de gele, ’n beetje uitgedroogde kereltjes, die je allemaal kent. Ze wonen er in hun eigen Chinese kosthuizen, waar ze een sober leventje leiden van rijst en gedroogde vis, vogelnestjes en andere Chinese heerlijkheden. Ze zijn meestal zo zuinig, dat ze van hun armoedje het nog klaar spelen om geregeld geld te sturen aan vrouw en kinderen in China of te sparen voor den overtocht. Aan de andere zijde loopt de Jodenbuurt uit in de Plantage, een mooi, ook tamelijk oud stadsgedeelte, met heel brede lommerrijke lanen. Natuurlijk moeten we daar zijn, want we mogen onzen zwerftocht door Amsterdam niet beëindigen zonder Artis te hebben gezien met zijn prachtige collectie dieren en zijn wereldberoemd aquarium. Zoek ook het woord „Artis” maar eens op, dan lees je daar nog meer van.

En nu terug naar den Dam en vandaar naar het Centraal Station, dat het vroeger zo mooie uitzicht op Amsterdam vanaf het IJ totaal heeft verstoord. Wij wandelen eromheen of als je ’t leuk vindt nemen we voor éen cent het kringlijntje, dat almaar om ’t Centraalstation heen loopt en dan... staren wij uit over de glinsterende wateren van het IJ en hebben we onzen vermoeienden, maar boeienden tocht door de hoofdstad weer achter den rug.