Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Gepubliceerd op 09-08-2019

Amerika

betekenis & definitie

In het kort iets te vertellen van Amerika, de „nieuwe wereld” gelegen tussen Azië, Australië, Europa en Afrika, is stellig niet gemakkelijk. Maar we zullen het proberen.

Niet een opsomming van bergen en rivieren, steden en dorpen, zeeën en meren, industrieën en producten moet dit worden, want die leer je allemaal op school wel en het is heel erg nuttig, dat je al die bizonderheden terdege in je brein stampt. Want... door de bomen wordt het bos gevormd en wanneer je je er nog nooit een goede voorstelling van gemaakt hebt, hoe een boom op zichzelf en hoe ieder bepaald soort van bomen eruit ziet, dan zul je nooit recht weten, wat eigenlijk een bos is.Verbeeld je eens even — en nu moet je fantasie wel een stouten sprong maken! — dat je op een andere planeet, een kale, boomloze planeet, geboren was en dat je nu in een vliegmachine naar onze aarde kwam zweven. Je zou dan, wanneer je nog een paar duizend meter van de aarde verwijderd was, een groene vlakte onder je zien liggen, doorsneden met blauwe lintjes van water, beplekt met donkergroene plukjes van... ja, wat? Je zou niet kunnen begrijpen, dat dit bossen waren, omdat je nog nooit bossen gezien had en omdat je niet wist, waaruit bossen eigenlijk bestaan en je zou eerst moeten dalen en uitstappen, om de bomen van het bos goed te bestuderen, opdat je je zou kunnen voorstellen, wat een bos is.

Maar wat heeft dit verhaaltje nu eigenlijk te maken met Amerika? Kijk, ik haalde maar even dit voorbeeld aan om je duidelijk te maken, dat ieder mens die „het kleine niet eert het grote niet weerd is” en dat je dus nooit minachtend moet neerzien op het uit je hoofd leren van rivieren en bergen, steden en stadjes. Want wie de bomen niet kent, zal nooit een zuiver beeld van het bos krijgen; wie de kleinigheden verzuimt, zal het grote voorbijgaan. Staan die bizonderheden omtrent een land of een werelddeel eenmaal flink vast in je hoofd, dan moet je ook zorgen niet te lang bij de bomen te 'blijven stilstaan, (zoals die mensen doen die — zoals men zegt — „door de bomen het bos niet zien”), maar dan ga je je boven de bizonderheden verheffen en het grote, den indruk van het geheel, het beeld, het begrip van een bepaald land of werelddeel bestuderen.

Laat ons nu eens trachten zo’n beeld te geven van Amerika; het land van de onbegrensde mogelijkheden, zoals het wel eens genoemd wordt.

Amerika is groot, wel meer dan viermaal zo groot als Europa, doch veel dunner bevolkt. Want terwijl in Europa 43 mensen op iederen vierkanten kilometer wonen, wonen er in Noord-Amerika ± 5 en in Zuid-Amerika op dezelfde oppervlakte niet meer dan ± 3 mensen.

Amerika (in zijn geheel) strekt zich uit door alle luchtstreken of zônes, van het Noordpoolgebied tot den evenaar en van den evenaar weer bijna tot aan de Zuidpool. Je begrijpt dus, dat bijna alle landschapsvormen in Amerika vertegenwoordigd zijn: woeste, dorre, eenzame streken en lachende, bloeiende weiden, hete dampende moerassen en eindeloze ijsvlakten, hemelhoge bergen en stille, rimpelloze meren.

Door geheel Noord- en Zuid-Amerika heen strekt zich uit als een reusachtige ruggegraat het langste hooggebergte der wereld met zijn talloze besneeuwde toppen. De belangrijkste gedeelten van dit gebergte zijn in Noord-Amerika de Rocky Mountains (Rotsgebergte) en in Zuid-Amerika de Cordilleras de Los Andes.

Noord-A m e r i k a.

Je weet allemaal natuurlijk al, dat Noord-Amerika kan worden verdeeld in drie delen, n.l. Canada, dat bij Engeland hoort, de Verenigde Staten en Mexico.

In het hoge Noorden van Canada liggen hele troepjes eilanden, die het grootste deel van ’t jaar één onmetelijke ijswereld vormen en bij die ijswereld sluit zich onmiddellijk aan het Toendra-gebied van het Noordelijkste vasteland: woeste kale vlakten, die ’s winters tot diep in den bodem bevroren zijn. Evenals op Groenland en die eilanden wonen hier de Eskimo’s, de grappig kleine, maar stevige mannetjes en vrouwtjes met hun sluik haar, dat precies op paardenhaar lijkt, in hun primitieve hutten. Zij gaan op jacht en ter visvangst in hun kajaks — met rendiervel overtrekken één-persoons boten, waar ze wel mee saarngegroeid lijken — en met hun snelle hondensleden, waarmee ze pijlsnel over ijs en sneeuw jagen.

Toen de allereerste Europeanen, n.l. de Noormannen, voor ongeveer 1000 jaar naar Amerika ovérstaken in hun boten met drakenkoppen, voerden zij een bloedigen strijd tegen de Eskimo’s, van wie zij velen doodden. En de Eskimo’s zetten hun dat betaald in de laatste helft van de veertiende eeuw, toen de nederzettingen in de tegenwoordige districten Godthaab en Julianehaab verwoest werden, zodat pas veel later, in de zeventiende eeuw, de betrekkingen tussen Groenland en Europa weer werden aangeknoopt.

De Eskimo's zijn echte Poolmensen, die zich helemaal in hun vaderland thuisvoelen en zich uitstekend bij het klimaat weten aan te passen.

Hun gewone kledingstukken, tenminste voor buiten, zijn een nauwsluitend jak met mouwen en een broek, beide van huiden gemaakt; zowel voor mannen als voor vrouwen is deze kleding dezelfde, alleen is zij bij de vrouwen wat meer versierd.

Het verhaal, dat je wel eens hoort vertellen, als zouden de Eskimo’s „nooit uit de kleren komen” kun je gerust als een sprookje beschouwen.

Als het erg koud is, trekken ze buiten twee jakken aan. De schachten van de laarzen worden tot ver over het bovenbeen verlengd en de Eskimo heeft, wanneer hij op zee vaart, een mantel van glad zeehondenvel aan, waarlangs het water afdruipt. Tegenwoordig gebruikt hij als wapen meest het geweer, omdat de beschaving uit het Zuiden met al haar voor- en nadelen ook langzamerhand tot de Eskimo’s is doorgedrongen. Op Labrador b.v. heeft de Hernhutterzending een aantal posten en daar de meeste zendelingen tevens winkelier zijn, drinken de Eskimo’s nu ook thee inplaats van hun geliefde traan, en de vrouwen kunnen er naalden, lucifers, zeep, gedroogde appeltjes, cacao, kaas, rijst enz. kopen of liever gezegd inruilen tegen huiden of andere waren.

De Eskimo’s zijn eigenlijk geen Nomaden of rondtrekkende stammen, maar wel trekken zij dikwijls met de dieren der poolwereld: walvissen, zeehonden, rendieren en beren mee, wanneer deze van woonplaats veranderen; je moet denken, dat ze bijna uitsluitend van de jacht leven, want de weinige kruiden en bessen, die de harde bodem oplevert, betekenen als voedsel heel weinig. Het zijn meest vrolijke, gelijkmoedige mensen, die van hun zwaar leven nog veel weten te maken, want ze zijn door den nood verbazend handig geworden. Zo kunnen zij b.v. van een stuk hout een landkaart snijden, waarop het beloop van de kust en de ligging der eilanden goed terug te vinden zijn; ze kunnen in been een voorstelling van hun jachtavonturen krassen, enz.

De ouders en kinderen houden erg veel van elkaar.

Behalve de kajaks of één-persoonsboten, waarvan de mannen gebruik maken, hebben de Eskimo's ook nog z.g. „vrouwenboten”, waarin 15 tot 20 personen een plaatsje kunnen vinden.

Meestal wonen er heel wat Eskimo’s in de houten hutten: als één der dochters uit een gezin trouwt, blijft zij met haar man bij vader en moeder inwonen; eerst wanneer het huis voor het gezin te klein wordt, trekt een gedeelte in een ander huis.

In zo’n Eskimohut gaat het gezellig toe: ieder heeft zijn eigen plaats op de grote bank en verlicht zijn hoekje met zijn eigen lamp, waarin traan gebrand wordt.

De opbrengsten van de jacht worden eerlijk verdeeld en er is zelden ruzie in zo’n gezin: het versterkende frisse klimaat en het leven in de vrije natuur, dat alle zorgen uit de hoofden verdrijft, zal hier ook wel toe meewerken.

Ten Zuiden van de Toendrastreken ligt het woudgebied met grote meren, waar verschillende Indianenstammen leven.

Zoals je weet, zijn de Indianen (de oorspronkelijke bewoners van Amerika) door Columbus, toen hij in 1492 Amerika „ontdekte”, bij vergissing Indianen genoemd, omdat hij eerst meende, dat hij in Indië was aangeland.

In Brits-Amerika zijn ze over ’t algemeen niet zo slecht behandeld, doch in de Verenigde Staten zijn er vreselijke dingen met hen gebeurd. Akkers en velden van deze roodhuiden, die in den oorlog wel gruwelijk wreed, maar in vredestijd vol goed vertrouwen zijn, raakten door bedrog of geweld in handen van blanke indringers en er werd op schandelijke manier onder hen huisgehouden. Men wilde hen niet op hun eigen grondgebied laten wonen en wees hun kampen of „reservations” aan, waaruit zij ook meermalen weer werden verdreven naar landstreken, waar zij bijna niet te eten hadden, zodat duizenden van honger omkwamen. Ook werd er veel gevochten, wanneer de Indianen uit honger en wanhoop naar de wapenen grepen, en zo werd een groot deel van de voor ’t merendeel beschaafde Indianen omgebracht en werd Noord-Amerika een land van blanken, die echter nu niet bepaald met trots op deze „veroveringen” kunnen terugzien. De Indianenoorlogen en ook het bederven en omkopen van Indianen met sterken drank vormen een zwarte vlek op de geschiedenis van de Amerikaanse natie.

De Indianen in het Canadese woudgebied leven hoofdzakelijk van pelsjacht en visvangst.

Wat verder zuidwaarts ligt een landbouwgebied, het grootste tarweveld ter wereld. Het klimaat in deze streek is een landklimaat, d.w.z. de winters zijn erg koud en de zomers gloeiend heet. Behalve tarwe levert Canada nog hout, vruchten en zuivelproducten.

Het Westelijk deel van Canada wordt ingenomen door het Rotsgebergte, dat zich naar het Noorden uitstrekt tot in het goudland Alaska, dat tot de V.S. behoort. In Alaska ontstond vele jaren geleden aan de Yukon de goudzoekersstad Dawson-city, die later weer ontruimd werd, toen er geen goud meer in den bodem gevonden werd. Nu wordt in Alaska veel aan visserij gedaan. Aan de Westkust, ten westen van het gebergte, heerst een zachter klimaat en hier vindt men uitgestrekte bossen. Hier liggen vele kusteilanden en ook belangrijke havensteden, terwijl zich hier het rijkste zalmterrein ter wereld bevindt. In het Oosten vloeien bij Newfoundland de koude Labradorstroom en de warme Golfstroom tezamen en hierdoor worden op deze plaats reusachtige scholen vis samengedreven, die door Europese en Amerikaanse vissers worden gevangen.

De Verenigde Staten.

De Verenigde Staten van Noord-Amerika bestaan uit bijna vijftig staten, die tezamen een republiek vormen. Aan de bekende vlag met de „sterren en strepen” kun je precies zien, hoeveel staten er zijn: de dertien strepen stellen de oudste dertien staten voor, terwijl voor iederen nieuwen staat, die later bij de Unie kwam, een’ ster aan de vlag is toegevoegd.

Vroeger behoorde Noord-Amerika in zijn geheel aan Engeland, dat zijn dertien koloniën niet al te best behandelde. Daardoor werden die koloniën oproerig en kwam het in 1775 tot den Amerikaansen vrijheidsoorlog, die tot 1783 duurde. Toen werd te Versailles de vrede gesloten en de onafhankelijkheid van de dertien staten van Amerika, die zich inmiddels tot een Unie hadden verenigd, door Engeland erkend.

Doch het bleef niet lang rustig in den nieuwen Statenbond: in de tweede helft der vorige eeuw ontstond een hevige burgeroorlog, waarin de Noordelijke en de Zuidelijke Staten scherp tegenover elkander stonden. In de. Noordelijke staten, waar bloeiende industrieën waren ontstaan, heersten nog in de kringen der kolonisten strenge godsdienstige zeden, doch in de Zuidelijke staten, vooral in het Mississippigebied met zijn reusachtige plantages, ging het heel wat ruwer toe. Hier werden om het zware afmattende werk te doen, duizenden negerslaven gebruikt, die voor ’t merendeel schandelijk slecht werden behandeld, ja zelfs gegeseld en vermoord.

In 1852 verscheen een boek, dat het vreselijke lijden van die negerslaven schilderde. Je kent het allemaal wel; ’t was de bekende roman „De negerhut” door Harriet Beecher Stowe, die later in alle talen werd vertaald en in ons land ook verscheen voor jongeren, bewerkt onder den titel „De negerhut van oom Tom”.

Luister, hoe Harriet Beecher Stowe in haar beroemd geworden boek het lijden van die negers schildert, die op de slavenmarkt worden verkocht, waarbij moeders en kinderen, man en vrouw, broertjes en zusjes, voorgoed van elkander worden gescheiden:

„De afslager, een kort, dik manneke, drong met veel drukte en grote deftigheid door de menigte heen. Een oude vrouw haalde diep adem en greep onwillekeurig haar zoon vast.

„Blijf dicht bij mij, Albert — dicht bij mij — zij zullen ons tezamen te koop stellen,” zeide zij.

„Och moeder, ik vrees, dat zij dat toch niet zullen doen,” antwoordde de knaap.

„Zij moeten, kind. Anders kan ik niet blijven leven,” riep zij heftig uit.

De forse stem van den afslager, roepende om ruimte te maken, kondigde nu aan, dat de verkoping beginnen zou. Men schikte zich in een kring en het bieden begon. De mannen, die op de lijst stonden, werden spoedig toegewezen tot prijzen, die bewezen, dat er tamelijk veel vraag aan de markt was. Twee van hen vielen Haley ten deel.

„Kom aan nu, jongen,” zeide de afslager en gaf den knaap een stootje met zijn hamer. „Op en laat zien, hoe ge springen kunt.” „Verkoop ons samèn — samen, alstublieft, meester,” riep de oude vrouw, zich aan haar zoon vasthoudende.

„Uit den weg,” zeide de afslager, haar ruw terugduwende. „Gij komt het laatst.

Komaan, zwarte, spring!” En met deze woorden duwde hij den knaap naar het blok, terwijl achter hem een zware zucht werd geslaakt. De jongen bedacht zich nog en keek om, maar er werd hem geen tijd gelaten. Hij veegde de tranen uit zijn heldere ogen en was in een ogenblik op het verhoog.

Zijn welgemaakte leden, forse lichaamsbouw en schrander uitzicht wekten aanstonds kooplust op en wel zes stemmen deden tegelijk een bod. Angstig keek de knaap van den een naar den ander, terwijl het opbieden voortging en nu hier, dan daar een hogere som werd geroepen, tot eindelijk de hamer viel. Haley had hem gekregen. Hij werd van het blok naar zijn nieuwen meester geduwd, maar bleef nog een ogenblik staan en keek om, terwijl zijn arme, oude moeder, over al haar leden bevende, haar sidderende handen naar hem uitstak.

„Koop mij ook, meester. Om onzen lieven Heerswil, koop mij. Ik zal sterven als gij het niet doet.” „Je moogt sterven, als ik het doe,” antwoordde Haley. „Neen, zeg ik.” En daarmede keerde hij zich om.

Je begrijpt, dat dit boek groten indruk maakte, vooral in de Noordelijke staten, waar men bitter verontwaardigd was over die vreselijke toestanden. Dit werd het begin van den „slavenoorlog” tussen Noord en Zuid. In 1860 was de hele bevolking van de Verenigde Staten in twee kampen verdeeld: voor en tegen de slavernij. Toen in 1861 Abraham Lincoln, een tegenstander der slavernij, tot president werd gekozen, traden de Zuidelijke Staten uit den bond. Vier jaren van burgeroorlog volgden, doch in 1865 behaalden de Noordelijke staten de overwinning en werd.de slavernij afgeschaft. En zo reikten Noord en Zuid elkander weer de hand.

Na dezen oorlog kwamen uit alle landen der wereld de landverhuizers, aangelokt door de enorme, nog onontgonnen rijkdommen van die nieuwe wereld, Amerika binnen.

Omstreeks 1800 woonden in de Verenigde Staten ongeveer 5.3 millioen mensen, in 1830 reeds 13 millioen, in 1860 30 millioen, in 1930 meer dan 120 millioen.

De tegenwoordige Yankee-bevolking der V. S. is samengesteld uit allerlei verschillende rassen; er wonen Engelsen, Duitsers, Nederlanders, Ieren, Fransen, Italianen, Slaven, Noren en Zweden, Indianen, Mongolen en nog andere typen. De Nederlanders wonen meest tussen de Grote meren, te Grand Rapids in den staat Michigan en te Chicago.

In ’t Westen der V. S. liggen de bergketens der Siërra Nevada enz. en die van het Rotsgebergte, met dalen en hoogvlakten ertussen. Oostwaarts vormen grassteppen of prairiën de overgang tot de Mississippi-vlakte.

De rivier de Mississippi is de hartader van Noord-Amerika. Hier is het land van de reusachtige plantages, waar vroeger de negers zwoegden en leden en waar zij nog werken, doch nu gelukkig als vrije mensen; hier worden door de vele zijrivieren van de Mississippi diepe dalen in den bergachtigen bodem uitgesneden.

New-York is de grootste stad van de V. S. en de enige stad in Amerika, waar de beroemde „wolkenkrabbers” zo veelvuldig zijn, dat ze in het stadsplan behoren en niet gemist kunnen worden. Zonder die enorme, torenhoge gebouwen zou New-York er saai en vervelend uitzien; met de wolkenkrabbers of „skyscrapers” zoals de Amerikaan ze noemt, is New-York een sprookjesstad, die door geen enkele andere in Amerika geëvenaard wordt.

Tussen het Erie- en Ontario-meer ligt de beroemde Niagara-waterval, de grootste ter wereld. Het schijnt wel of Amerika er zelfs in zijn natuur altijd maar naar streeft, het grootste, het meeste en het duurste te hebben!

Reusachtig drukke en snelle spoorlijnen zorgen voor het verkeer tussen de Oost- en Westkust en brengen de reizigers in 4 ½ dag van New-York langs Chicago naar SanFrancisco.

De Zuid-Oostelijke helft van de V. S. is het katoenland, dat 60% van de hele wereldproductie aan katoen levert en ten Noorden hiervan ligt het maïsgebied, waar % van alle maïs der aarde groeit.

Door het geringe aantal arbeiders en de reusachtige uitgestrektheid van de plantages moet alle werk zoveel mogelijk met machines geschieden. De maïs dient er voornamelijk als veevoeder; de veeteelt en de vleesindustrie vinden hun weerga niet in de hele Oude en Nieuwe Wereld.

Chicago is het grote abattoir van Amerika: denk je er eens in, dat daar dagelijks tienduizenden varkens en koeien worden geslacht! Natuurlijk gebeurt dit in reusachtige slachtplaatsen en net zo regelmatig en automatisch als de Fordjes in een autofabriek worden vervaardigd. De varkens worden bij grote drommen naar binnen gedreven en lopen langs een metalen schijf, waaraan kettingen zijn vastgekoppeld. Hierbij staat een man, die niets anders te doen heeft, dan telkens een der kettingen met een haak om een achterpoot van zo’n varken te slaan, waarna het varken schreeuwend en spartelend in de lucht zweeft. Een eindje verder staat weer een man, die met de regelmatigheid van een uurwerk ieder spartelend varken beetpakt en doodmaakt. Hij staat daar maar en onafgebroken schuift de stroom van varkens aan hem voorbij. Zeshonderd en meer varkens sneven in zo’n fabriek per uur. Weer verderop worden de varkens schoongemaakt, gewassen enz.; in grote pakkamers wikkelen meisjes de vleeswaren in papier en doen er de etiketten op.

Niets wordt in die pakhuizen ongebruikt gelaten. Van de hoeven der koeien, het haar, de horens, overal wordt iets van gemaakt.

Zo’n slachthuis in Chicago moet een ware nachtmerrie zijn voor wie het gezien heeft.

En nu weer een liefelijker beeld uit de Westelijke helft van de V. S., waar het heerlijk schone Californië ligt met zijn rijke ertsen in den bodem en ook met zijn weelderige fruitteelt. Hier groeien misschien wel de fijnste appels en peren van de hele wereld, die door vlugge meisjesvingers geplukt worden en keurig verpakt, om in millioenen kisten over den gansen aardbol te worden verzonden. Prettiger werkje, dan inpakster te zijn in een Chicagose vleesfabriek!

In West-Amerika ligt ook het beroemde Yellowstone-park, een natuurmonument, dat meer dan 3000 vierkante kilometer groot is, en misschien wel de allermerkwaardigste landstreek van Amerika. Het vormt een van de hoogste gedeelten van het Rotsgebergte „de top van de wereld”, zoals het door de Indianen genoemd werd en men vindt er schitterend schone landschappen en merkwaardige natuurverschijnselen zoals warme bronnen en geysers, enz. enz.

De Amerikaanse regering heeft bepaald, dat dit „park”, dat eigenlijk geen park, maar een brok woeste en vrije natuur is, niet tot het nut van enkelen mag worden gebruikt: het behoort aan het gehele Amerikaanse volk en een ieder kan ervan genieten en er ook gaan kamperen. Men kan er dagen achtereen in auto’s op goede wegen rondreizen en dan heeft men nog de helft van al die schoonheid en pracht niet gezien.

Huizen mogen in het „park” niet worden gebouwd. Er zijn twee compagnieën ruiterij dag in dag uit in de weer om te zorgen, dat door de bezoekers voorzichtig met vuur wordt omgegaan, dat geen „schillen en dozen” in het park achterblijven en dat geen baldadige jongens of volwassenen stukken van de bomen afsnijden of hun namen in de stammen kerven. Wie een herinnering aan het Yellowstonepark mee wil nemen, kan hiervoor terecht in de kleine winkeltjes, die hier en daar zijn opgericht en waar men allerlei voorwerpjes, meest monogrammen of ook wel boomtakjes verkoopt, die een tijdlang in een der bronnen hebben gelegen en daardoor met een laagje kalk of kiezel zijn overtrokken.

En hiermee verlaten wij Noord-Amerika.

Wij zullen Mexico overslaan, niet omdat er niet heel wat van te vertellen is, maar omdat ons Amerika-hoofdstuk anders te lang zou worden. Op een andere plaats in onze encyclopedie zullen wij aan Mexico een apart artikeltje wijden en dan nu nog ’t een en ander vertellen over Zuid-Amerika.

Daar is het, zo op ’t eerste gezicht tenminste, als je de kaart bekijkt, een veel „rommeliger” boeltje dan in Noord-Amerika, dat meer een eenheid vormt.

Ook Zuid-Amerika heeft zijn „ruggegraat”: de hoge bergketens van de Andes of Cordilleras de los Andes: gebergten met hoogvlakten ertussen en gekroond door besneeuwde vulkaantoppen.

In het Oosten van Zuid-Amerika ligt het hoogland van Brazilië en in het Noordoosten het bergland van Guyana. Tussen die berglanden bevinden zich bergvlakten, n.l. de savannes van de Orinoco, het oerwoudgebied van de Amazone en het Paranagebied, waarin Paraguay en Uruguay liggen. Als je den naam Zuid-Amerika hoort, dan denk je onwillekeurig aan dampende moerassen vol palmen en slingerende lianen, aan stomende hitte, aan negers, kleurlingen en avonturen. Maar Zuid-Amerika als geheel is zo avontuurlijk niet. Het bestaat uit tien staten, die zelfstandige republieken vormen, n.l. de zes westelijke staten: Venezuela, Columbia, Ecuador, Peru, Bolivia en Chili en vier Oostelijke staten: Argentinië, Uruguay, Paraguay en Brazilië. Ten slotte zijn er de koloniën, o.a. Nederlands Suriname, Curagao enz.

Vooral de Argentijnse pampa, vroeger een reusachtig eenzaam grasland, is langzamerhand een nette, met spoorwegen doorsneden vlakte geworden en Buenos-Aires een moderne wereldstad, die meer aan Londen of Parijs dan aan een dorp met inboorlingenhuisjes doet denken.

Alleen in tropisch Zuid-Amerika, vooral in Brazilië vindt men nog de onontgonnen binnenlanden met reusachtige oerwouden.

Zuid-Amerika is dun bevolkt; er wonen maar 75 millioen mensen. In vroeger eeuwen woonden er alleen maar Indianen, waarvan sommige stammen een hogen trap van beschaving bereikt hebben. Later veroverden de Spanjaarden en Portugezen grote gedeelten van het land, zodat er thans in ZuidAmerika ook veel afstammelingen van Spanjaarden en Portugezen wonen. In OostBrazilië zijn vroeger veel negers als slaven ingevoerd. In het Zuiden wonen Spaanse, Portugese, Italiaanse, Duitse en ook Nederlandse immigranten. In Peru leefden in oeroude tijden Indianen van hoge beschaving: het volk der Inca’s. Zij kenden echter nog geen lettertekens, doch gebruikten touwen met knopen van verschillende kleur (guipo's) om hun gedachten in beeld uit te drukken. Geleerden, die er verstand van hebben, kunnen in dit guipo-schrift heel wat lezen.

Zo lezen zij er o.a. in, dat Peru vroeger in vele verschillende dorpen, steden en landjes was verdeeld, die steeds met elkaar in oorlog waren, waarbij de vreselijkste wreedheden werden bedreven.

Maar op zekeren dag kwam Hama-Huaco, een wijze vrouw, op de gedachte, deze halfwilden tot verstandige mensen op te voeden. Zij vertelde, dat zij een zoon zou krijgen, die van de Zon afstamde en werkelijk kreeg zij na enigen tijd een zoontje zo mooi en edel van uiterlijk, als niemand nog ooit aanschouwd had. Toen het kind een paar jaar oud was, zette zij het op den top van een heuvel, tooide het met oorringen en gouden sandalen, wierp zich met haar dochter Pilco-sifa voor hem neder en aanbad hem als den groten koning en Heer van het rijk. De Indianen, die van de naburige hellingen dit tafereeltje zagen, kwamen naderbij en toen zij hoorden, dat het kind een zoon der Zon was, vielen zij ook voor hem neder en riepen hem tot koning of Inca uit.

Het kind, Manco-Capac geheten, groeide op en werd door de opvoeding van zijn wijze moeder buitengewoon verstandig. Voor hij de regering aanvaardde, maakte hij de wetten van zijn rijk, waarbij hij als godsdienst den Zonnedienst instelde. Prachtige tempels werden opgericht, doch ook voedde hij het volk op en maakte het langzamerhand verstandig en beschaafd. Mensenoffers, die tot dusverre onder de Indianen in zwang waren geweest, werden streng verboden en zware straffen werden ingesteld voor rovers, moordenaars en leugenaars.

De vrouw van Manco-Capac, welke naam „almachtig kind” betekent, de eerste keizerin der Inca’s dus, leerde aan de Indiaanse vrouwen spinnen en weven, terwijl Manco zijn volk in den landbouw onderwees. De goede vruchten, die beider werk droeg en de rechtvaardigheid van hun bestuur overtuigden hun onderdanen steeds meer, dat hun keizer werkelijk een zoon der Zon was.

De opvolgers van Manco breidden hun gebied steeds verder uit, totdat het meer dan 2000 K.M.2 groot was. Toen, na een tijd van vijfhonderd jaar, kwam het grote rijk tot verval en verdween de hoge Incabeschaving, waarvan men nu nog steeds de overblijfselen — ruïnes en tempels en andere mooie bouwwerken — bestudeert.