Vreemde woorden in de wiskunde

Dr. E.J. Dijksterhuis - 1939

Gepubliceerd op 11-08-2020

Tensor

betekenis & definitie

(< Lat. tendere = spannen, strekken). Lett. strekker.

Bij Hamilton (1805—1865) beduidt tensor van een quaternion met componenten A, B, C, D, de grootheid T = A2 + B2 -f-f- C2 + D2, die aangeeft, in welke verhouding de grootte van een vector, waarop de quaternion opereert, gewijzigd wordt. T bepaalt dus de mate van uitrekking of spanning van den vector; vd. de naam tensor. Daar een vector een bijzonder geval van een quaternion is, werd tensor ook gebruikt voor de grootte van een vector. Later (het eerst bij W. Voigt (1850—1919)) kreeg tensor de betekenis van een grootheid met zes kentallen, omdat de spanningstoestand in een punt van een gedeformeerd lichaam door zulk een grootheid kan worden weergegeven. Tegenwoordig is tensor een algemene naam voor lineaire, bilineaire enz. vormen in homogene co- en contragrediente variabelen.