Gepubliceerd op 14-03-2021

Woud

betekenis & definitie

een uitgestrektheid, in het wild met houtgewassen begroeide streek; in cultuur: bosch, een uitdrukking die ook gebezigd wordt voor stukken grond die opzettelijk met houtgewas beplant zijn en onderhouden worden. De tropische wouden bestaan in den regel uit een groote verscheidenheid van planten, de wouden der gematigde luchtstreken tellen daarentegen dikwijls slechts een enkele boomsoort (loofwouden, naaldboomwouden).

In Midden-Europa verdringen de naaldboomen meer en meer de loofboomen; de spar heeft de overhand in het gebergte, de den in de vlakke streken. Ongeveer overal liet men alleen daar de wouden en bosschen bestaan, waar de grond ongeschikt was voor de cultuur van meer winstgevende gewassen. Sommige landen, vroeger met wouden bedekt, zijn thans nagenoeg geheel daarvan ontbloot. De wouden echter oefenen grooten invloed uit op de klimatologische verhoudingen van een land, vooral op de verdeeling van warmte en vochtigheid, en overal heeft het uitroeien der wouden verandering van klimaat en verminderde vruchtbaarheid tengevolge gehad; men is daardoor tot het inzicht gekomen, dat het de taak van den staat was, een al te sterke vermindering der wouden te beletten. Vooral in Duitschland heeft men deze zaak ter harte genomen; daar heeft zich een eigen, met de boschcultuur zich bezighoudende wetenschap, de boschkunde, ontwikkeld.