Gepubliceerd op 14-03-2021

Wol

betekenis & definitie

Men kent 120 Verschillende soorten van woldragende dieren, levende onder zeer verschillende omstandigheden wat betreft klimaat en voeding, tengevolge waarvan de kwaliteit en het uiterlijk der wolsoorten ook zeer uiteenloopt, hoewel de lichaamsbouw van alle deze dieren tamelijk gelijk is.



Schapenwol

De beste wol komt van het Merinosschaap, in de 8ste eeuw door de Arabieren naar Spanje overgebracht en daar voortgeteeld. Van hier zijn naar alle deelen van Europa en daarbuiten geheele kudden overgebracht, om de wol in die streken door kruising der rassen te veredelen, waaruit zijn ontstaan het Electoraal-, Cheviot-, Negretti-, Kambonill eten Soutdownseh aap.



Wolschapen hebben als vleesch voor consumptie minder waarde. Daar nu Inj de toenemende bevolking van Europa de vraag naar vleesch is gestegen, heeft de wolcultuur geleden en is achteruitgegaan. Daarentegen heeft in Australië, de Vereenigde Staten, La Plata en Argentinië, de wolstapel enormen vooruitgang gemaakt, zoodat deze Staten de wolmarkt beheerschen. In het laatst der 18de eeuw zijn in Australië eenige koppels Merinos ingevoerd, welke zich in een eeuw tot over 100 millioen hebben vermenigvuldigd. In de tropen gedijt de wolstapel niet. Men heeft beproefd eenige goede rassen daarheen te verplaatsen, met gevolg dat de wol hoe langer hoe meer ontaardde tot stugge, harde stekelharen. Daarentegen vertoonden schapen met ordinaire wol, naar de Kaap-Kolonie gebracht, verbetering der wolsoort.

Het wolhaar, zie de tig., is opgebouwd uit conisch in elkaar geschoven cellen met min of meer verbrokkelden rand, en is met een opperhuid je bedekt. Bij zwak gekronkelde haren ziet men in het midden den mergstreng. Dit opperhuidje bestaat bij alle wolsoorten uit kleine, dunne schubjes van onregelmatigen vorm, die dicht aan elkander sluiten of elkander dakpansgewijze bedekken. Bij de Merinos reikt een zoo’n schubje om den geheelen omtrek van het haar, bij andere wolsoorten staan 2—4 schubben in een ring.

De ruwe, ongewasschen wol bevat 40—60 pCt. aan onreinheden. Het wolhaar zelf bestaat uit hoornstof (Keratine), waarvan de samenstelling bij verschillende wolsoorten iets uiteenloopt, ongeveer: 49 pCt. koolstof, 24 pCt. zuurstof, 16 pCt. stikstof, 7 pCt. waterstof en 4 pCt. zwavel.

De lengte van het wolhaar verschilt naar het ras en het klimaat. Ook worden de schapen één- of tweemaal per jaar geschoren. De dikte bedraagt 0.017—0.033 millimeter.

De haren der fijne wolsoorten zijn cylindrisch rond, de grove en stugge daarentegen afgeplat, soms bandvormig. Men onderscheidt de haren in stekelharen, boven- en onderhaar. De eersten zijn grof en stug en laten zich moeilijk verspinnen. Zij verminderen daarom de waarde der wol. Het bovenhaar, weinig gekronkeld, bedekt den kop en de pooten, bij sommige rassen het geheele lijf (russische en engelsche landschapen). Het mergvrije onderhaar vormt als fijn gekronkeld haar het waardevolle bestanddeel der wol.

Het komt gedeeltelijk voor als onderlaag, bedekt door het bovenhaar; bij de Merinos echter als uitsluitende bedekking van het geheele dier. Verder verschilt de wol in kwaliteit naar de plek van het ylies. De meeste waarde heeft de wol van het schouderblad en de flanken.

De kleur der wol is wit. Zwarte wol komt weinig voor. Gezonde, levende schapen leveren gezonde wol. Bij zieke dieren komt het voor dat het wolhaar plotêeling verdunningen en verdikkingen vertoont, Zulke wol is niet zoo sterk. Tegenover de scheerwol staat de zg. hlootwol van gelooide huiden, die ook minder waarde heeft. De wolgarens worden verdeeld in twee hoofdsoorten; de kamgarens en de kaardgarens, die aanleiding geven tot twee zeer uiteenloopende industrieën.

Kamgarenwol is lang, weinig gekronkeld en zeer elastisch. Het garen dient voor gladde, glanzende stoffen. Laken- of kaardgarens dienen voor het maken van vervilte en gevolde stoffen, waarbij onder verhooging van temperatuur en onder druk de haarpuntjes zoodanig worden dooreengewerkt, dat de binding van het weefsel onder de oppervlakte verdwijnt. Goede lakenwol bezit een kort, fijn en regelmatig gekronkeld haar (2!/2—5 c.M.). Het is hoofdzakelijk wol van schapen die tweemaal per jaar worden geschoren, als Australische-, Duitsche en Spaansche Merinos; Kaapsche-, La Plata-, Zuid-Russische en Fransche wol.

De kronkeling van het wolhaar is een kenmerk voor de fijnheid. Men onderscheidt: sterk, middelmatig en weinig gekronkelde wol. Angora,-wok afkomstig van de Angorageit, levende in Klein-Azië; het is een lang, dicht, zijdeachtig, wit haar. Het daaruit gesponnen garen heet Mohair en wordt gebruikt voor lustre-damesjaponstoffen enz. De Angorageit is met gunstig gevolg naar de Kaapkolonie overgebracht.



Kashmirwol
, van de Kashmirgeit uit het Hoogland van Tibet, bezit een zacht, glanzend haar, aan zijde gelijk, en is een der voortreffelijkste materialen om te verwerken. Tot voor weinige jaren kwam de kashmirwol als ruwmateriaal zelden in den handel, daar alle wol in Tibet tot de bekende Shawls werd verwerkt en den inwoners de uitvoer der dieren op doodstraf was verboden.



Kameelhaar
komt van de in Z.-Amerika levende schaapkameelen, Pakos, Vicüna en Lama. Dè eerste wordt in de hoogvlakte van Bolivia en Peru in kudden gehouden en levert een lange, zachte wol, die onder den naam Alpaca in den handel komt. De Vicüna leeft in het wild en moet gejaagd worden. Deze soort, die de Vigognewol levert, wordt steeds zeldzamer. Lamawol wordt gebruikt voor sajet- en dekengarens.



Kunstwol

Hieronder verstaat men het product dat verkregen wordt door het uit elkander slaan van reeds gedragen kleedingstukken, afval en knipsel van kleermakerijen enz. Het is een goedkoop surrogaat voor wol en voldoet voor verschillende soorten van stoffen zeer goed. De kunstwolindustrie, voor 50 jaren nog onbekend, staat thans op hoogen trap van ontwikkeling.

Men onderscheidt: Mango-, Shoddg- en Extractie oh Mungo komt van gevolde stoffen, dus van lakensche- en Buckskin lompen. Natuurlijk zijn bij deze wolharen de opperhuidschubben afgesleten, en zijn zij dus niet meer zoo sterk als natuurwol.

De lompen worden naar kleur gesorteerd, van de naden en knoopen ontdaan en geknipt in stukken van 1 d.MA Zeer stoffige lompen worden eerst in een klopwolf uitgeslagen. Daarop komen ze in een z.g. schewrwolf, die het weefsel uit elkaar slaat tot eene losse, wollige massa. Bij voorafgaande wassching is de stofontwikkeling natuurlijk geringer. Na droging wordt de wol met oleïne ingevet ter verdere bewerking.



Shoddy
komt van onvervilte stoffen, alzoo van kamgarenweefsels, gebreide en gehaakte goederen, tapijten, dekens enz. Deze stoffen bevatten langere wol, die gemakkelijker is te verwerken, dan de Mungo. Ook hier vindt men liet sorteeren, afsnijden en uiteenslaan.



Extractwol
wordt verkregen uit halfwollen stoffen, waaruit de katoen of het linnen wordt verwijderd door carbonisatie, d. i. door inwerking van verdund zwavelzuur of door zoutzuurdampen onder afsluiting van de lucht. Hierop wordt de massa in een oven gecarboniseerd, de verkoolde plantendeelen in een klopwolf uitgeslagen en de overblijvende wol ontzuurd en gewasschen. Extractwol kan in het algemeen niet verwilt worden..

Kunstwol wordt steeds als kaardgaren versponnen, daar de haren door de hardvochtige bewerking in het algemeen voor het kammen te kort zijn geworden. Shoddg wordt veelal met nieuwe wol of met kammeling vermengd en is dan tot tamelijk goede garens verspinbaar.

Literatuur: Dr. Hermann Grothe, Die Technologie der Oespinst fasen n (Berlin 1876), Dr. F. H. Bowman, The slnictune of the Wool Fi'ire, Manchester and London.

Wol-industrie

Garen. Het aantal spillen, in de voor deze industrie voorn, landen, in de wolspinnerij in gebruik, bedroeg (in duizenden, dus 000 bijvoegen):

Landen. 1885 1897 1902

Groot-Britannië 6145 6700 6800

Duitschland 3020 3600 3800

Ver. Staten 2568 3600 3500

Frankrijk 3266 3500 4000

België 1480 1600 1800

Oostenr.-Hong. 605 800 900

De uitvoer van wollen en halfwollen stof van allerhande soort bedroeg in de landen welke in die artikelen bovenaan staan (in millioenen guldens):

Landen. 1890 1896 1902

Groot-Britannië 66,24 67,86 65,04

Duitschland 25,92 25,44 35,38

Ver. Staten 0,3 1,48 —

Frankrijk 26,64 14,76 8,52

België 30,12 27,12 18,48

Oostenr.-Hong. 3,78 2,28 1,86

tegenover een invoer van zoodanige garens in 1902 in Gr. Britannië: 26.46 mill. gulden, in Duitschland: 11,70 mill. g., in Frankrijk: 8,76 mill. g. in Oostenrijk-Hongarije: 18,76 mill, g., in Noord-Amerika: 21,84 mill, g., in België slechts geringe hoeveelheden.

Wollen stoffen. Het aantal fabrieken, weefgetouwen en arbeiders voor de wolweverij bedroeg in 1902:

Landen. Fabrieken Weefgetouwen Arbeiders

Groot-Britannië 2.800 140.000 320.000

Duitschland — 80.000 160.000

Ver. Staten 2.700 60.000 150.000

Frankrijk 2.100 80.000 160.000

België — 31.000 50.000

Oostenr.-Hong. 850 45.000 80.000

De uitvoer van wollen garens van allerhande soort bedroeg (in millioen guldens):

Landen. 1890 1896 1902

Groot-Britannië 249 219,12 167,16

Duitschland 151,3 129,54 134,62

Frankrijk 173,5 139,68 1113,6

België 13,32 10,68 10,44

Oostenr.-Hong. 23,2 21,24 2376

De uitvoer van N.-Amerika is niet noemenswaard; niet alleen wordt de geheele eigen productie in het land zelf verbruikt, maar er worden nog aanzienlijke hoeveelheden wollen stoffen ingevoerd; Duitschland voerde in 1902 voor 9,84 mill. gulden wollen stoffen in, Oostenrijk voor 13,44 mill. g., Frankrijk voor 19,74 mill. g. De achteruitgang in den uitvoer van deze artikelen van ongeveer alle wol-verwerkende landen, wijst op een gegestadig afnemen van het verbruik dezer stoffen. De wol wordt meer en meer verdrongen, vooral door het katoen.

Blijkens bovenstaande cijfers staat in de wolnijverheid Groot-Britannië bovenaan, dan volgen Duitschland, de Ver. Staten, Frankrijk, België en Oostenrijk. Van de landen welke de ruwe wol grootendeels op de wereldmarkt brengen (Australië, Argentinië, Kaapland, Rusland) is alleen in Rusland toeneming van de bewerking dier stof, uitbreiding van de wolindustrie dus, te verwachten. Oostenrijk-Hongarije en de Ver. Staten voorzien voor een groot gedeelte zelf in hun behoefte aan ruwe wol, doch ook in deze landen gaat de schapenfokkerij langzaam maar zeker achteruit. De invoer van ruwe wol bedroeg (in tonnen):

Landen 1890 1896 1902

Groot-Britannië 287.450

356.789 308.414

Frankrijk 168.807

1.260.096
243.542

Duitschland 128.614

193.679 161.804

België 35.020 37.266

Oostenr.-Hong. . 24.213 24.598 29.468

Ver. Staten 129 102.304 94.382

De prijzen van de ruwe wol bedroegen per 50 kilogr. (in gulden):

Jaar. Zeer fijn. Fijn Matig fijn. Gewoon

1856 246 203 180 154
1863 193 170 150 130
1871 192,5 162 129 104
1896 112 90 101 61
1900 127 111 91 78