Gepubliceerd op 14-03-2021

Willem

betekenis & definitie

(zie Wilhelm), naam van een aantal vorstelijke -personen, van wie wij vermelden:

Nederland: 6 graven van Holland, 5 stadhouders, 3 koningen:

1) W. I, uit het hollandsche huis, werd in 1204 graaf, nadat zijn broeder Dirk VII (zie ald.) die slechts een dochter (Ada) naliet, in 1203 overleden en Bodewijk, graaf van Loon, na Dirk’s dood met Ada gehuwd, uit Holland verdreven was. Hij nam deel aan een kruistocht in het Oosten, nam in 1219 Damiate in, dat hij in 1221 weder ontruimde en overleed in 1223.
2) W. II, kleinzoon van den vorige, volgde zijn vader Floris IV (zie ald.) op 7-jarigen leeftijd in 1235 onder voogdijschap op, werd in 1247 door bemiddeling van Innocentius IV tot roomsch-koning gekozen en, nadat hij de rijksstad Aken bemachtigd had, aldaar in 1248 gekroond. Niet in staat om zijn gezag in Duitschland te handhaven, keerde hij in 1251 naar Holland terug en kwam kort daarna in oorlog met Margaretha van Vlaanderen (Zwarte Magriet), die door W.’s broeder Floris, bijgen. de Voogd, 4 Juli 1253 op Walcheren geheel verslagen werd. Kort daarna raakte hij in oorlog met de West-Friezen, behaalde in Npord-Holland een overwinning, doch zakte onder de vervolging bij Hoogwoude met zijn paard door het ijs en werd toen omgebracht (21 Jan. 1256).
3) W. III, de Goede, uit het huis van Henegouwen, 1304—37, sloot 1423 een verdrag met den graaf van Vlaanderen, Bodewijk I van Nevers, waarbij Lodewijk van de leenhulde afzag van Zeeland bewesten de Schelde en W. van de aanspraak op het land van Aalst, Maas en de vier ambachten, waardoor sedert de graaf van Holland tevens graaf van Zeeland werd.
4) W. IV, zoon v. d. vorige, 1337—45, ondernam onderscheidene krijgstochten, o. a. tegen de heidensche Pruisen en Litauërs, en kwam door de Friezen verslagen, bij Stavoren om.
5) W. V, uit het beiersche huis, zoon van keizer Lodewijk van Beieren, voerde eerst als stedehouder van Margeretha den titel van Verbeider, totdat na langdurige twisten Margaretha in 1354 Holland, Zeeland en Friesland aan hem afstond. Hij werd in 1357 ongeneeslijk krankzinnig en overl. in 1389.
6) W. VI, te voren W. van Oostervant, 1404 —17, richtte een staand leger op. Door den oorlog, dien hij tegen Jan van Arkel en diens zoon Willem voerde, kwam in 1412 Gorinchem aan Holland. Hij liet bij zijn dood een dochter na, Jacoba van Beieren.
7) W. I, graal van Nassau, prins van Oranje, zoon van Willem den Rijke, graaf van Nassau-Dillenburg (overl. 1559) en van Juliana Prins Willem B van Stolberg, geb. 25 April 1533 op het slot Dillenburg in het Nassausche, trad als page in dienst van keizer Karel V, werd door diens zuster Maria in het kath. geloof opgevoed en won dermate ’s keizers gunst, dat hem reeds in zijn jongelingsjaren belangrijke zendingen werden toevertrouwd. In 1544 erfde hij van zijn neef René het vorstendom Oranje, en in 1555 werd hem het stadhouderschap in Holland, Zeeland en Utrecht opgedragen. In deze hoedanigheid verzette hij zich met kracht tegen de maatregelen door den spaanschen koning Philips II (keizer KareFs opvolger in de grafelijke waardigheid over Holland en Zeeland, en in het opperbewind over de overige nederlandsche provinciën) ter onderdrukking der godsdienstige en burgerlijke vrijheid genomen. Nadat de landvoogdes Margaretha ontslagen en Alva algemeen landvoogd geworden was en den bloedraad had ingesteld (1567), werd ook W., die naar Dillenburg was uitgeweken, voor dezen gedaagd en, toen hij niet verscheen, in den ban gedaan. Zijn 13jarige zoon Philips Willem, graaf van Buren, werd te Leuven opgelicht en als gijzelaar naar Spanje gezonden. W. greep nu naar de wapens. Hij trachtte tevergeefs Alva bij Maastricht uit zijn verschansingen te lokken, moest zijn troepen afdanken en keerde naar Duitschland terug (1568). Nadat Brielle door de Watergeuzen was ingenomen en vele steden zich voor de vrijheid verklaard en bezettingen van den prins ingenomen hadden, werd W. in 1572 door de vergadering te Dordrecht als gouverneur-generaal en als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht erkend. In 1573 ging hij tot den hervormden godsdienst over. Op zijn voorstel kwam in Nov. 1576 de pacificatie van Gent tot stand. Toen de nieuwe spaansche landvoogd, don Jan van Oostenrijk, den schijn aannam van milder dan Alva op te treden, bij het in Febr. 1577 gesloten eeuwige edict de pacificatie bekrachtigde en het vertrek der vreemde troepen beloofde, weigerde W. met Holland en Zeeland dit edict te onderteekenen, en toen de toezeggingen van den nieuwen landvoogd niet ernstig bleken, nam de macht van W. spoedig zeer toe. Utrecht sloot zich bij hem aan, en hij werd ruwaard van Brabant. Nadat, door zijn toedoen, de aartshertog van Oostenrijk Matthias door de Algemeene Staten in 1578 tot landvoogd benoemd was, kreeg W. den titel van luitenant-generaal en bestuurde de staatsaangelegenheden. Na het optreden van Alexander Farnese, hertog van Panna, als landvoogd, werd in Jan. 1579 de Unie van Utrecht gesloten. W. teekende haar in Mei. Juni 1581 werd de ban van koning Philips over W., waarbij een prijs van 25.000 gouden kronen, benevens de belofte van adelbrieven, op zijn hoofd gesteld werd, in de Nederlanden afgekondigd. W. beantwoordde dezen ban met een merkwaardige Apologie, en 26 Juli 1581 zwoeren de Algemeene Staten Philips plechtig af. Holland en Zeeland droegen aan W., de overige staten aan Frans van Anjou het oppergezag op. Nadat er reeds vijf aanslagen op het leven van W. mislukt waren, werd hij 10 Juli 1584 te Delft door Balthazar Gerards met een pistoolschot vermoord. In hem verloor Nederland den man, die de ziel was van het verzet tegen de spaansche onderdrukking, die aan dapperheid en krijgsbeleid, een buitengewone scherpzinnigheid en bedachtzaamheid paarde, en van het nageslacht den bijnaam kreeg van „de Zwijger7'. In 1609 hebben 's Lands staten in de Nieuwe keik te Delft een graftombe voor hem geplaatst en te 's Gravenhage heeft koning Willem II op het Plein een ruiterstandbeeld voor hem laten oprichten. W. is vier maal gehuwd geweest; zijn eerste vrouw, Anna van Egmond, gravin van Buren, schonk hem een dochter en een zoon, welke laatste jong stierf; het tweede huwelijk, met Anna van Saksen, de moeder van prins Maurits, werd door echtscheiding ontbonden; uit het derde huwelijk, met Charlotte van Bourbon, werden zes dochters geboren; zijn vierde vrouw, Louise de Coligny, schonk hem o. a. Frederik Hendrik.
8) W. II, stadhouder van alle gewesten, behalve van Friesland, kleinzoon van den vorige, zoon van prins Frederik Hendrik, geb. 1626 te ’s Gravenhage, volgde zijn vader als stadhouder op. Weldra ontstonden, wijl omtrent verschillende zaken in sommige provinciën en door onderscheidene steden voor of tegen den prins partij getrokken werd, botsingen, vooral met Amsterdam, dat zeer tegen den stadhouder ijverde. Op de weigering dier stad om den prins, afgevaardigde der Algemeene Staten, als zoodanig te woord te staan, zond hij een krijgsmacht af om Amsterdam in te nemen. Na een beleg van weinige dagen werd een soort van schikking getroffen. W. overl. nog in hetzelfde jaar, Nov. 1650.
9) W. III, zoon van den vorige en van Marie Henriette, dochter van koning Karel I van Engeland, geb. 14 Nov. 1650. Zijn vader was een week voor W.’s geboorte overleden, zijn moeder stierf in 1661; zijn grootmoeder, Amalia van Solms, voedde hem op. Hij had in zijn jeugd geen vooruitzicht om zijn vader in diens waardigheden te zullen opvolgen, daar het beginsel van stadhouderloosheid en bepaalde uitsluiting van Oranje door 5 pro- vinciën was aangenomen en de twee overigen, Groningen en Friesland, Willem Frederik tot stadhouder hadden aangesteld. Maar toen in 1672 het land gevaar liep, de buit te worden van Bodewijk XIY, werd de jeugdige, maar in het krijgswezen zeer ervaren W. eerst kapitein-generaal, later stadhouder. Met groote inspanning bracht hij in korten tijd een leger op de been en deed door moed en krijgsbeleid de Franschen het land ruimen, terwijl ook de 1 Nijmeegsche vrede grootendeels zijn werk was. Kort voor den vrede trad W. in het huwelijk met de engelsche prinses Maria, hetwelk aanleiding gaf dat hij, nadat zijn schoonvader, koning Jacobus II, verjaagd was, in 1688 met zijn gemalin naar Engeland overstak, waar zij in 't begin van 1689 tot koning en koningin werden uitgeroepen. Nadat hij den onttroonden koning Jacobus, die in Ierland geland was, verdreven had, ging hij in 1691 naar de Nederlanden, om aan den. oorlog tegen Frankrijk deel te nemen, dien hij met afwisselend geluk voerde en die met den vrede van Rijswijk in 1697 eindigde, waarbij W. door Lodewijk XIV als koning van Engeland erkend werd. Maria stierf 28 Dec. 1694; hij zelf overleed in 1702, te midden van toerustingen tot deelneming aan den spaanschen successieoorlog tegen Frankrijk. W., met wien de mannelijke nakomelingschap van prins Willem I uitstierf, had zich tot levenstaak gesteld, het bolwerk te zijn van Europa tegen de heersehzucht van Bodewijk XIV, en van het protestantisme tegen Rome.
10) W. IV, Karel Hendrik Friso, prins van Oranje, eerste stadhouder van alle nederl. gewesten. Hij werd, na het ongelukkig omkomen van zijn vader Jan Willem Friso bij den Moerdijk, 1 ,Sept. 1711 te Beeuwarden geb. en verkreeg, onder voogdijschap zijner moeder Maria Bouise van Hessen, het stadhouderschap van Friesland. Reeds in 1718 werd hij tot stadhouder van Drenthe en Gelderland gekozen, maar eerst in 1747, toen het dreigen van een oorlog met Frankrijk ten tweeden male een einde maakte aan het stadhouderloze tijdperk, werd hij, hoewel niet dan na onderscheidene volksbewegingen, tot erfstadhouder over alle gewesten en kapiteingeneraal aangesteld. Kort daarop overl. hij te 's Gravenhage, Oet. 1751. Hij was gehuwd met Anna, dochter van George II van Engeland.
11) W. V, geb. 1748, zoon en opvolger van den vorige, aanvaardde, nadat zijn moeder Anna als gouvernante en voogdes het bewind gevoerd had, in 1766 zelf het stadhouderschap. In zijn eerste regeeringsjaren stond hij zeer onder den invloed van den hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel, die bij een deel van het volk gehaat was. Hij bleek niet opgewassen tegen de binnenlandsche woelingen en verloor tijdelijk zijn waardigheden, totdat hij bij de omwenteling van 1787 door tusschenkomst van Pruisen daarin hersteld werd. Bij den inval der Franschen triomfeerde de anti-stadhouderl. partij opnieuw; W. was genoodzaakt zich met zijn gezin te Scheveningen op een visscherspink in te schepen (18 Jan. 1795) en de wijk te nemen naar Engeland, waar hij tot 1800 bleef. In 1802 kreeg hij, tot schadeloosstelling voor het afstand doen van de regeering over de Nederlanden, Fulda, Corvey, Weingarten en Dortmund, welke landen hij aan zijn oudsten zoon afstond. Hij overl. te Brunswijk in 1806. Hij was gehuwd met Frederika Sophia Wilhelmina, dochter van prins August Willem van Pruisen.
12) W. I Frederik, koning der Nederlanden, geb. 24 Aug. 1772 te ’s Gravenhage, zoon van den vorige, huwde in 1791 met prinses Frederika Louisa Wilhelmina van Pruisen, moest in 1795 met zijn ouders naar Engeland uitwijken, ging al spoedig naar Berlijn en begaf zich vervolgens naar Silezië, waar hij bezit nam van aanzienlijke, door hem aangekochte goederen. Na de zonder resultaat afgeloopen landing van een engelsch-russisch legerkorps in Noord-Holland, in 1799, wijdde hij zich geheel aan die bezittingen in Duitschland, welke hem als schadeloosstelling, onder den hoofdtitel vorst van Fulda, waren toegewezen. Van zijn duitsche bezittingen beroofd, leefde hij later op zijn goederen in Polen, trad in 1809 in oostenrijkschen dienst en vestigde zich na den slag van Wagram in Engeland, waar hij zich bevond, toen in Nov. 1813 Nederland, het fransche juk afschuddende, hem tot souvereinen vorst uitriep. In het land gekomen, aanvaardde hij het bewind onder voorbehoud eener constitutie. In 1814 werd hij door de tegen Napoleon verbonden mogendheden tot gouverneur-generaal der Oostenrijksche Nederlanden aangesteld, en in 1815 werden de noordelijke met de zuidelijke Nederlanden tot één koninkrijk verheven, waarover W. tot 1830 regeerde. De zuidelijke gewesten vielen in 1830 af (zie België, geschiedenis); van toen af regeerde W. alleen over de noordelijke provinciën, het nieuwe koninkrijk der Nederlanden. Kort na het beëindigen der geschillen met België, deed hij afstand van den troon (Oct. 1840), ten behoeve van zijn oudsten zoon (zie den volgende). Hij overl. 12 Dec. 1843 te Berlijn, na in 1841 morganatisch te zijn hertrouwd met de kath. gravin d’Oultremont.
13) W. II Frederik George Lodewijk, koning der Nederlanden, geb. 6 Dec. 1792 te ’s Gravenhage, ging bij de uitwijking van het huis Oranje in 1795 mede naar Engeland, bezocht de militaire academie te Berlijn en de hoogeschool te Oxford, en werd luitenantkolonel en aide-de-camp bij het engelsche leger. 1811—13 was hij adjudant van Wellington, maakte diens veldtocht op het Pyreneesche schiereiland mee, en onderscheidde zich bij verschillende gelegenheden (CiudadRodrigo, Badajoz, Salamanca, Vittoria enz.). In Dec. 1813 kwam hij in Nederland aan en werd tot generaal-en-chef en inspecteurgeneraal van alle wapenen van het nederl. leger en der op te richten nationale militie benoemd. Eerst in het voorjaar van 1814 kon men een toonbare krijgsmacht te velde brengen, waarover de prins het opperbevel aanvaardde, doch de krijgsverrichtingen bepaalden zich tot een verkenning van Bergen-op-Zoom. In Aug. 1814 aanvaardde hij, tot engelsch generaal benoemd, het opperbevel over de engelsche troepen in België. Bij den terugkeer van Napoleon van Elba gaf hij het opperbevel over de geallieerde troepen in België over aan lord Wellington en kreeg daarop het bevel over het eerste legerkorps, onderscheidde zich bij Quatre-Bras en bij Waterloo en werd in den laatsten slag door een geweerkogel in den linker arm getroffen. De Staten-Generaal schonken hem daarvoor het domein van Soestdijk, een paleis te Brussel en het domeinpark van Tervueren. In het laatst van 1815 door den czaar tot een bezoek in Rusland uitgenoodigd, trad hij daar in Febr. 1816 in het huwelijk met de grootvorstin Anna Paulowna. Toen 25 Aug. 1830 de belgische opstand uitbrak, begaf hij zich dadelijk met zijn broeder, prins Frederik, naar Antwerpen met een zending des konings om de wenschen der opstandelingen aan te hooren, doch zonder volmacht om inwilliging toe te zeggen. De prins van Oranje trok daarop, van zijn staf vergezeld, Brussel binnen en hield bij het stadhuis een toespraak tot het volk, maar door het kwetsen van een burger door een slag van zijn paard werd de verbittering van het volk gaande gemaakt en de prins liep groot gevaar, door de woedende volksmenigte te worden onder den voet geloopen, doch redde zich door de vlucht. In het paleis te midden zijner troepen had hij nu samenkomsten met de aanzienlijksten van de stad. Hij had beloofd de verzoeken der Belgen aan zijn vader over te brengen en uitte de hoop, spoedig te zullen terugkeeren met voldoende berichten. In die hoop vond hij zich echter bedrogen. In Oct. werd hem opgedragen om tijdelijk in Js konings naam het bestuur waar te nemen over al die gedeelten der zuidelijke gewesten, waar het grondwettig gezag erkend werd. Hij vertrok naar Antwerpen en gaf aldaar een kaimeerend manifest uit, dat in Noord-Nederland veel ergernis wekte, en toen hij in een procdamatie van 16 Oct. de onafhankelijkheid van België erkende, keurde de koning openlijk en plechtig zijn handelingen af en werd de opdracht, aan den prins gedaan, vervallen verklaard. De prins, zag zich in de noordelijke provinciën zeer koel ontvangen. Hem werd door den koning een zending naar Londen opgedragen, die ten doel had een tegenomwenteling in België uit te lokken, doch geheel mislukte. De koning benoemde hem 29 Juli 1831 tot opperbevelhebber der krijgsmacht, die gereed stond om België binnen te rukken. In den tiendaagschen veldtocht, 2—12 Aug., versloeg hij de beide belgische legers; het eene bij Hasselt (8 Aug.), het andere bij Leuven (12 Aug.). Toen een fransch leger onder Gérard België binnentrok, moest de prins voor de overmacht wijken. Bij zijn terugkeer in het land werd hij tot veldmaarschalk verheven. Tot het sluiten van den vrede met België in 1839 hield de prins als opperbevelhebber van het leger te velde zijn hoofdkwartier te Tilburg en werd daarna aan het hoofd van de militaire aangelegenheden des rijks geplaatst. Toen Willem I 7 Oct. 1840 afstand deed van de kroon, volgde de erfprins hem als W. II op, en werd 28 Nov. in de Nieuwe kerk te Amsterdam ingehuldigd. Hij aanvaardde de regeering in een moeilijk tijdperk. Het volk, ongerust door den jammerlijken toestand der schatkist, was algemeen overtuigd, dat er verandering moest komen, en een herziening der grondwet werd het eenige middel hiertoe geacht. De koning was van een ander gevoelen, doch op den aanhoudenden aandrang werd de grondwetsherziening ten slotte door hem toegezegd (1847), en in Maart 1848 werd een commissie benoemd om met overweging van de wenschen der Tweede kamer een volledig ontwerp van grondwetsherziening voor te dragen. Dit werd aangenomen en 14 Oct. 1848 afgekondigd. W. II overl. 17 Maart 1849 te Tilburg. Vergel. J. Bosscha, Belleren van Willem den Tweede, honing der Nederlanden en groothertog van Luxemburg (1852). Van zijn kinderen overleefden hem: koning W. III (zie den volgende), prins Hendrik, prinses Sophia (1824—97, 1842 gehuwd met groothertog Karel Alexander van Saksen-Weimar).
14) W. III, Alexander Paul Frederik Lodewijk, koning der Nederlanden en groothertog van Luxemburg, geb. 19 Febr. 1817 te Brussel, zoon van den vorige en diens gemalin Anna Paulowna, grootvorstin van Rusland; kwam bij den dood zijns vaders in Maart 1849 aan de regeering; Juni 1839 was hij gehuwd met Sophie (geb. 17 Juni 1818, overl. 1877, dochter van koning Willem van Württemberg), die hem drie zoons schonk: Willem (1840— 79), Maurits (1843—50) en Alexander (1851— 84); uit zijn tweede huwelijk, Jan. 1879 gesloten met Emma (zie ald.), prinses van Waldeck en PjTinont, werd een dochter geboren, Wilhelmina (zie ald.). W. regeerde naar de beginselen der constitutie en van het parlementarisme, hoewel deze weinig met zijn persoonlijke neigingen en sympathieën overeenstemden. In 1889 maakte een zware ziekte des konings het instellen van een regentschap noodzakelijk; in Mei van dat jaar was hij in zooverre hersteld, dat hij zelf weer de regeering in handen kon nemen; weldra echter stortte hij weer in, en overl. na een langdurig lijden, 23 Nov. 1890 op het Loo. Hij werd in Nederland opgevolgd door zijn dochter, in Luxemburg door Adolf (zie ald.) van Nassau.



Duitsche keizers:



15) Wilhelm I Friedrich Ludwig, duitsch keizer en koning van Pruisen (1861—88), geb. te Berlijn 1797, overl. aldaar 1888, tweede zoon van koning Friedr. Wilhelm III en koningin Louise, beleefde in zijn jeugd droevige tijden toen Pruisen aan de voeten van den overwinnenden Napoleon lag. In 1813 en 1814 nam hij deel aan den oorlog tegen Frankrijk; in 1840 werd hij bij het overlijden van zijn vader aangewezen om zijn kinderloozen broeder Friedrich Wilhelm IV eventueel op te volgen en oefende als zoodanig veel invloed op den loop van zaken, een invloed welken hij aanwendde om de conservatieve beginselen zooveel mogelijk te verdedigen, wat hem vooral te Berlijn den haat van velen op den hals haalde. In 1848 week hij dan ook uit naar Londen, doch keerde na eenige maanden terug, aanvaardde met den koning de constitutie, door de pruisische Kamer aangenomen, maar bedwong aan het hoofd van pruisische troepen de ernstige onlusten in Baden. In 1857 werd de koning zoo ernstig ziek, dat het volgend jaar het regentschap aan W. moest worden opgedragen. In 1861 beklom hij bij den dood zijns broeders den troon en begon aanstonds aan zijn geliefkoosd plan, de hervorming van het leger, met kracht te arbeiden. In drie achtereenvolgende oorlogen (tegen Denemarken 1864, tegen Oostenrijk 1866, eindelijk tegen Frankrijk 1870—71, zie Duitschland) bleef Pruisen telkens de overwinnaar. 18 Jan. 1871 werd hij te Versailles tot keizer van Duitschland uitgeroepen. Hij versterkte den minister-president van Pruisen, von Bismarck, in diens machtige positie door hem tot kanselier van het nieuwe rijk te verheffen (zie Duitschland), sloot in 1873 met de keizers van Oostenrijk en Rusland den „driekeizersbond” tot behoud van den vrede; verbond zich in 1879 nauwer aan Oostenrijk en bracht in 1883 met deze mogendheid en Italië de „triple-alliantie” tot stand. Met Bismarck’s anti-katholieke staatkunde stemde hij niet geheel in, wel met diens sociale politiek. Tot tweemaal toe werd op W. na zijn kroning tot keizer een aanslag gepleegd, door Hoedel en door Nobiling, doch zonder ernstige gevolgen. In zijn ministers von Bismarck en von Rhoon en in zijn chef van den generalen staf von Moltke had W. het geluk zeer bekwame mannen te bezitten, die onder zijn regeering Pruisen aan het hoofd van Duitschland brachten en het daarna een der eerste plaatsen, zoo niet de eerste, onder de mogendheden verschaften. Hij zelf muntte niet uit door groote geestesgaven, wel echter door sterk ontwikkeld p.ichtsgevoel en daarmede gepaard gaande arbeidzaamheid en stiptheid. In 1829 huwde hij met Augusta van Saksen-Weimar, die hem twee kinderen schonk: Friedrich Wilhelm, later keizer -Frederik III, en Louise, die met den groothertog van Baden huwde. W. was van een krachtige gestalte, hield niet van praal, was een minnaar van goede muziek en evenals vele leden van zijn geslacht een militair in zijn hart.
16) W. (Wilhelm) II Friedrich Viktor Albert, duitsch keizer en koning van Pruisen (1888—heden), geb. te Berlijn 1859, zoon van keizer Frederik III en keizerin Victoria, ontving zijn eerste militaire opleiding van generaal Stolberg, bezocht daarna het Lycaeum Fredericianum te Cassel en kwam in 1877 aan de hoogeschool te Bonn; in hetzelfde jaar werd hij tot luitenant bevorderd. Na den dood van zijn vader in 1888 volgde hij dezen als koning van Pruisen en duitsch keizer op, verving veldmaarschalk von Moltke als chef van den generalen staf door graaf Waldersee en noodzaakte von Bismarck hem zijn ontslag aan te bieden (1890). Tot diens opvolger benoemde hij generaal von Caprivi, die later werd vervangen door vorst von HohenloheSchillingfürst, wiens plaats weder werd ingenomen door graaf von Bülow. Zie ook bij Duitschland, geschiedenis. In 1880 huwde hij met Augusta Victoria van Augustenburg; kinderen: kroonprins W. (geb. 1882), prins Eitel Friedrich (1883), prins Adalbert (1884), prins August Wilhelm (1887), prins Oskar (1888), prins Joachim (1890), prinses Victoria Louise (1892). .



Baden

17) W. Ludwig August, markgraaf van Baden, tot 1817 graaf van Hochberg, geb. 1792, tweede zoon van groothertog Karl Friedrich en gravin ïïochberg, voerde 1812—13 onder Napoleon de badensehe contingenten aan, capituleerde .19 Oct. bij Leipzig, bestuurde 1814 de blokkade van de vestingen in den Elzas, werd 1825 kommandant van het badensche legerkorps en overl. 1859; schreef: Denkwiirdigkeiten aas den Feidziiqcn 1809—1815 (1864). '

18) W. Ludwig August, prins van Baden, geb. 1829, was in pruisischen dienst generaal der artillerie, had 1866 in den veldtocht van de Main het opperbevel over de badensche divisie, voerde in 1870 de 1ste badensche brigade infanterie aan, was 1871—73 lid van den duitschen Rijksdag, en overl. 1897.



Beieren

19) W. IV, hertog van Beieren, geb. 1493, zoon van Albrecht IV, volgde dezen in 1508 op en kwam in 1511 aan de regeering, die hij aanvankelijk moest deelen met zijn broeder Ludwig; hij was een tegenstander van de hervorming; overl. 1550.



Brunswijk

20) W. August Ludwig Max Friedrich, hertog van Brunswijk, geb. 1806, tweede zoon van den op 16 Juni 1815 bij Quatre-Bras gevallen hertog Friedrich Wilhelm; hij verkreeg in 1824 het vorstendom Ols in Silezië, en aanvaardde, na zijn broeder Karl te hebben verdreven, in 1830 de regeering; in 1867 sloot hij zich aan bij den Noordduitschen Bond; hij stierf, ongehuwd, in 1884; met hem stierf het huis Brunswijk uit. Zijn particulier vermogen vermaakte hij aan den hertog van Cumberland, het slot Sibyllenoord aan den koning van Saksen.



Engeland en Groot-Britannië:


21) W. I de Veroveraar, geb. 1027, natuurlijke zoon van hertog Robert II van Normandië, volgde hier in 1037 zijn vader op, en stevende in 1066 met 60.000 krijgslieden naar Engeland, voorgevende door zijn pas overleden bloedverwant, den angelsaksischen koning Edward den Belijder, tot troonopvolger te zijn benoemd (zie Groot-Britannië, geschiedenis), versloeg 14 Oct. van dat jaar den laatste der Saksische koningen, Harold, vernietigde daarop het angelsaksische rijk, verdeelde het land onder den normandischen adel, en stierf 1087 op een tocht tegen Parijs, te Rouaan. In 1086 had hij het Domesday-Book (zie ald.) laten samenstellen.
22) W. II de Roode, geb. 1056, zoon van den vorige en diens opvolger (1087) op den engelschen troon, overl. 1100.
23) W. III, zie boven, no. 9.
24) W. IV Henry, koning (1830—37), geb. 1765, derde zoon van George III, werd 1788 hertog van Clarence, 1827 groot-admiraal des rijks, en besteeg na den dood zijns broeders, George IV, den troon (1830); hij overl. 1837.



Hessen
, Landgraven en keurvorsten:

25 en 26) W. I en W. II, zonen van landgraaf Lodewijk II, regeerden eerst sedert 1471 onder voogdijschap hunner moeder Mathilde, maar i weldra maakte hun oom Hendrik III van HessenI Marburg zich meester van het regentschap.

Na diens dood in 1482 verdeelden de broeders het gebied; de eerste overl. in 1515, de laatste in 1509.

27) W. IV, kleinzoon van W. II en zoon van Philips den Grootmoedigen, 1567—92. landgraaf, was een beoefenaar der sterrenkunde; hij deed vele waarnemingen ter verbetering der sterrenlijsten en richtte in 1561 te Kassei een sterrenwacht op. Snellius gaf : een gedeelte zijner waarnemingen uit onder den titel: Coeli et siderum obserrationes (Leid. 1618).
28) W. IK, de laatste landgraaf, volgde zijn vader Frederik II in 1785 als landgraaf van Hessen op, na reeds sedert 1764 over het graafschap Hanau geregeerd te hebben. Hij deed veel tot verbetering van het school| en kerkwezen, liet prachtige gebouwen stichI ten, maar verkocht zijn onderdanen aan En! geland om aan den noordamerik. oorlog deel te nemen. Aan de oorlogen tegen Frankrijk nam hij tot 1795 deel, maar moest bij den vrede.van Bazel zijn bezittingen aan gene zijde van den Rijn aan Frankrijk afstaan, In 1803 i werd hij tot de keurvorstelijke waardigheid verheven, die hij als W. I aanvaardde. In 1806 ! werd hij door de Franschen verdreven, leefde toen te Praag, keerde in 1813 in zijn gebied terug en regeerde tot zijn dood in 1821.
29) W. II, eenige zoon van den vorige, geb. 1777, volgde zijn vader op en gedroeg zich als een autocraat. Zijn gemalin, prinses Auguste van Pruisen, verliet het hof, toen hij zijn minnares Emilie Orlöp uit Berlijn in 1821 tot gravin van Reichenbach, later van Lessonitz verhief. In 1830 moest hij concessies doen en zag zich in 1831 genoodzaakt om het regentschap aan zijn zoon op te dragen. Na den dood der gravin Lessonitz ging hij in 1843 een morganatisch huwelijk aan met Karoline, barones van Bergen, geb. von Berlepsch. Hij overl. in 1847 te Frankfort en werd opgevolgd door zijn zoon, den keurprinsregent, Frederik Willem I.

Lippe

30) W., graaf van Lippe-Schaumburg-Bückeburg, geb. 1724, kwam in 1748 aan de regeering, vocht in den 7-jarigen oorlog tegen de Franschen, aanvaardde 1762 het opperbevel over het portugeesche leger, en overl. 1777.



Mecklenburg

31) W., hertog van Mecklenburg, geb. 1827, tweede zoon van groothertog Paul Friedrich, 1865 gehuwd met prinses Alexandrina van Pruisen, voerde 1870/71 de 6de divisie kavalerie aan en overl. 1879.



Meissen

32) W. III de Dappere, markgraaf van Meissen, geb. 1425, zoon* van Friedrich den Strijdbare, verkreeg 1445 Thüringen, voerde 1446—51 met keurvorst Friedrich den Zachtmoedige den dusgenaamden saksischen broederkrijg; hij overl. zonder mannelijke nakomelingen, 1482.



Oostenrijk

33) W., aartshertog van Oostenrijk, geb. 1827, derde zoon van aartshertog Karel, in 1862 gouverneur van Mainz, 1866 bevelhebber der artillerie en bij Königgratz gewond; overl. 1894.



Pruisen

W. I en II, koningen van Pruisen en duitsche keizers, zie boven, no. 15 en 16.

34) W. Friedrich Karl, prins van Pruisen, broeder van koning Friedrich W. III, geb. 1783, onderscheidde zich van 1813—15 als veldheer, vooral in den vestingoorlog. Hij overl. in 1851 als gouverneur-generaal van Mainz. Sedert 1804 was hij gehuwd met Maria Anna, dochter van den landgraaf van HessenHomburg, bij wie hij twee zonen had, Adalbert en Waldemar, en twee dochters.



Württemberg

35) W. I, koning van Württemberg, geb. 1781, zoon van Friedrich I, eerst hertog, later koning van Württemberg, verwierf zich in de veldtochten tegen Napoleon, 1813—15, den naam van een uitstekend veldheer. Als koning huldigde hij een vrijzinnige staatkunde, gaf aan zijn volk in 1819 een constitutie, weigerde in 1849 standvastig deel te nemen aan het oprichten van een pruisisch-duitschen bond, en was een tegenstander van de hegemonie van Pruisen. Na een langdurige regeering overl. hij te Stuttgart in 1864. Na zich van zijn eerste gemalin, Karoline Auguste van Beieren, te hebben laten scheiden, huwde hij na den dood (1819) zijner tweede echtgenoote (grootvorstin Katharina van Rusland) in 1820 met zijn nicht Pauline van Württemberg. Hij werd opgevolgd door zijn uit het derde huwelijk gesproten zoon

36) W. II, koning van Württemberg (1891 —heden), geb. 1848, zoon van prins Friedrich (1808—70), volgde 1891 zijn oom, Karel I, op in de regeering; 1877 gehuwd met prinses Marie van Waldeck, die hem hetzelfde jaar een dochter schonk en in 1882 overl.; 1886 hertrouwd met prinses Charlotte van Schaumburg-Lippe, welk huwelijk kinderloos bleef. Vermoedelijke troonopvolger is hertog Albrecht van Württemberg, zoon van hertog Philipp van Württemberg van de hertogelijke (kath.) linie.
37) W. Nikolaus, hertog van Württemberg, geb. 1828 in Silezië, zoon van hertog Eugen, maakte als oostenrijksch generaal de oorlogen van 1864, 1866 en 1878 (in Bosnië) mede, ging 1891 in württembergschen dienst over en overl. 1896.

Voorts vermelden wij nog:

38) W., graaf van Nassau, veldmaarschalk der Ver. Nederlanden, geb. 1591, zoon van Jan van Nassau en Magdalena, gravin van Waldeck, nam in Vlaanderen verschill. sterkten in, onderscheidde zich bij het beleg van Maastricht (1633), deed echter door zijn noodelooze vlucht Frederik Hendriks aanslag op Antwerpen mislukken, en overl. in 1642 aan de gevolgen van een kneuzing, die hij kort tevoren bij het beleg van Gennep ontvangen had.
39) W. Frederik, graaf van Nassau, zoon van den frieschen stadhouder Ernst Casimir, geb. 1618, werd 1641 stadhouder van Friesland, 1651 ook van Groningen en Drenthe; onderscheidde zich in staatschen krijgsdienst; was gehuwd met Albertina Agnes, tweede dochter van Frederik Hendrik; hij overl. in Oct. 1654, kort nadat hij door den keizer in den vorstenstand was verheven.
40) W. Lodewijk, graaf van Nassau, zoon van Jan, graaf van Nassau-Dillenburg (een broeder van prins Willem I), geb. 1560, nam van 1580 af deel aan de krijgsbedrijven in de Nederlanden, werd tot stadhouder van Friesland benoemd, in 1594 ook van Groningen en de Ommelanden, en overl. 1620, zonder I kinderen na te laten.