Gepubliceerd op 14-03-2021

Vlas

betekenis & definitie

Linum L., plantengeslacht der fam. Linaceae, kruiden met afwisselende, smalle, gaafrandige bladeren en met bloemen, die bestaan uit 5 kelkbladen, 5 kroonbiaden, 5 normaal ontwikkelde en 5 rudimentaire (staminodiën), meeldraden en een 5-hokkig vruchtbeginsel met 5, gewoonlijk met elkaar vergroeide, stempels.

De vrucht is een 5-hokkige doosvrucht. Van de 80, meest in de warmere streken verspreide soorten is de belangrijkste:L. usitatissimum L., het gewone blauwbloemige vlas (zie plaat Gruinalen, fig. 1). De bastvezels worden gebruikt ter vervaardiging van linnen en de zaden ter bereiding van lijnolie en lijnkoeken. Men onderscheidt twee variëteiten: L. crepitans, met korte, rijkvertakte stengels en zaaddoozen, die van zelf openspringen en L.vulgare, met ½—1 M. hooge, weinig vertakte stengels, kleinere bladeren en bloemen en niet openspringende zaaddoozen. De eerstgen. variëteit dient vooral voor het winnen van lijnzaad, de laatste voor het verkrijgen van de bastvezels. Oorspronkelijk stammend uit Midden-Azië, verspreidde de vlasplant zich in de oudheid over verschillende landstreken in het Oosten en langs de N.kust van Afrika, vanwaar ze over Italië in Europa kwam,

Vlas wordt dicht gezaaid, om vertakkingen tegen te gaan en langere stengels te verkrijgen, welk zaaien plaats heeft in de maanden Maart—Mei. Het oogsten volgt 12—14 weken later. Wordt het uitsluitend verbouwd voor het verkrijgen van spinvlas, zoo komt de plant niet tot volledigen wasdom, maar wordt uitgetrokken, zoodra de stengel onderaan geel begint te worden. Wèl is dan het zaad niet geheel rijp, doch voldoende voor het uitpersen van olie. Bij volledig rijpen der zaden boet de vezel aan kwaliteit in. Na het drogen op het veld worden de zaadbolle tjes verwijderd door het trekken van de stengels door ©ene kam (repelen). Hierop volgt het isoleeren van de bastvezel van de houtige stengels, door z.g. rooting, d. i. een gistingsproces ter verwijdering van lijm- en eiwitachtige bestanddeel« n, waardoor de houtdeeltjes zeer gemakkelijk van de vezel loslaten.

Men onderscheidt verschillende wijzen van rooting:



a. In water.
Hiertoe wordt het vlas, in bundels, gebracht in slooten of kuilen met stilstaand of zwak stroomend water, waarin vooraf ©ene laag stroo is gelegd. Daaroverheen legt men wederom eene laag stroo met planken, die met steenen zijn bezwaard om de massa ondertehouden, zonder dat deze den bodem raakt. Spoedig treedt daarop gisting in onder vuil worden van het water en sterke ontwikkeling van koolzuur en rottingsgassen. Na ©enige dagen trekt men geregeld proefbundels uit om aan het loslaten der vezels te beoordeelen of het proces voldoende gevorderd is en zorgvuldig te vermijden, dat het niet te ver wordt doorgedreven, in welk geval de vezel aangetast en de kwaliteit van het vlas verminderd zou worden. De rooting duurt 10—15 dagen. Bijzonder geschikt voor rooting is het water van het riviertje de Lijs in België, waarheen zelfs vlas uit Ierland wordt aangevoerd, om het na deze bewerking weer daarheen te verschepen.



b. Op het land.
Men vindt deze wijze van rooting in streken met weinig water. Het vlas wordt daartoe in dunne lagen uitgespreid en blootgesteld aan de inwerking van de vochtige atmosfeer, daarbij dagelijks twee malen omgekeerd tot na 14—20 dagen de afscheiding der vezels voldoende blijkt.



c. Langs kunstmatigen weg.
Om het proces te versnellen, brengt men het vlas in houten of koperen kuipen met warm water, door stoombuizen verhit tot 32' Gels., waardoor de rooting in 60—70 uren geschiedt. Ook gebruikt men sterk verdunde zwavelzuuroplossingen met 3/4 % geconcentreerd zuur, in welk bad het vlas 6—7 dagen verblijft, onder sterke ontwikkeling van rottingsgassen.

De bewerkingen na het rooten zijn zuiver mechanische: het beuken of braken, d. is het verbrijzelen der houtdeeltjes, het zwengelen ©n het hekelen, ter afscheiding der vezelstof. Van deze laatste verkrijgt men uit 100 K.G. vlasstroo ongeveer 10 K.G. vlas, en 15 K.G. afval dat achter de hekelkam is blijven zitten, en den naam draagt van werk en gebruikt wordt voor mindere kwaliteit garens. De rest is waardeloos kaf. Voor het verspinnen van vlas zie: Spinnerij.

Goed bewerkt vlas is week, glad en lichtblond. Bruingele kleur wijst op te sterke rooting. Hierdoor ontstaan slechte garens.

Het beste vlas is het Vlaamsche, dat tot de fijnste garens wordt versponnen. Van bijna gelijke waarde is het Hollandscbe, Fransche en Iersche vlas, zoomede dat uit Finland. Verdere goede soorten zijn Archangeler-, Petersburger- en Danziger vlas. Met het oog op de productie, neemt Rusland de eerste plaats in. Daarop volgt Duitschland. Ook in ons land werd, vroeger meer dan thans, vlas verbouwd in Groningen, Zeeland, Friesland en de Noordhoilandsche Zeepolders.

De vlasvezel heeft eene lengte van 4—7 c.M., eene breedte van 0,05—0,15 m.M., en is gemakkelijk te isoleeren door verwarming in verdunde alkalische loogen. Chemisch is de vlasvezel samengesteld uit cellulose. De vorm is cylindrisch. Bij beschouwing onder het microscoop ziet men eigenaardige verdikkingen, alsof de vezel uit geledingen bestond, welke nog duidelijker aan den dag treden bij toevoeging van een weinig koperoxyd-ammoniak, waarin de vezel opzwelt en tenslotte geheel oplost.

In het wild groeit in Nederland: L. caIhartiCLUu L., een kleine plant met gaffelvormig vertakte stengels en kleine witte bloemen. Lenige uit heem sche soorten worden als sierplanten gekweekt, vooral L. grand if lorum D e s f., uit Algerië, met groote donkerroode bloemen.