Gepubliceerd op 14-03-2021

Taal

betekenis & definitie

in het algemeen: elke uiting van gedachten. Men onderscheidt naar de wijze waarop men aan anderen gedachten kenbaar maakt, drieërlei soort van taal: de gebarentaal (gedachtenuiting door middel van gebaren), spreektaal of spraak (gedachtenuiting door middel van gearticuleerde geluiden, door spreken dus) en schrijftaal (gedachtenuiting door middel van geschreven teekens).

In enger en zin noemt men taal den gezamenlijken voorraad woorden (spraakgeluiden met verstaanbare beteekenis) van een volk. Alle talen zijn hoofdzakelijk ontstaan uit ’s menschen natuurlijke aandrift om te uiten wat in zijn binnenste omgaat. Men spreekt van levende en doode talen, al naar een taal nog bij een volk in het dagelijksch verkeer gebezigd wordt, of niet. De wetten op te sporen, volgens welke de talen zich hebben ontwikkeld, geworden zijn wat ze zijn, is de taak der taalwetenschap (linguistiek), terwijl tot het terrein der taalkunde of spraakkunst (grammatica) al datgene behoort wat noodig is om een taal zuiver te spreken en te schrijven.Overzicht van de Taalstammen:

I. Éénlettergrepige talen in Zuidoost-Azië. (Indo-Chineesche taalstam).

Chineesch met zijn dialecten, Siameesch, Sjan, Birmaansch, Tibetsch en de nog onvoldoend onderzochte Ilimalaja-talen. De taal bestaat uit éénlettergrepige wortels, welke zich tot geenerlei vormverandering leenen; elke wortel kan in den volzin alle redeelen uitdrukken: de beteekenis is afhankelijk van de plaats in den zin.

II. Maleisch-Polynesische talen, wier gebied zich uitstrekt over Madagaskar, den ganschen Ind. archipel, de Philippijnen, Formosa, Malakka, deelen van Siam en Nieuw-Guinea, en al de eilanden van den Grooten oceaan bezuiden 25° N.B. Splitsen zich geographisch, schoon niet genetisch, in drie groepen:

1. Westelijk-Maleisch-Polynesische talen, waartoe behoort het malei-seh in eigenlijken zin, de moedertaal op Oost- en Midden-Sumatra, aan weerskanten van de Chineesche Zee (op Oost-Malakka en West- en Noord-Borneo), op de eilanden tusschen Java, Sumatra, Borneo en Malakka, op de kusten van Oost-Borneo en te Batavia en omstreken; verkeerstaal is het in alle kuststreken van den Indischen archipel en als ingevoerde taal heeft het bovendien een groote verbreiding erlangd in de Molukken en in de Minahasa. De aan het maleisch het naast verwante talen zijn het Javaanseh met het üudjavaansch (Kaïci), Soendanceschj Madocrersch; op Sumatra: Atjehsch, Bataksch, Niasch, Menlaweisch, Redjangsch, Lampongsch, op Bali, Lombok: Balineesch, Sasaksch, de talen aller meer ooistelijk gelegen eilanden, op Z.-Celebes: Makassaarsch en Boegineesch, de talen van N. Celebes en de Sangir-eilanden, op Borneo: Bandjareesch en N gadjoe-Dajaksch, op de Philippijnen: Tagaalsch, Bisajasch, Bikol, Iloko enz., op Madagaskar: het Eoewa, enz.
2. Mélanesische talen, die der Nieuwe Hebriden, Banks-, Torres-, Fidsji- en Salomo’s eilanden, enz.
3. Polynesische talen, op Nieuw-Zeeland (Maori), Samoa, Tonga, Tahiti, Paaseheiland, enz. Al deze talen bezigen veel klinkers en weinig medeklinkers; de woorden zijn gewoonlijk meerlettergrepig. Het rijkst en welluidendst zijn wel het Javaansch, de eenigste Mal. Pol. taal, die uit eenige meer dan tien eeuwen oude oorkonden bekend is, en Maleisch; de laatste taal is bovendien zeer lenig, beknopt en gemakkelijk aan te leeren.

III. Drawidatalen in Zuid-Indië.

Hiertoe rekent men het Teloegoe en het Tamil, op de kust van Koromandel, de laatste ook op Ceylon, algemeen verbreid, het Kanareesch, Malayalam, Toeloesch a. d. kust van Malabar. De talen van eenige wilde zuidindische volksstammen behooren eveneens tot de Drawida-talen, terwijl het Brahoei een Drawidische onderlaag, overwoekerd door Iranische bestanddeelen, vertoont.

IV. Oeral-Altaïsche taalstam. Splitst zich in vijf groepen:

1. Finsch-ugrische groep, in Oost-Europa en Noord-Azië, omvattende:
a) Finsch (Suomi), Esthnisch, Lijflandsch, Laplandsch, Mordwinsch, Zyrjeensch, Wotjaksch, Permisch,
b) Ostjaksch-Wogoelsch en Magyaarsch (ugrische talen).
2. Samojeedsche groep, ten noorden en noordoosten der vorige groep, en vijf dialecten tellend.
3. Turksche groep, van Europeesch-Turkije af tot aan de Lena, met eenige onderbrekingen; omvat het Osmaansch of Tiirksch, Turkmeensch, Oezheksch, Jakoetsch enz.
4. Mongoolsche groep, de talen der Mongolen, Kalmukken en Burjaten.
5. Toengoesische groep, de talen der Toengoezen en Mandzjoes.

De grammaticale bouw dezer talen is uiterst eenvoudig; ieder woord bestaat uit een onveranderlijken wortel en een of meer achtervoegsels; deze laatste zijn zeer talrijk en vormen een middel om allerlei spraakkunstige betrekkingen uit te drukken; de in de achtervoegsels vervatte klinkers wijzigen zich naar den klinker in den wortel (klinkerharmonie).

V. Bantoe- of Zuid-afrik. taalstam.

Gebied, afgezien van eenige onderbrekingen in het zuiden, het zuiden van Afrika, westwaarts tot qngeveer 8° N.B., oostwaarts tot aan den evenhar en waarschijnlijk uitgestrekte doelen van het nog onbekende Midden-Afrika; splitst zich in d?ie groepen:

1. Oostelijke groep: de Kaffertalen (Kafir, Zoeloe), Zambezitalen (Kisoecheli, de belangrijkste taal van Oost-Afrika, enz.).
2. Middelste groep: a. Setsjoeana (Sesoeto, Serolong, Sehlapi) ; b. Tekeza (de talen der Mankolosi, Matongo, Mahloënga).
3. Westelijke groep: a. Herero-, Boenda-, Loanda-taal ; b. Kongo-, Mpongive-, Jsoeboe-, Adiya- (op Fernando Po), Duallataal (in Kameroen).

Deze taalstam kenmerkt zich door een zeer rijke en regelmatige flexie met voorvoegsels, lidwoorden en voornaamwoorden (bijna niet met achtervoegsels).

VI. Hamito-Semitische taalstam.

A. De Hamitische groep omvat:
1. De Libysche of Berber talen in Noord-Afrika.
2. De Aethiopische talen (Galla, Somali, Bedsja, Dankali, Saho, Falasja, enz.) van Zuid-Egypte tot aan de grenzen van den vorigen taalstam.
3. Het Oud-Egyptisch der egypt. monumenten en papyrusrollen, met het zeer na verwante, eveneens reeds uitgestorven Koptisch.
B. de Semitische groep splitst zich in:
1. Noordelijke afdeeling: het Assyrisch en Babylonisch der Spijkerinscripties; de Kanaanitische talen: het Hebrecuicsch met het Samaritaansch, het Phoenicisch met het Punisch ; de Arameesche talen: Chaldeeuivsch, Syrisch, Mandeesch, Palmyreensch.
2. Zuidelijke afdeeling: Arabisch, thans ook in Noord-Afrika verbreid en met den Islam steeds meer naar ’t zuiden van Afrika vooruitdringend, Himjaarsch, Aethiopisch, Amharisch, Tigreesch en Tigriha, Harrari.

A3 en BI, alsmede Aethiopisch en Himjaarsch zijn thans uitgestorven. Beide groepen hebben alleen eenige bijzonderheden in hun voornaamen telwoorden en betreffende het taalkundig geslacht gemeen. Voor het overige zijn de hamitische talen grammaticaal zeer weinig ontwikkeld, terwijl daarentegen de Semitische op een zeer hoogen trap staan.

VII. Indogermaansche taalstam;. 9 groepen of familiën (waarvan sommige nog wel weer vereenigd worden tot hoogere afdeelingen, als bijv. 1 en 2 tot den arischen tak, enz.) :

1. Indische familie. Uitgestorven zijn het Sanskrit, het Prdkrit en het Pâli; levende talen: Hindi en Hindostdni, bijna in geheel Noord-Indië verbreid, met vele dialecten, Panjabi aan den bovenloop, en Sindhi aan den benedenloop van den Indus, Marathi en Gujer at i in het presidentschap Bombay, Bengali, Kasjmiri in het noorden, waarschijnlijk ook het Singhaleesch in de zuidhelft van het eiland Ceylon, ten noorden van Indië het Kafir en het Darda, in Europa de aan deze beide idiomen na verwante taal der Zigeuners, die Indische landverhuizers zijn.
2. Iranische familie. Doode talen: Zend (Avestisch) of Oudbaktrisch, Oudperzisch der Spijkerinscripties, Pehlewï of Middelperzisch, Pâzend en Par si, waarschijnlijk ook de taal Scythen benoorden de Zwarte zee. Levende talen: Nieuwperzisch, Koerdisch, Beloedsji, Afghaansch of Pashtu, Ossetisch (in den Kaukasus).
3. Armeensch, van de 5de eeuw af bekend en sinds dien weinig veranderd.
4. Grieksche familie. Hiertoe behooren: de ouden nieuw-grieksehe dialecten; het nieuwgrieksch heeft ook de overhand op de zuidkust van Klein-Azië, op Kreta en op Cyprus*
5. Illyrische familie: het Albaneesch in Epirns.
6. Italische familie: Latijn, Umbrisch, Oskisch, allen in de oudheid; thans Spaansdi met Cataloonsch, Portugeesch, Italiaansch, Rumeensch, Fransch met Provencaalsch, Raetoromaansch.
7. Keltische familie: Kymrisch in Wales en Bretonsch in Bretagne, benevens het uitgestorven Cornisch in Cornwallis; Gaelisch in Ierland, in het Schotsche hoogland (Erse) en op het eiland Man (Manx). Ook de, slechts uit eenige inscripties en opschriften op munten bekende taal der oude Galliërs behoort hiertoe.
8. Slawisch-lettische (Slawisch-baltische) familie: a. Oudbulgaarsch (Kerkslawisch), Bulgaar sch, Russisch met Wit nissi sch en Kleinrussisch (Russinisch, Rutheensch), Serbo-kroa tisch, Sloweensch, Tsjoch'sch-Slo wakisch, Wendisch (Sorbisch), Poolsch, Polablsch (uitgestorven), b. Oud pruisisch (uitgestorven), Litausch, LctNsc/i.
9. Germaansche familie:
a. Oostgermaansche talen: (vroeg uitgestorven, het bekendste is hiervan het Gotisch);
b. Noordgermaansche talen: Zweedsch, Deensch, Noorsch en IJslandsch;
c. Westgermaansche talen: Hoogduitsch, Middelduitsch, PJatduitsch, Nederlandsch, Friesch, Engdsch.

VIII. Amerikaansche taalstam

Omvat de talen der Indianen van Noord- en Zuid-Amerika, uitgenomen die der Eskimo’s in het uiterste noorden.

IX. Australische taalstam.

Bestaat uit de, allengs uitstervende talen der bewoners van het australische vasteland. De taalkundige betrekkingen worden aangeduid door suffixen; de telwoorden gaan in den regel slechts tot drie of vier.

X. De Mon-Anamtalen.

In Achter-Indië, bestaan uit drie hoofdtalen: het Mon of Peguaansch, het Anamitisch en het Khmer, de taal van Kambodsja, en een menigte talen van wilde volken ten oosten van de Mekong. De wortels zijn éénlettergrepig, doch nemen voor- en achtervoegsels aan.

Geïsoleerde talen: in Europa: het Baskisch in de Pyreneeën; verder de meeste Negertalen in Midden-Afrika; in Zuid-Afrika de verschillende talen der Hottentotten en Bosjesmannen; de talen van den Kaukasus, onder welke zich een Zuidkaukasischen taalstam (Georgisch, Mingrelisch, Jjazisch, Swanisch) en een Noordkaukasische taalstam Cirkassisch, Awarisch, [ Ai sch enz.) laat onderscheiden); voorts het Japansch en het Korcaansch, het Kamtschadaalsch, het Aïno, het Jenessei-Ostjaksch, de Eskimotalen in Noord-Azië, Amerika en Groenland. In de 19de eeuw zijn ook kunstmatige wereldtalen samengesteld en ingevoerd: o. a. het Volapük en het Esperanto.