Gepubliceerd op 18-03-2021

Saksen

betekenis & definitie

is de naam van een nederduitsche volkengroep, aldus genoemd naar de Sahs (Sax), een lang mes, dat in Noord-Duitschland veel gebruikt werd.

Oorspronkelijk kwam deze naam toe aan een volk, dat ten noorden van de Elbe in Sleeswijk-Holstein woonde (Ptolemaeus noemt hen als daar woonachtig). In de 3de en 4de eeuw zijn zij veroverend naar het zuidwesten gedrongen. Na de Chauken onderworpen te hebben en ook Amsivariërs en Bructeren, hebben zij de Cherusken gedwongen tot een grooten volkenbond van de Elbe tot de Zuiderzee toe te treden. Deze volkenbond heeft in de 4de en 5de eeuw eene vijandige houding aangenomen tegenover de Frankische volken en de aan deze onderworpen stammen. De streken der Saliërs en Chamaven, Frankische stammen ten oosten van den IJsel wonende, hadden zij sedert de 4de eeuw in hunne macht. In de zesde eeuw breidden zij zich ook over Thuringen uit en vestigden zich in de Saksische Hessengau.

Zijn er wellicht enkele stukken lands tot de Friesche streken behoorende onder hun invloed gekomen, voor zoover wij weten zijn d& Friezen echter geheel onafhankelijk van hen gebleven. Wel vindt men de Friezen en Anglen naast hen, waar het de verovering van aan zee gelegen landen geldt, zooals bij de verovering van Brittannië, wat de laatste en grootste der Saksische veroveringstochten langs de kusten der Noordzee was. Wanneer zij eenmaal daar de Saksische koninkrijken gesticht hebben, worden de Saksen dier streken Anglosaksen genoemd, terwijl onder den naam van Ald-Sahson, Eald-Seaxen of Oud-Saksen dan verstaan worden de bewoners van het vasteland, die de niet Friesche streken tusschen IJsel en Elbe bewoonden of onder hunne heerschappij hadden.

Deze Oud-Saksen waren het die de nederduitsche stammen in zich opnamen, die aan het oudgermaansche geloof vasthielden. Tegenover hen stonden de Franken, die het Christendom hadden aangenomen, en die sinds de 6de eeuw hun geloof en hun heerschappij'dezen saksischen stammen trachtten op te dringen. Geheel gelukte dit eerst aan Karel den Grooten, die in 804 de Saksenlanden bij zijn rijk inlijfde en hunne kerkelijke en rechterlijke indeeling regelde. Saksen werd toen een hertogdom en kreeg een centraal bestuur. Van 880 tot 919 was het een hertogdom onder een zelfstandigen hertog, tot hertog Heinrik in 919 koning van Duitschland werd. Van dat oogenblik ging Saksen in Duitschland op.

Tot de 16de eeuw behield het duitsche gedeelte nog zijne nederduitsche taal, ook als schrijftaal; toen werd de hoogduitsche schrijftaal er ingevoerd. In de 19de eeuw is de hoogduitsche taal als conversatietaal er meer algemeen geworden, maar onder het volk vindt men nog de oude volkstaal, die ook in de streken in Nederland, welke tot de Saksenlanden behoort hebben, wordt aangetroffen.

In de volkstaal, in de vele verschillende dialecten, zeden en gewoonten komen de oude stamgrenzen van de verschillende volken, die samen de Saksen uitmaakten, nog zeer duidelijk uit. Aan den meervoudsuitgang van den praesens indic. der werkwoorden (wi spreekt, zi hebt = nederl. wij spreken, zij hebben), is de groote uitbreiding van de invloedssfeer der Saksen het best te zien. Men vindt dezen bij de bewoners van streken, die oorspronkelijk door Franken bewoond waren, en die later weder tot het Frankische rijk van Lotharius gerekend worden, z. a. Salland en Drenthe, waar in andere opzichten zeer duidelijk frankische eigenaardigheden zijn waar te nemen. Hetzelfde is het geval geweest in Westfalen. (De namen Westfalen, Oostfalen, Enger en en Noord Albingie, die het eerst in het Capitulare van 797 voorkomen, zijn waarschijnlijk benamingen van provinciëele indeelingen geweest, zoo gegeven naar de geographische ligging).

Behalve door plaatsnamen, is de taal dezer streken ons eerst bekend door geschriften uit de eerste eeuwen, nadat het Christendom er is ingevoerd, welke dan ook meest van kerkelijken aard zijn.

De voornaamste punten, vanwaar het Christendom en de beschaving aan deze streken gebracht zijn, waren in het westen Deventer, waar 8. Lebuinus eene kerk gesticht had, die door S. Liudger weder nieuw werd opgebouwd; Oldenzaal, Werden, waar Liudger in 796 de bekende abdij stichtte, welke hij in 805 verliet om bisschop van Munster te worden; Corvey door geestelijken van Corbie in Picardië gesticht (815); Halberstadt en Hildesheim beide onder Karel den Grooten gesticht, die in 804 ook in Hamburg eene kerk liet bouwen, welke echter om de onveiligheid aldaar weer verlaten werd voor Bremen, dat toen de zetel van het aartsbisdom werd. Van de buiten de Saksenlanden gelegen geestelijke centra, hebben Fulda, (in de dagen van abt Sturm), Mainz en Keulen grooten invloed gehad op de bekeering van verschillende streken der Saksenlanden en wellicht is ook de schrijftaal, welke daar in gebruik was, van invloed geweest op de opteekening van de oude geschriften in de Saksische volkstaal. Deze oudste geschriften zijn, ten eerste de Heliand (zie ald.), een episch gedicht, het leven van den Heiland verhalend, gemaakt in den tijd van Bodewijk den Vromen. Dan moet er een poëtische bewerking van het Oude-Testament geweest zijn. Hiervan zijn door Zangemeister in de bibliotheek van het Vaticaan fragmenten gevonden. Ook uit eene angelsaksische omwerking zijn ons gedeelten hiervan bekend; een dezer gedeelten komt overeen met een op het Vaticaan gevonden fragment (Sievers, Der HeHand und die angelsächsische Génesis, Halle 1875, 0. Behaghel, Der Heliand und die altsächsische Genesis, Giessen 1902). Het is vooral door het laatste onderzoek gebleken, dat het Oude Testament en de Heliand niet van denzelfden dichter kunnen afkomstig zijn.

De andere geschriften zijn van kleineren omvang; het zijn twee Besprekingen of Belezingen, een Biechtformulier, een fragment van een vertaling eener Predicatio van Beda, eenige fragmenten van eene uitlegging van Psalm IV en V, welke zeer moeilijk leesbaar zijn, daar het perkament erg bedorven is.

Uit de oude kloosteradministraties zijn ons overgebleven een geheel in het oud-saksisch geschreven Pachtregister van Freckenhorst bij Münster, een deel van het Pachtregister der abdij van Essen en een aantal Pachtregisters van de 9de tot de 13de eeuw dagteekenend, afkomstig v. d. abdij' van Werden. Deze zijn grootendeels in het latijn geschreven, doch de er in voorkomende woorden, plaats- en persoonsnamen, zijn zeer belangrijk.

Niet minder belangrijk voor de kennis van den woordenschat zijn de glossen, welke gevonden worden in een Essener Evangeliarium afkomstig van de vroegere abdij' van Elten, in een Gregorius-handsehrift uit Essen, in handschriften als van den Poeta Saxo v. Lamspringe, de Virgilius van Oxford, en Weenen, Prudentius uit Werden, Vegetius van Leiden, en de glossen van verschillenden aard, die zich in een hs. van St. Peter in het Schwarzwald en in het door den brand in 1870 verloren Straatsburger hs. bevonden.

Litteratuur: O. Bremer, Ethnographie der Germanischen Stämme, Strassburg. 1900. p. 126 „Die Deutschen Sachsen”, J. H. Gallée, Altsächsische Sprachdenkmäler, Leiden, 1895 (met afbeeldingen der handschriften), E. Wadstein, Kleinere alts. Sprachdenkmäler, Norden. 1899, J. H. Gallée, Altsächsische Grammatik, Halle—Leiden, 1891, W. Schlüter, Alts. Grammatik in Laut- und Formenlehre der altgerm. Dialekte, Leipzig 1898, F. Holthausen, Altsächsisches Elementarhuch, Heidelberg, 1899. Een woordenboek van het Oud-Saksisch is in bewerking bij1 Dr. J. H. Gallée.

< >