Gepubliceerd op 18-03-2021

Rijn

betekenis & definitie

(van rinnan, ruisehen, rennen), lat. Rhenus, duitsch Rhein, fr.

Rhin, de hoofdrivier van Duitschland, ontstaat in het zwitsersche kanton Grauwbunderland, uit de vereeniging van drie bronrivieren, die de Voor-, de Middelen de Achter-Rijn genoemd worden. De Voorof Toma-Rijn ontspringt in het TavetscherdaR aan den voet van een hooge rots (Cima del Baduz), uit het kleine 2400 m. hoog gelegen Toma-meer; men rekent ook wel nog 2 kleine beken, waarvan de eenei, de Rin di Cornaray aan den voet van de Cima de la Repeca, de andere aan den voet van den Krispalt, in het Chijamer-dal ontspringt, tot de bronnen van den Voor-Rijn. De Midden- of MedelserRijn ontspringt bij den berg Lukmanier uit 2 beken, die gezamenlijk door het Medelser-dal loopen; zij vereenigen zich bij Disentis, 1140 m. hoog, met den Voor-Rijn. Deze zijn de eigenl. bronnen van den Rijn, welke alle hun oorsprong in de nabijheid van den Gotthard hebben, ’t Is intusschen gebruikelijk, ook nog een derde en wel aanzienlijker beek, die men den Achterof Domleschger-Rijn noemt, tot de bronvloeden van den Rijn te rekenen. Deze komt uit den geweldigen Rheinwald-gletscher, door 13 stortbeken versterkt, doorstroomt eerst het wilde Rheinwald-dal, vervolgens het Schamser-daR neemt in het Domleschger-dal nog de aanzienlijke beek Albula op en vereenigt zich bij Reichenau, met den verbonden Voor- en Middel-Rijn. Hier begint dan de eigenlijke Rijn. Deze door stroomt Grauwbunderland naar het noorden, vormt dan de grens tusschen Zwitserland en Vorarlberg en stort zich beneden Rreineck in het Bodenmeer. Bij Stein treedt hij weder uit dit bekken en vormt een uur beneden Schaffhausen, bij ’t slot Lauffen, den wereldberoemden waterval, den grootsten van Europa; zijn hoogte bedraagt naar den verschilt stand van ’t water 20 a 25 m.; daar, waar de val begint, verheffen zich vele rotsen uit den Rijn en deelen hem in 5 verschillende vallen. Eertijds moet de val veel aanzienlijker geweest zijn dan nu; het rijkst is hij in de maanden Juni en Juli. Van Lauffen af vormt de Rijn, naar het W. vloeiende, bijna onafgebroken de grens tusschen Zwitserland en Duitschland, totdat hij eindelijk bij Bazel, nog slechts 250 meter boven de zee en omtrent 200 meter breed, zich noordwaarts richt en van zwitsersch op duitsch grondgebied overgaat. Hij loopt hier noordwaarts naar Mainz, eerst den Elzas van Baden, daarna Baden van Rijn-Beieren scheidende en verder door het groothertogdom Hessen stroomende. Hier neemt hij links de 111, de Lauter en Queich en rechts de Wiese, Elz, Kinzig, Murg, Neckar en Main in zich op en stroomt langs de steden Breisach, Straatsburg, Germersheim, Spiers, Mannheim, Worms en Oppenheim. Van Mainz stroomt hij westwaarts tusschen RijnHessen en den Rheingau over Biberich naar Bingen, dan plotseling naar het n., en vervolgens n.n.w.-waarts door Pruisen, dat hij tot aan de nederl. grens doorsnijdt De Rijn is in Duitschland rijk aan eilanden en ondiepten, vormde hier vroeger voor een deel de grens tusschen Frankrijk en Duitschland, en doorstroomt dan de heerlijkste streken van dit land, tot hij eindelijk beneden Emmerik op Nederl. gebied treedt. De scheepvaart op den Rijn is zeer aanzienlijk en is dit vooral in klimmende mate geworden, sedert talrijke ondiepten, klippen, draaikolken en stoomversnellingen weggeruimd zijn. Over het geheel kan men wel zeggen, dat in onzen tijd de duizendjarige arbeid om de rivier bevaarbaar te maken, voltooid is, al komen hier en daar nog plotselinge afwijkingen in de diepte en breedte har er bedding voor. Vooral de opruiming der belemmeringen bij het „Bingerloch” en het „Wilde Gefahrt” bij Bacharach zijn voor de scheepvaart van het meeste be^ lang geweest. Het verval der rivier in Duitschland bedraagt ongeveer 235 meter over een lengte van bijna 160 uren; de diepte wisselt af van 2 tot 25 meter.Iets boven Lobith komt de Rijn in Nederland, en vormt eerst tot Milligen over een afstand van nagenoeg een uur gaans de grens. Sedert 1775 loopt hij hier in een gegraven bed, het Bijlandsche kanaal genaamd, omdat de vroegere bocht te dezer plaatse zoowel hinderlijk was voor de scheepvaart als bevorderlijk aan gevaarlijke overstroomingen. Bij Pannerden verdeelt de rivier zich in tweeën: links gaat de Waal met 2/3 van haar waherschut, rechts het in 1707 gegraven Pannerdensch kanaal, ook Neder-Rijn geheeten, met V3 van het water van den Rijn. Vóór 1696 was het separatiepunt bij Schenkenschans, anderhalf uur verder Rijnopwaarts gelegen. Tusschen Westervoort en Huisen heeft een nieuwe splitsing plaats, daar hier 1/3 van het water (V9 van den Duitschen Rijn) noordwaarts den Gelderschen IJsel toegezonden wordt, terwijl de rest, als middelste rivierarm, onder verschillende namen (Rijn, Lek en Nieuwe Maas) voorbij Arnhem, Wageningen, Rhienen, Wijk-bij-Duurstede, Culenborg, Vianen, Schoonhoven, Krimpen, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis bij den Hoek van Holland zijn weg naar zee vindt. Vroeger had er bij Wijk-bij-Duurstede ten derden male en bij Utrecht voor de vierde keer een splitsing van het Rijnwater plaats, getuige o. a. nog de breede zoom rivierklei, welke langs den Krommen Rijn (Wijk bij Duurstede—Utrecht), den Ouden Rijn (Utrecht—Katwijk) en de Vecht (Utrecht—Muiden) is af gezet. Thans echter is er bij Wijk-bij-Duurstede van geen gemeenschap sprake meer; alleen door een onder den noorder „Lekdijk” heen gelegden duiker (waarin een sluisje) Wordt nu en dan wat Rijnwater naar binnen gelaten, als de lage landen van zuidoostelijk Utrecht dit noodig hebben, en de Kromme Rijn zelf, voorbij Cothen, Odijk en Bunnik vloeiende, is een onbeduidend stroompje geworden, alleen voor kleine schuiten bevaarbaar; ten behoeve van de waterregeling iis hij verdeeld in vier panden of boezems. Evenmin kan er te Utrecht nog van een splitsing in Ouden Rijn en Vecht sprake zijn; met name heeft de eerste, die voorbij Hameien, Woerden, Bodegraven, Alfen en Leiden gaat, sedert eeuwen niet de minste gemeenschap met den Rijn zelf, want het weinigje Rijnwater, dat nog langs den Krommen Rijn in Utrechts grachten mag gekomen zijn, wordt door middel van de zoogenaamde Weerdsluis in de Vecht geleid. „Geen droppel Rijnwater bereikt alzoo ooit Katwijk”. De Oude Rijn is, als bergplaats voor het water van de omliggende polders, in vijf afzonderlijke bakken of panden verdeeld, die vaak een zeer verschillenden waterstand hebben, en staat bij Katwijk door een in 1807 gegraven kanaal en daarin geplaatste uitwateringssluizen met de Noordzee in gemeenschap. De Utrechtsche Vecht heeft evenzeer haar karakter als Rijnarm, als dat van rivier in ’t algemeen verloren; zij is sinds lang slechts een kanaal, aan beide zijden afgesloten; voorbij Maarsen, Rreukelen, Loenen en Weesp loopt dit water van Utrecht naar Mudden, waar het door middel van een schut- en uitwateringssluis gemeenschap heeft met de Zuiderzee. De waterafvoer van den Rijn in kubieke meters per seconde bedraagt, waar hij nog onverdeeld ons land binnentreedt, bij middelbaren rivierstand ruim 2300 M.3, bij 1 meter beneden M. R. 1750, bij 1 meter boven M. R. 3700, bij 2 meter boven M. R. reeds 4700, en bij 3 meter boven M. R. 7000 M.3 De middelbare rivierstand is bij Lobit 11.43 meter -f- A. P., bij Pannerden -j- 10.40, bij Arnhem -f- 9.40, bij Grebbe -f~ 6.35, bij Wijk-bij-Duurstede 44.48, bij Kuilenburg -f 3.30, te Vreeswijk -f 2.47, bij Jaarsveld -j- 1-&3, bij Schoonhoven -j- 0.87, bij Krimpen -j- 0.07, bij Rotterdam -f" 0.15, bij Maassluis -f 0.40, bij, den Hoek van Holland -f- 0.54 meter. De lengte van den geheelen Rijn wordt op 1225 km. gesteld; zijn stroomgebied bedraagt 196.303 km,.2 Ten behoeve van de scheepvaart op den, Rijn in ons land bestaat volgens koninklijk besluit van 1 Sept. 1861 in elke der gemeenten Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht eene commissie voor de Rijnvaart, waarvan de leden door bet gemeentebestuur worden benoemd en van instructiën voorzien. Krachtens het kon. besluit van 29 Juni 1869 is, ter uitvoering van art. 27 der herziene akte omtrent de Rijnvaart van 17 Oct. 1868, aan deze commissiën ook opgedragen het toezicht op de inrichtingen en werktuigen ten dienste van de lading, de lossing en den opslag in entrepot van handelsgoederen, alsmede de havenpolitie voor zooveel de Rijnvaart betreft. Bij kon. besluit van 5 Dec. 1899 zijn bepalingen vastgesteld omtrent de Rijnschippers- en scheepspatenten en omtrent de commissiën van deskundigen voor de Rijnvaart. Het Weener congres heeft in 1815 voor goed de vrije vaart op de groote Europeesche stroomen vastgesteld. Sedert dien zijn er onderscheidene traktaten gesloten tusschen de Oeverstaten van den Rijn betreffende regeling van de scheepvaart. 30 Juni 1885 is te Berlijn een overeenkomst gesloten ter regeling van de zalmvisscherij in het stroomgebied van den Rijn.