Gepubliceerd op 28-02-2021

Pommeren

betekenis & definitie

voormalig hertogdom, tusschen Mecklenburg, Brandenburg, W.-Pruisen en de Oostzee, door de Oder in Voor- en Aehter-P. verdeeld, vormt thans met eenige gedeelten van de voormalige Neumark enz. de pruis. prov. P., die in drie regeeringsdistricten, Stettin, Köslin en Straalsund (zie ald.) verdeeld is.

Stettin is de hoofdstad. Voor-P., meerendeels vlak, heeft kusten vol bochten en inhammen en zeer schilderachtige streken op de eilanden Rugen, Usedom en Wollin. Aehter-P. heeft een lage kust met zandheuvels en duinen, hier en daar door strandmeren afgebroken. De voornaamste rivier is de Oder. Landbouw is het hoofdmiddel van bestaan; aan de kuststreken is de grond het vruchtbaarst. De voornaamste voortbrengselen zijn: koren, boekweit, aardappelen, vlas, hennep, knollen, koolzaad, tabak en beetwortels.

De bosschen leveren veel hout, ook voor scheepsbouw, op. De vee-, vooral de schapenteelt is zeer belangrijk. De uitvoer bestaat uit koren, hout, vet rundvee, fijne wol, boter, ganzen en veeren, hammen en verscheidene vischsoorten. De hoofdzetel van den handel is Stettin met de haven Swinemünde. De industrie is onbeduidend, uitgezonderd in en om Stettin. P. heeft een oppervlakte van 30.112 km.2, en telde in 1900: 1.634.832 inw. (97% prot).Geschiedenis

In den oudsten tijd woonden keltische, vervolgens duitsche volksstammen (Vandalenstammen der Rugiërs en Turcilingen) in P. Op het eind der 5de en in de 6de eeuw immigreerden daar Wenden, die het land Pornorje, d. w. z. land aan de zee of kustland, noemden. Reeds toenmaals had het land bloeiende handelsplaatsen. Later een hoofddeel van het oude wendische koninkrijk, had P. van 1062 af eigen vorsten, als wier voorvader Swantibor (overl. 1107) genoemd wordt. Reeds sedert de 9d!e eeuw deed men pogingen om de Pommeranen tot het christendom te bekeeren; dit gelukte evenwel eerst aan bisschop Otto van Bamberg. Met de invoering van het christendom, die eerst tegen het eind der 12de eeuw voltooid was, begon door kloosters en nedersaksisclie immigranten uit het brunswijksche, Westphalen en Oostfriesland de germaniseering van het land.

De zoons van genoemden Swantibor stichtten verschillende linies en waren geheel onafhankelijke vorsten; de kleinzoons van Swantibor (zonen van Wratislaw), Kasimir en Bogdslaw I, namen 1170 den titel van hertog aan. Het toenmalige wijd uitgestrekte hertogdom omvatte het land tus.schen Demmin, Zehdenick, Warthe, Netze, Weichsel en Oostzee. Men onderscheidde het eigenlijke P. of Slavië (het land tusschen Peene en Persante) en Pomerella (het tegenw. W.Pruisen links van de Weichsel en van het rechts van de Persante gelegen deel van het tegenwoordige P.). Oorlogen met de naburige staten, vooral Brandenburg, en twisten met de steden, in het bijzonder met het tot de Hanze behoorende Straalsond, vullen de middeleeuwsche geschiedenis van P.; in het hertogelijk huis hadden verschillende verdeelingen en vereenigingen plaats. De aanspraak op de erfopvolging werd aan keurvorst Johan Cicero van Brandenburg in het verdrag van Pyritz 1493 door Bogislaw X uitdrukkelijk toegezegd.

In 1532 voorloopig en 1541 definitief werd het land opnieuw verdeeld in de hertogdommen Stettin en Wolgast, waarvan het eerstgenoemde thans Yoor-P. en het andere Achter-P. omvatte. Barnim XI van Stettin en Philips I van Wolgast voerden de Reformatie in hun landen in. Op 30 Juli 1571 had de erfverbroedering met Brandenburg plaats, volgens welke bij het uitsterven van het huis Brandenburg de Neumark en het land Sternberg aan P. zouden komen. Het huis Wolgast stierf 1625 met hertog Philips Julius, en 1637 met Bogislaw XIV het oude hertogelijke geslacht in den mannelijken stam geheel uit; toch moest Brandenburg in den vrede van Westfalen (Munster 1648) zich met het grootste gedeelte van Achter-P. vergenoegen, VoorP. en het eiland Rügen, alsmede Stettin, Damm, Garz, Gollnow en de monden der Oder evenwel aan Zweden overlaten, dat zich tijdens den Dertigjarigen oorlog in het land genesteld had. Een kleine strook aan den rechteroever der Oder verkreeg de groote keurvorst nog 1679 door den vrede van St. Germain.

In den vrede van Stockholm 1720 moest Zweden het gedeelte van Voor-P. tusschen Oder en Peene benevens de eilanden Wollin en Usedom aan Pruisen afstaan. Na den val van Napoleon I en de daarop gevolgde overeenkomst tusschen de europ. staten kwam ZweedschP. in ruil voor Noorwegen aan Denemarken en vervolgens tegen het door Hannover afgestaan hertogdom Lauenburg en de som van 2.600.000 thaler aan Pruisen, dat nog 3% millioen thaler aan Zweden moest betalen; door de verdragen van 4 Juni 1815 met Denemarken en van 7 Juni 1815 met Zweden is Zweedsch-Pommeren voorgoed met Pruisen vereenigd.