Gepubliceerd op 28-02-2021

Plantkunde

betekenis & definitie

In vroegeren tijd maakte men een onderscheid tusschen plantkunde en plantenkunde. Met den eersten naam bedoelde men de kennis van den bouw en de levensverrichtingen, met den tweeden de kennis van de verschillende vormen van planten, die thans de oppervlakte der aarde bedekken.

De plantkunde bestudeerde dus voornamelijk die punten, die voor groote groepen van planten hetzelfde zijn, terwijl de plantenkunde meer de waardeering der verschillen ten doel had.Deze twee richtingen zijn in hooge mate onafhankelijk van elkander ontstaan. De stelselkunde of de groepeering der planten is de oudste, de natuurkunde der planten, zooals de physiologie ruim een eeuw geleden genoemd werd, sloot zich meer aan de studie der natuurwetten in de levenlooze natuur aan. De Vegetable Staticks van Stephen Hales (1727), La physique des arbres van Duhamel du Monceau (1758), de Recherches chimiques sur la végétation van Théodore de Saussure (1804) zjjn langen tijd buiten het gebied der toenmalige plantenkunde gebleven. Eerst in 1868 heeft Sachs, in zijn Lehrbuch der Botanik, al deze verschillende richtingen tot één wetenschappelijk geheel verbonden.

Aan deze beide hoofdrichtingen hebben zich, in den loop van de vorige eeuw, twee andere aangesloten. Ik bedoel de ontleedkunde en de afstammingsleer. De eerste ontstond onder den invloed van het microscoop. Zoodra de mogelijkheid ontdekt was, om door middel van dit toenmaals nog jonge instrument den inwendigen bouw van planten en dieren tot, in de fijnste bijzonderheden te bestudeeren, ontstond een geheel nieuwe wetenschap. Kennis van planten was slechts in geringe mate noodig, daarentegen was de techniek en de behandeling der resultaten uit den aard der zaak een geheel andere dan die der beschrijvende plantkundigen. Schleiden en Schacht stonden aan het hoofd van deze richting.

Schleiden ontdekte het feit, dat het geheele lichaam van alle hoogere planten uit cellen is opgebouwd, die overeenkomen met het type der cel, zooals men dat in de laagste of ééncellige gewassen vindt. Deze stelling werd kort daarna door Schwann op het dierenrijk toegepast, en is thans de grondwet van alle ontleedkunde. Schacht heeft door zijn boek over het microscoop (1853) en door zijn Lehrbuch der Anatomie und Physiologie der Gewächse (1856) aan deze nieuwe richting algemeenen ingang verzekerd. Door hun beider werk, en door de bijdragen van tal van andere onderzoekers is de anatomie de grondslag geworden van de natuurkunde en scheikunde der planten, en uit deze vereeniging werd de eigenlijke Physiologie in haar tegenwoordigen vorm geboren.

De afstammingsleer heeft het meeste er toe bijgedragen om de eigelijke stelselkunde met de overige deelen der botanische wetenschap tot één geheel te verbinden. Lamarck, die tijdens de fransche revolutie voor de Encyclopédie méthodique de afdeeling Botanique bewerkte (An IV, of 1796) is de stichter van deze leer. Het beginsel was oorspronkelijk afgeleid uit het groote beginsel der revolutie, de vrijmaking van den menschelijken geest van allen dwang. Op den grondslag van waarneming en ervaring is deze leer eerst een halve eeuw later door Darwin gevestigd, en eerst aan hem gelukte het haar in wetenschappelijke en philosophische kringen ingang te doen vinden. Het is wederom Sachs, die in zijn leerboek ook dit beginsel tot een onmisbaar bestanddeel der latere plantkunde gemaakt heeft.

De band tusschen de stelselkunde en de afstammingsleer is gelegd door Alphonse De Candolle en door Hofmeister. De Candolle heeft in zijne Geographie botanique raisonnée (1855) omtrent de verspreiding der planten over de aarde en de oorzaken daarvan een materiaal bijeengebracht, dat voor de afstammingsleer in vele richtingen ten volle bewijzend is. Maar Darwin’s Origin of Species zag eerst later het licht, en zoo kon De Candolle uit zijne feiten deze conclusie nog niet trekken. Eerst later heeft hij dit gedaan. Hofmeister had, omstreeks denzelfden tijd, aangetoond, dat de groote gaping, die de stelselkunde tusschen de bloemlooze en de bloeiende planten aannam, zeer volledig overbrugd werd door de ontwikkelingsgeschiedenis van de bloemen der Cycadeeën en Naaldboomen, groepen die vroeger een geheel andere plaats in het systeem hadden ingenomen. Daarmede had hij, vóór Darwin, het grootste bezwaar der toenmalige plantkundigen tegen Lamarck’s leer weggenomen, en zoodoende den weg gebaand voor een geleidelijke aanneming van Darwin’s stellingen door de plantkundigen.

Tevens is door Hofmeisters arbeid de grond gelegd voor eene richting, die sedert voortdurend in beteekenis is toegenomen. Ik bedoel het microscopisch onderzoek in het belang van systematische vraagstukken. De ontwikkelingsgeschiedenis van de verschillende onderdeelen der bloemen is allengs een krachtige steun geworden voor de stelselkunde der hoogere planten, terwijl bij de lagere gewassen het microscopisch onderzoek thans geheel met het systematische samenvalt. De anatomie van de vegetatieve deelen der hoogere planten wordt in den laatsten tijd met een overeenkomstig doel beoefend.

Onder den invloed der afstammingsleer is het denkbeeld van de heerschappij van gelijke wetten voor planten en dieren meer en meer op den voorgrond getreden. Dit voerde tevens tot het inzicht, dat de verschijnselen, die in beide rijken dezelfde zijn, van hooger belang zijn dan die, welke voor beide verschillen. Vandaar dat de studie van, deze verschijnselen in toenemende mate met voorliefde beoefend wordt. Dit geldt allereerst van den microscopischen bouw der cellen en der celkernen. In beide opzichten is een groote overeenkomst aan het licht gekomen, maar vooral in den bouw der kernen. Deze vertoonen een structuur uit draden die gekronkeld in een geleiachtige massa ingebed zijn, en deze structuur is, afgezien van ondergeschikte punten, voor alle celkernen van planten en dieren dezelfde.

Tevens ondergaat die structuur, bij de vermenigvuldiging der kernen door deeling, hoogst merkwaardige tijdelijke veranderingen, die eveneens overal volgens hetzelfde beginsel verloopen. Dit beginsel is de splitsing der kleinste zichtbare deeltjes, en de gelijkmatige verdeeling der zoo ontstane helften over de beide dochterkernen. De beteekenis van het verschijnsel ligt in de algemeene overtuiging, dat de bedoelde kleinste deeltjes de stoffelijke dragers der erfelijke eigenschappen zijn.

Gelijke wetten gelden voor planten en dieren ook op het gebied der veranderlijkheid. Quetelet had ontdekt (1870), dat de eigenschappen, waarin de verschillende menschen van elkander verschillen, onderworpen zijn aan een zeer eenvoudige wet, die de frequentie in verband met de grootte der afwijking van het gemiddelde bepaalt. Deze wet is dezelfde als die door Newton voor de gewone gevallen van kansrekening is opgesteld. Sedert een tiental jaren (1894) heeft deze wet ook in de plantkunde ingang gevonden, terwijl de studie daarvan omstreeks denzelfden tijd door Galton en anderen in de dierkunde werd ingevoerd. Overal is gebleken dat de gewone verschijnselen van variabiliteit aan dezelfde algemeene wet gehoorzamen.

Aan de zuiver wetenschappelijke richtingen in de plantkunde, waarvan ik getracht heb de hoofdlijnen te schetsen, sluit zich in den lateren tijd ook een praktische richting aan. Deze is voornamelijk ontwikkeld in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, waar onder den invloed van de toenemende belangen van den landbouw, een groot aantal proefstations, voor plantkundige onderzoekingen zijn opgericht. Onder de praktische richtingen neemt de studie der plantenziekten een eerste plaats in, en voor zooverre de ziekten door plantaardige organismen (zwammen, schimmels en bacteriën) worden veroorzaakt, gaat hier de wetenschappelijke studie dezer organismen met het onderzoek naar de maatregelen van bestrijding hand in hand. In de tweede plaats komt de studie van de bastaardeering. De oudere onderzoekingen hieromtrent zijn nooit goed tot hun recht gekomen en steeds als een geheel alleenstaand hoofdstuk behandeld en zelfs de ontdekking van Mendel, dat in bepaalde gevallen de gevolgen van bastaardeeringen zich laten berekenen en voorspellen, was onbekend gebleven. Voor enkele jaren is men begonnen deze verschijnselen aan een hernieuwd onderzoek te onderwerpen en zoodoende een grondslag van verklaring te vinden voor de ervaringen der praktijk, een grondslag, waarop tevens met verhoogde kansen op goeden uitslag zou kunnen worden voortgebouwd. Ook op dit bizondere gebied is gebleken, dat dezelfde wetten voor de dieren gelden als voor de planten.

Een derde onderwerp heb ik te noemen in de productie van landbouwrassen van cultuurplanten. Deze handelwijze, die vroeger geheel op ervaring berustte, wordt in den lateren tijd meer en meer op wetenschappelijken grondslag gevestigd.

Vatten wij dit overzicht over de verschillende afdeelingen der .plantkunde samen, dan zien wij, hoe onvolledig het uit den aard der zaak ook is, dat tal van onderdeelen min of meer onafhankelijk van elkander ontstaan zijn, en dat eerst allengs, bij hunne uitbreiding, de band aan het licht is gekomen die ze thans allen tot één geheel verbindt. Die band ligt thans in de studie der erfelijke eigenschappen. Deze vormen het onderscheid tusschen de levenlooze en de levende natuur en tevens de principieele gelijkheid van de levensverschijnselen, overal waar zij zich vertoonen. De studie van die eigenschappen is thans het hoofddoel van de stelselkunde, zoowel bij het opsporen van de eenheden van het systeem, als bij het opstellen van stamboomen ter verklaring der waargenomen verwantschap. Dezelfde studie ligt ten grondslag aan alle proeven over bastaardeering, over veranderlijkheid en over het ontstaan van soorten, variëteiten en rassen. De natuurkunde en de scheikunde der planten onderscheiden zich van de gewone physica en chemie juist daardoor, dat zij rekening te houden hebben met historisch gegeven grondslagen, en daarin de verklaring zoeken moeten voor de schijnbare afwijkingen. En het microscoop wordt dienstbaar gemaakt aan de beantwoording van de zeer belangrijke vraag naar de plaatsen waar en de wijzen waarop deze eenheden in de cellen gelocaliseerd zijn.

Eendracht maakt macht, en zoo zien wjj dan in de laatste tientallen van jaren de plantkunde met grooter snelheid vooruitgaan dan vroeger, meer vragen behandelen die met de grondslagen onzer wereldbeschouwing samenhangen, en meer feiten aan heb licht brengen die op de praktijk van den landbouw een beslissenden invloed uitoefenen.