Gepubliceerd op 23-02-2021

Mythologie

betekenis & definitie

de stelselmatige verzameling en verklaring van mythen en sagen uit den vóor-historischen tijd van een volk. In dien breeden zin omvat zij godenleer (voorstelling van góden) en heldenleer (verhalen over de helden uit het voorgeslacht).

Soms wordt door M. meer bepaaldelijk godenleer bedoeld. Over Grieksche M. is op het artikel Griekenland (dl. V blz. 3535) breedvoerig gehandeld. Ter vollediging van het artikel over Germaansche M. (dl. IV blz. 3157) zij hier nog een en ander toegevoegd.Als voorname bronnen voor de Germaansche M. gelden, buiten Julius Caesar (De Bello Gallico cap. 6 en 21) en Tacitus (Germania, cap. 9, 39, 40, 43, Annales, lib. I, cap. 51, II, 12, XIII, 56, Historice, IV, 14, 22, 61, 65, 73, V, 22) hoofdzakelijk de beide Eddas: die van Ssemund en die van Snorre Sturluson. De Ssemundar-Edda, of de poëtische Edda bestaat uit eene reeks* van 34 góden- en heldenliederen waarvan het handschrift (nu te Kopenhagen) voor het eerst in 1643, door den IJslander Brynjolf Sveinsson, bisschop van Skatholt, gevonden en, waarschijnlijk ten onrechte, aan den IJslandschen geleerde Ssemund, gestorven in 1133, toegeschreven werd. De proza-Edda, of die van den IJslandschen staatsman en Skald Snorre Sturluson (1178'— 1241), rond 1230 uitgegeven, was in de bedoeling des opstellers een soort prosodie of ars poëtica (Edda), een handboek der Skaldenkunst, met uittreksels uit de godsdienstige zangen gestaafd.

De latijnsche bronnen zijn meer bepaald voor de M. van Germanië, de Edda’s voor die van Scandinavië dienstig; doch, in den huidigen stand der wetenschap, wordt de principieele eenzelvigheid der beide mythologieën algemeen aangenomen.

Het concept der godheid behoort niet tot de eerste opvattingen in het mythologisch ontwikkelingsproces. Een volk dat buiten alle veropenbaring geplaatst is, bepaalt zich eerst bij het vereeren en vergoden van sommige natuurkrachten of verschijnsels, van die voornamelijk welke meest op zijn verbeelding werken en meest schade of voordeel kunnen veroorzaken, zooals de zon met haar licht, de nacht met zijne duisternis, de aarde, de wind, enz. Zulke wezens worden, door overschatting hunner werkdadigheid, als bovenaardsche geesten beschouwd. In den beginne zijn die geesten nog niet geheel uit den kring der natuurkrachten losgerukt, noch van de wetten derzelve onafhankelijk. Er zijn volksstammen die zich nooit boven dit eerste en tweede ontwikkelingsstadium hebben weten te verheffen. Het begrip der godheid veronderstelt een verderen vooruitgang, het behelst immers het afgetrokken denkbeeld van een geest die boven de stof zweeft als onafhankelijke beheerscher derzelve.

Reeds vóór de volksverhuizing waren de Indo-Germanen tot het godsbegrip gekomen. Tivar is de algemeene benaming hunner godheden. De meester aller Tivar is Tiuz, het alles overheersehend licht; het geweldig verschijnsel der zon die alles verkwikt en verlevendigt op aarde is de kern van alle mythologie.'Daarnaast komen Donaraz, de dreigende dondergod, en dezes echtgenoote, Freya, de lieflijke, behalve de vijanden van het licht, de machten der duisternis. Doch in het geloof der volkeren is de macht der góden aan wisselvalligheid onderhevig; zij betwisten zich onderling den troon en volgen elkander op even als de koningen. Wanneer de eigenlijke Germanen zich van de Aziatische bakermat losgerukt en in een land gevestigd hadden waar de strijd een levensvoorwaarde bleef, moest ook hun godheid het nieuwe levensideaal uitdrukken en de grondslag der Germaansche godenleer wordt oorlog. Tiuz, de voormalige lichtgod, wordt tot het beleid van den oorlog beroepen en met interpretatio Bomana door Mars vertolkt; de dag aan Tiuz gewijd (Tuesday, Dijnsdag) in mart is diem, mardi herschapen. Nadat Tiuz langen tijd op den voorgrond gestaan heeft, wordt hij in Germanië en Scandinavië door Wodan (Odin) vervangen; in Noorwegen staat Freyr, in Denemark Thor aan de spits.

De gedaante waaronder de Germanen zich hunne góden voorstellen is een ideale menschenvorm; dus moeten zij bij een krijgersvolk met reusachtige, bovenmenschelijke kracht bedeeld zijn. Zij nutten spijs en drank in ongelooflijke hoeveelheid; zij gaan en rijden te paard, voeren oorlog, houden feesten of gericht, nemen verdriet of vermaak gelijk krijgers. Gemeenlijk zijn zij den aardlingen gunstig, tenzij wanneer zij een gepleegd onrecht te kastijden hebben. Zij kunnen naar beliefte van gedaante veranderen. Terwijl in de Grieksche en Romeinsehe godenleer de Olympbewoners immer als onsterfelijk voorkomen (athanatoi, dii immortales) moeten de góden van het noorden, volgens de eschatologie der Edda’s, op het einde der wereld bezwijken in den strijd tegen de vijandige machten, de geesten van het kwaad. Dit is de schrikverwekkende dag der Gottesddmmerung.

Voor Duitschland is er geen bewijs voorhanden dat hun de kroon der onsterfelijkheid ontnomen is. Volgens de Edda’s verblijven de góden in het Asenheim (Asgardr, Godheimr) en bezitten er elk een sterke, rijkversierde vesting, vanwaar zij op de aarde nederdalen langs eene prachtige brug, door de reuzen gebouwd. Die brug is de regenboog en heet Bifrost.

Het aantal góden is niet vast bepaald. IJslandsche geleerden hebben het twaalftal willen opdringen zooals voor Griekenland en Rome, doch geheel willekeurig. Nieuwe namen zijn sedert dien aan het licht gekomen en zulks kan nog geschieden, des te meer dat de onderscheidene godheden niet bij alle volksstammen, noch bij één volksstam in verschillende tijden, dezelfde waren. Goden telt men tot 13 en 14, godinnen tot 30.

Onder de góden worden er immer een drietal op den voorgrond geplaatst; dit is eene soort Germaansche Drievuldigheid: Tiwaz, Wodan, Thonar, of volgens de jongere benaming Dys, Woden en Thor. Het zijn drie opvolgende wisselvormen van den oorspronkelijken lichtgod Tiwaz of Tiuz, welke gelijk staat met den Grieksehen Zeus (Zeus-pater) en den Romeinschen Jupiter. In het Noorden heeten zij Tyr, Odin en Thor, doch in de plaats van Tyr is al vroegtijdig in Zweden en Noorwegen Freyr met de oppermacht vereerd. De vrouwelijke vorm van Freyr is Freya (Frigg), eene zonnegodin, de vrouw van de twee opvolgende lichtgoden Dys en Woden. Ook Heimdal is met Freyr in het Noorden wat Dys en Woden in het Zuiden waren: namelijk de belichaming, of liever de mythische voorstelling van het alles verkwikkende zonnelicht. Sommigen zien in hem slechts een deel van de lichtkracht, te weten den rozigen dageraad, anderen beschouwen hem als zijnde de godgemaakte regenboog.

De schoone en goede Batder, zoon van Odin en Frigg (Freya) was ook eerst natuurverschijnsel, lichtgod, doch later, wanneer de volkeren zich tot de hoogte der zedelijke beginselen hadden opgewerkt, werd hij de god der zedelijke reinheid of der rechtvaardigheid. Na den Wikingertijd, in de 10de eeuw is hij in de volksvereering opgenomen. In de Frithjofssage uit het Noorden is er spraak van een dorp, Balder sberg en van een tempel aan Balder gewijd, terwijl in de zegeningsformule van Merseburg (in het Zuiden) het veulen van Balder vermeld wordt. De Vóluspa (eerste Eddalied) en de prozaïsche Edda behelzen een eigenaardigen mythus: Balder wordt doodgeschoten door Hod, bij middel van een smartpijl, gesneden uit een marentak. In het natuursymbolisme wordt deze mythus van Balder verklaard als de zegepraal van de duisternis (blinde Hod) op het licht (Balder) of van den Winter op den Zomer. In de theorie van Sophus Bugge, die sommige Noordsche mythen op christelijke beginselen wil doen berusten, wordt Balder gelijkgesteld met Christus, die, door Lucifer (Loki, het booze Beginsel) vervolgd, en, op dezes ingeven, door den blinden Longinus (Hod) doorstoken wordt.

Hetzelfde geldt voor den wonderen' mythus van Odin aan de galg (Vóluspa en Havamal): negen dagen lang hangt Odin aan een windigen boom, lijdt er honger en dorst, wordt met een speer doorstoken en valt op den grond. Met kracht van betoog wil S. Bugge bewijzen dat de kern van dezen mythus ligt in de leer van Christus aan het Kruis. — Het kan niet a priori geloochend worden dat een christelijke invloed op den huidigen vorm van de geschreven Eddateksten verklaarbaar is. Wij weten dat de Seandinaafsche kooplieden in den Wikingertijd (6de—9de eeuw) veel verbleven op de kusten van Ierland, dat toen reeds een middenpunt van Christen beschaving was. In dezen tweeden mythus zijn de gelijkenissen zoo treffend dat Bugge’s gevolgtrekking niet onwaarschijnlijk voorkomt.

Loki is de god van het Kwaad of het booze Beginsel, de vijand der andere góden. Oorspronkelijk was hij het bliksemvuur en dus met de lichtgoden verwant, maar hij heeft alleen de dreigende, schadelijke zijde van dit wezen behouden.

Aegir, de Waterman, is van afkomst een reus, de goddelijke verpersoonlijking der onmetelijke zee; zijn vrouw Kan is de booze geest der zee, die alle drenkelingen verzwelgt.

Onder de godinnen is Nerthus (interpretatio Romana voor Njord, lord) de vergoddelijkte Moeder Aarde (Terra Mater bij Tacitus), de Voedster der Mensehen, het zegenbrengend land; naderhand wordt zij echtgenoote van den lichtgod Dys, Woden of Freyr, het toonbeeld der vrouwen, de beschermster van het huisgezin en de uitdeelster van den huwelijkszegen. In dien zin heet zij Frigg, Freya (Latijnsche Venus). Dan nog zijn enkele zijden harer werkzaamheid, of uitingen van haar wezen tot afzonderlijke godinnen gemaakt, zooals Holda, Gefjon, Sunna en Fulla.

Hel was eerst de algemeene verblijfplaats der dooden,. dan de sombere strafplaats der misdadigen en ook de persoonlijke gebiedster van het doodenrijk, een rampzalig wezen met alle straffen van het mensehdom beladen, de Proserpina der Grieken.

De reuzen zoowel als de góden zijn verpersoonlijkte natuurkrachten: doch, terwijl de góden hooger staan dan de natuur en dezelve beheerschen, zijn de reuzen nog niet uit den kring der stoffelijke elementen losgerukt. Het zijn de ruwe, dreigende natuurkrachten die in de reuzen belichaamd zijn, niet de zachte en weldoende, zooals zon of maan of hemel, welke de kern gegeven hebben voor het ontstaan der goddelijke wezens. De reuzen zijn gemeenlijk vijandig aan de góden en aan de wereldorde: tegen hunne aanslagen moeten de góden, en voornamelijk Thor met zijnen hamer, hun oppergezag en de bestaande wetten handhaven. Ook den mensehen zijn zij niet altijd gunstig gestemd, maar berokkenen zij dikwijls kwaad. Het verblijf der reuzen heet Jotunheim (reuzenrijk) en is aan het Noordoosten der wereld gelegen; enkele nochtans wonen in het natuurelement dat zij verpersoonlijken: Aegir de Waterman, half god, half reus, woont in de zee, Thjazi, de storm- of wolkenreus woont in het gebergte. Men onderscheidt wateren ijsreuzen, wind- en storm-, berg- en woudreuzen.

Immanente natuurkrachten welke zacht en weldoend van aard zijn, worden, bij verpersoonlijking, als op zich zelf staande wezens opgevat en alven geheeten. Het is altijd anthropomorphisme, of uitbreiding van den mensch buiten den mensch. Zoowel als donderwolk of bliksemflits tot machtige reuzen herschapen worden, nemen ook de kalme lucht, het stille woud, de zachte zonneschijn een persoonlijk karakter aan en worden, om hun gemeenzamen omgang met den mensch en het goed dat zij hem doen, tot hem gelijkende wezens gemaakt. Alf beteekent zooveel als , grijpende geest” en de lucht is zijn gewoon levensmidden. Edoch, volgens de bepaalde plaats, welke de alven in de lucht verkiezen, heeft het volksgeloof ook aard- en bergalven, wouden veld- en zelfs wateralven uitgedacht. De aard- en bergalven zijn de dwergen (kabouters), de wateralven zijn de nikkers.

Oorspronkelijk zijn de alven lichtverschijnsels en hebben daarom het heerlijkste voorkomen: de lichtaiven zijn wezens van ideale schoonheid (elbenschön, elvenkind). Het zijn als engelen in mensehenvorm; zij zijn ook subtiel en dringen overal naar willekeur binnen, door het sleutelgat. Gemeenlijk zijn zij den mensehen gunstig, behulpzaam in ziekten en andere noodwendigheden; dit geldt echter niet voor de dwergen, ook zwartalven genoemd, welke dikwijls vervaarlijk wraaklustig kunnen zijn.

Niet alleen de natuurkrachten uit de buitenwereld worden door mythische schepping tot persoonlijke zelfstandigheden gemaakt in reuzen en alven, maar ook de inwendige levenskrachten en ervaringen van den mensch worden persoonlijk opgevat in zielen en maren. De zielen blijven waren rond het lijk, komen weder na den dood, worden opgeroepen door bezweerders. Maren zijn drukgeesten, zelfstandig gedachte verschijnsels die den mensch bezoeken in den droom, meest om hem te plagen. De mare vertoont doorgaans de gedaante van draken, beren, bokken, paarden (nachtmerrie, cauchemar).

Zoowel aan geesten als aan góden werden door de heidensche Germanen offers gebracht. Voor de geesten bestonden zij aanvankelijk uit spijzen, daar men meende dat de geesten deelnamen aan den maaltijd. Zoo offerde men ook spijzen aan de zielen en hield men maaltijden op de graven, waardoor de dooden moesten gebaat worden: sacrilegia ad sepulcra moriuorum, sacrilegia super defunctos. Ter eere der góden werden ook levende wezens geslachtofferd, om hunne heerschappij over leven en dood te erkennen. Nadat men beelden van de góden had vervaardigd werden deze met het bloed van het slachtoffer besprenkeld. Men meende dat hierdoor, wanneer het houten of metalen beeld in aanraking kwam met het bloed, de bron van het leven, de geest der godheid in het beeld nederdaalde en daarin als- belichaamd tegenwoordig gesteld werd.

De hoogste gave die men den góden brengen kan is het plengen van menschenoffers. Ten tijde van Tacitus (Germ. 9) werden zulke aan de góden gebracht; ook werden soms, gelijk na den dood van Sigurd, menschen gedood om de zielen der groote mannen op de hellereis te vergezellen of om den geest van onrechtvaardig gedooden te verzoenen. Eerst dienden de bosschen als geliefkoosde offerplaatsen. De góden schenen zich te behagen in het geheimzinnig gesuizel der woudboomen. Het ligt buiten twijfel dat later ook eigenlijke tempels opgebouwd werden.

De Wereld wordt voorgesteld als een overgroote boom, waaronder de góden alle dagen gerecht houden. Zijne takken strekken zich over de geheele aardvlakte uit boven den hemel. De wereldesch staat recht op drie wortels welke ver uiteenloopen, naar de menschen, naar de ijsreuzen en naar het Nevelheim. In de takken van den wereldboom zit een arend die veel kundigheden bezit; een eekhoorntje loopt langs den boom op en af en draagt aan den draak Nidhogg (die aan den derden wortel knaagt) en aan den arend de haatvolle woorden over die zij met elkander wisselen. Vier herten loopen in de takken van den esch en bijten de takjes af, en bij Nidhogg liggen een groot aantal slangen die mede den boom verknagen. Van den anderen kant scheppen de Nomen (Schikgodinnen: Parcse) iederen dag water uit de bron van Urd, en besproeien daarmede zijne takken. In de kruin van den boom zit een glanzende haan, die waakt om de góden ten strijde te roepen wanneer de reuzen den grooten strijd zullen beginnen.

Als de jongste dag gekomen is, loopen al de reuzen en helbewoners, te zamen met de wilde krachten der natuur, storm tegen de góden en de door hen gevestigde orde. De góden bezwijken onder de overmacht van het Booze; dit is de beruchte godenschemering, het eindlot der hoogste wezens. Doch weldra wordt Odin gewroken door zijn zoon, de aarde is vernieuwd en door nieuwe geslachten bewoond.