Gepubliceerd op 23-02-2021

Mecklenburg

betekenis & definitie

een land aan de Oostzee, tusschen 53° 4' en 54° 22' N.B, en 10° 36' en 13° 51' O.L. van Greenwich, landwaarts omgeven door de pruisische provinciën Pommeren, Brandenburg, Hannover, Sleeswijk-Holstein en het gebied der stad Lübeck; het is 16.091 km.2 groot en omvat de beide tot het Duitsche rijk behoorende groothertogdommen Mecklenburg-Schwerin en Mecklenburg-Strelitz.

Mecklenburg-Schwerin, in oppervlakte de 7de, in bevolking de 9de bondsstaat van het Duitsche rijk, is een vlak land, dat door duinen tegen de zee beschermd wordt; het beslaat een oppervlakte van 13.1612/3 km.2 en telde in 1900: 607.770 inw., die voor het meerendeel hun bestaan vinden in den landbouw en de veeteelt. Hoofdstad is Schwerin.

Mecklenburg-Strelitz, in oppervlakte de 12de, in bevolking de 20ste bondsstaat van het Duitsche rijk, bestaat uit twee, door M.Schwerin volkomen van elkander gescheiden gedeelten: de heerlijkheid Stargard en het vorstendom Ratzeburg, tezamen 2929km.2 groot, in 1900 met 102.602 inw. Hoofdstad is Nieuw-Strelitz.

Beide groothertogdommen hebben een gemeenschappelijke staatsregeling, welke berust op de unie der prelaten, mannen en steden der mecklenb. landen van 1 Aus*. 1523 en het erfverdrag van 18 April 1755. De vertegenwoordiging, het korps van ridder en landschap geheeten, bestaat uit een korps der ridderschap, waarvan allen lid zijn die een riddergoed bezitten (zonder onderscheid van adel- of burgerstand) en dat circa 700 leden telt, en het korps van het landschap, bestaande uit de vertegenwoordigers der 47 plattelandssteden (waartoe de residentiestad Nieuw-Strelitz niet behoort) en de beide zeesteden Rostock en Wismar.

Geschiedenis

In de vroege oudheid woonden in deze streken verschillende duitsche volksstammen, zooals de Warnen e. a.; tijdens de volksverhuizing bezetten de Obotriten het land, die eerst door hertog Hendrik den Leeuw onderworpen en tot het christendom bekeerd werden. De Obotritenvbrst Niklot, naar wiens stamzetel Mikilinborg (Meklenburg, thans een dorp tusschen Wismar en het Schwerinermeer) het land zijn naam ontving, viel 1160 in den strijd. Zijn zoon Pribislaw, de stamvader van het thans nog regeerend vorstenhuis, liet zich doopen en werd als duitsch vazal weer in zijn gezag hersteld; men scheidde echter het graafschap Schwerin van het land af en verleende het omstreeks 1167 aan ridder Gunzel van Hagen; Hendrik de Leeuw richtte de bisdommen Schwerin en Ratzeburg op; sedert begon de germaniseering van het land; langzamerhand verhieven zich ook enkele steden, waaronder vooral Rostock en Wismar. Na den val van Hendrik den Leeuw werd M. door koning Waldemar II van Denemarken onderworpen; doch 1223 nam graaf Hendrik van Schwerin, de zoon van Gunzel, den deensehen koning gevangen en Waldemar moest na langdurige hechtenis in M. zijn vrijheid door volledigen afstand en een hoogen losprijs afkoopen. De slag bij Bornhöved (22 Juli 1227) maakte aan de deensche heerschappij in Noord-Duitschiand voor altijd een eind. In 1229 verdeelden de kleinzoons van Hendrik Borevin, den zoon van Pribislaw, het land in vier liniën.

Van deze bloeit de oudste, die in het stamslot M. haar zetel vestigde, tot nu toe voort en erfde in 1261 de linie Richenberg (Parchim), 1314 die van Rostock en 1436 die van Werle (vorstendom Wenden); bovendien verwierf zij 1358, na het uitsterven der grafelijke dynastie van Schwerin, ook dit graafschap. Voorts kwam door huwelijk in 1301 de heerlijkheid Stargard, die oorspronkelijk tot Brandenburg behoorde, als bruidschat aan M.; wel werd met deze heerlijkheid in 1352 een jongere zijlinie begiftigd, doch deze stierf 1417 weer uit, zoodat toen geheel M. onder een enkelen vorst kwam; als er verschillende broeders tegelijk leefden, regeerden zij voortaan gewoonlijk te zamen. Sedert deze vereeniging werden de tot dusver gescheiden landstenden der heerlijkheden M., Werle en Stargard tot gemeenschappelijke landsdagen samengeroepen, en 1523 sloten de prelaten, mannen en steden van het geheele land onder elkander een unie, die ondanks de latere verdeelingen van het land bleef bestaan en den grondslag vormde voor de verdere ontwikkeling der staatsregeling in M.

Tijdens de middeleeuwen maakten de hertogen van Saksen en de markgraven van Brandenburg aanspraak op de leenhoogheid over M., en eerst 8 Juli 1348 werden de meeklenburgsche vorsten door keizer Karel IV tot hertogen benoemd en daarmede later als volgerechtigde rijksvorsten erkend. Latere twisten met Brandenburg werden bijgelegd door het verdrag van Wittstock 12 April 1442, waarbij het brandenburgsche keurvorstenhuis van verschillende aanspraken afzag, maar daarvoor de eventueele successie in geheel M., zoodra aldaar de mannelijke stam der dynastie zou uitgestorven zijn, aan Brandenburg werd verzekerd. Met de Reformatie werd 1524 de luthersche geloofsbelijdenis ingevoerd en ook het bisdom Schwerin kwam sedert onder het bestuur van het mecklenburgsch vorstenhuis; 1611 en 1621 had een nieuwe formeele landsverdeeling plaats, waarbij echter de stad en universiteit Rostock, het hofgerecht, het consistorie, de landsstenden enz. onverdeeld bleven. Zoo ontstonden de liniën Güstrow en Schwerin. Tijdens den Dertigjarigen oorlog werden de beide hertogen, Johann Albrecht II van MecklenburgGüstrow en Adolf Friedrich I van Mecklenburg-Schwerin, wegens hun verbond met koning Christiaan IV van Denemarken in den rijksban geslagen en verdreven. Daarop beleende keizer Ferdinand II 16 Juni 1629 Wallenstein met M.; met de hulp van Gustaaf Adolf van Zweden keerden de verdreven hertogen weldra weer terug en de vrede van Praag bevestigde hen 1635 in het bezit van hun erflanden. In den vrede van Munster 1618 moesten de hertogen de stad Wismar benevens de ambten Poel en Neukloster aan Zweden afstaan, doch kregen als schadeloosstelling de geseculariseerde bisdommen (vorstendommen) Schwerin en Ratzeburg benevens de Johanniter-commandeursehappen Mirow en Nemerow.

De linie Güstrow stierf reeds 1695 met Gustav Adolf, den zoon van Johann Albrecht II, uit; hertog Friedrich Wi.helm van Schwerin wilde nu het geheele land voor zich nemen, maar zijn oom Adolf Friedrich II van Strelitz protesteerde daartegen; na langdurige twisten kwam door bemiddeling van keizer Leopold I het Hamburgsch verdelingsverdrag van 8 Maart 1701 tot stand; Adolf Friedrich kreeg de heerlijkheid Stargard benevens Mirow en Nemerow en het vorstendom Ratzeburg en werd tevens de stichter der linie Strelitz. 'Tegelijkertijd werd het eerstgeboorterecht en liet liniesysteem ingevoerd. De unie der landsstenden bleef onveranderd bestaan. Twee bij uitzet ontstane zijliniën, die van Grabow, afstammend van Schwerin, en die van Mirow, .afstammend van Strelitz, gingen 1746 en 1752 weer in de hoofdliniën op. In Mecklenburg-Schwerin werd Friedrich Wilhelm (1692 —1713) opgevolgd door Karl Leopold (1713— 28, om zijn voortdurende oneenigheden met de stenden door den rijkshofraad afgezet), diens broeder Christian Ludwig (sedert 1728 administrator, sedert 1733 keizerlijk commissaris, 1747—56 hertog), Friedrich (1756— 85), zijn neef Friedrich Franz I (1785—1837), diens kleinzoon Paul Friedrich (1837—42), Friedrich Franz II (1842—83; diens jongste zoon uit het derde huwelijk, Hendrik — zie ald., nr. 44 —, huwde 7 Febr. 1901 met koningin Wilhelmina der Nederlanden), Friedrich Franz III (1883—97), Friedrich Franz IV (thans, 1905, regeerend). Schwerin kreeg door verdrag met Zweden 26 Juni 1803 het pandbezit van Wismar (zie ald.), Poel en Neukloster.

In Mecklenburg-Strelitz werd Adolf Friedrich II (1701—08) opgevolgd door Adolf Friedrich III (1708—52), zijn neef Adolf Friedrich IV (1752—94), diens broeder Karl (1794— 1816), Georg (1816—60), Friedrich Wilhelm (1860—1904), zijn zoon Adolf Friedrich (thans regeerend). Friedrich Franz I trad 22 Maart, Karl 18 Febr. 1808 tot het Rijnverbond toe, doch beiden maakten zich in Maart 1813 daarvan weder los en sloten zich bij de alliantie tegen Napoleon aan. Op het congres van Weenen werd aan de beide hertogelijke huizen van M. de waardigheid van groothertog toegestaan (Juni 1815).

In den eeuwenlang durenden strijd van de vorstelijke macht met de rechten der stenden zegevierden in M. de stenden. Na lange twisten sloot Christian Ludwig van Schwerin met de stenden het erfverdrag van Rostock van 1755, waarbij laatstgenoemden hun aanspraken doorzetten en hun rechten vaststelden; nog in hetzelfde jaar trad Adolf Friedrich IV van Strelitz tot dat verdrag toe. De thans nog bestaande ouderwetsche stendenregeling was een onoverkomelijke hinderpaal voor elke verdere binnenlandsche staatsvorming; 1820 werd de lijfeigenschap opgeheven. Tegenover het duitsche tolverbond hield M. zich hardnekkig afgesloten. Zich aansluitend bij de beweging van 1848 riepen de beide groothertogen in overeenstemming met een buitengewonen landdag een constitueerende vergadering te Schwerin bijeen, welke 31 Oct. 1848 werd geopend. Nadat de groothertog van Mecklen. burg-Strelitz 11 Aug. 1849 onder terugroeping der strelitzsche afgevaardigden de relaties met de vergadering had afgebroken, werd deze door den groothertog van MecklenburgSchwerin 22 Aug. ontbonden met de verklaring, dat de door hem beloofde constitutie in overleg met de vergadering van afgevaardigden ten einde gebracht en hij bereid was, aan de overeengekomen staatsgrondwet zijn landsheerlijke sanctie te verleenen, hetgeen 24 Aug. gebeurde; 10 Oct. 1849 werd de wet, betreffende de opheffing der stendenregeling en de staatsgrondwet, de overeenkomst omtrent het afstaan der groothertogelijke domeinen aan den staat enz. afgekondigd, en 27 Febr. 1850 kwam de eerste gewone landdag volgens de nieuwe grondwet bijeen.

De strelitzsche regeering, die de rechtmatigheid van de opheffing der stendenregeling bestreed, diende een klacht in bij het voorloopig scheidsgerecht van het Driekoningenverbond te Erfurt, terwijl een aantal leden der door de schwerinsche wet opgeheven ridderschap bij de centrale bondscommissie te Frankfort a. M. de instelling van een scheidsrechterlijk onderzoek ter beslissing van den strijd der stenden met de regeering aanhangig maakte. De centrale bondscommissie gaf hieraan gehoor en 11 Sept. 1850 verklaarde het te Freienwalde samengekomen scheidsgerecht, bestaande uit twee door de koningen van Pruisen en Hannover benoemde leden en een door dezen gekozen voorzitter, de staatsgrondwet van 10 Oct. 1849 alsmede de opheffing der stendenregeling voor onrechtmatig, waarop de groothertog te Schwerin 14 Sept. de grondwet van 1849 buiten werking stelde. De tegen 24 Sept. door den president der ontbonden verklaarde kamer naar Schwerin bijeengeroepen afgevaardigden werden door politiemaatregelen verhinderd bijeen te komen; 15 Febr. 1851 kwamen de oude stenden weer samen. Tal van sedert genomen reactionnaire maatregelen, zooals de wederinvoering der lijfstraffen, verwekten groot opzien. Bij de in Juni 1866 begonnen ontbinding van den Duitschen bond en in den daarop volgenden oorlog schaarden de beide groothertogdommen zich aan de zijde van Pruisen.

Beide zijn sedert 1867 bestanddeelen van den Noordduitschen Bond en sedert 1871 van het Duitsche Rijk. Volgens een op 27 Jan. 1867 tusschen Pruisen en Frankrijk gesloten overeenkomst werd M. tegen ver-

laging van het invoerrecht op fransche wijnen van het handelsverdrag met Frankrijk van 1865 ontslagen en daardoor de 11 Aug. 1868 voltrokken opneming van M. in het tolverbond mogelijk gemaakt. Bij verordening van 16 Nov. 1867 werd het recht der pachtboeren van het domein op hun hoeven in erfpacht veranderd in Mecklenburg-Schwerin; na lang aandringen van verschillende zijden schonk de groothertog van Mecklenburg-Strelitz aan het vorstendom Ratzeburg 6 Nov. 1869 een eigen staatsregeling, die echter nog niet in werking trad daar de bevolking het met den inhoud daarvan niet eens was en alleen zulke afgevaardigden koos, die willens waren, van de vergadering weg te blijven zoodat deze geen besluiten kon nemen. Een reeks wetten van den Noordduitschen Bond en van het Buitsche Rijk hebben in M. gewichtige hervormingen bewerkt, maar nog altijd verzetten de stenden zich tegen een verandering der staatsregeling. In de plaats van den in Juli 1901 overl. staatsminister von Bülow kwam de graaf von Bassewitz, die behalve president van het staatsministerie ook hoofd der departementen van binnen- en buitenl. zaken werd.

Literatuur: Groszherzogl. mecldenb.-schwerin. Staatskalender (Schwerin, 1776), Jahrbücher des Vercins für mecHenb. Geschichte und Altertumskunde (thans uitgeg. door Grotefend, bestaat sinds 1836), Boll, Geschichte M.s (1855—56), dezelfde, Mecklenb. Urkundenbuch (dl. 1—21, Schwerin 1863—1902), Balck, Verwaltungsnormen in Mecklenburg-Schwerin (ald. 1883—1900), Büsing, Staatsrecht der Groszherzogtümer M. (in „Handbuch des bffentlichen Rechts”, dl. 3, Freib. i. Br. 1884), Raabe, Mecklenb. Vaterlandskunde (2de dr. 3 dln., Wism. 1893—-96), Wossidlo, Mecklenb.

Volksübcrlieferungen (dl. 1—2, ald. 1897—99), Geinitz, Geolog. Führer durch M. (Berl. 1899), MecMenb. Geschichte in Einzeldarstellungen, uitgeg. door Bettz, Beyer, Graff e. a. (1899 v.v. Berlijn), Mecklenb. Urkunden und Daten. Quellen vornehmlich für Staatsgeschichte und Staatsrecht M.s, door Sachsse (Rost. 1900), W.

J. F. Juten, Het groothert, huis M. (Bergen-op-Zoom 1903).

< >