Gepubliceerd op 23-02-2021

Liefdadigheid

betekenis & definitie

In het algemeen is hieronder te verstaan: het verleenen van hulp en bijstand aan degenen, die deze hetzij in materieelen, hetzij in moreelen zin behoeven, en niet of niet geheel in staat zijn zich zelven te helpen. Zij openbaart zich in tal van vormen die tot de volgende hoofdgroepen kunnen worden teruggebracht:

1) bedeelende armenzorg,
2) ziekenzorg,
3) werkverschaffing,
4) kinderverzorging,
5) zorg voor ouden van dagen,
6) zorg voor moreel misdeelden.

Een groote plaats neemt uit den aard der zaak de bedeelende armenzorg in, die in haar toepassing bovendien voortdurend met de andere hoofdgroepen in aanraking komt. Hieruit blijkt al dadelijk van hoeveel belang een goede samenwerking der verschillende instellingen van weldadigheid is; daarover volgt nader nog een en ander.

De zucht tot weldoen is als het ware den mensch ingeschapen, terwijl deze zich op velerlei wijzen uit. Langzamerhand wint de opvatting veld, dat liefdadigheid meer moet zijn dan een eenvoudig uitreiken van liefdegaven, dat zij niet enkel moet bestaan in een oogenblikkelijk lenigen van bepaalde nooden, maar dat zij een middel moet wezen om systematisch blijvende verbetering te weeg te brengen. Terwijl dan ook oorspronkelijk de liefdadigheid zich in hoofdzaak deed kennen door geldelijken onderstand aan armen, weezenverpleging en verzorging van ouden van dagen, grootendeels in toepassing gebracht door kerkelijke besturen, is vooral in de 19de eeuw een belangrijke ontwikkeling tot stand gekomen. Het particulier initiatief heeft zich in buitengewoon groote mate doen kennen, en danken wij daaraan een reeks hoogst nuttige instellingen, die veel hebben bijgedragen tot het welzijn van tal van individuën, alsook, en juist daardoor, van het algemeen.

Zien wij bijvoorbeeld naast den oudsten vorm van kinderverzorging, n.l. de weezenverpleging, wat hier te lande gedaan wordt in het belang van verwaarloosde kinderen, waardoor velen, die anders slechts in „verbeterhuizen” of gevangenissen terecht konden komen, tot nuttige werkzame leden onzer maatschappij opgeleid worden. Niet minder dan 48 inrichtingen bestaan er ten onzent, waar verwaarloosde en verlaten kinderen een goede opleiding kunnen ontvangen, of die zoodanige kinderen tot dat doel bij particulieren uitbesteden. (Deze en andere soortgelijke gegevens zijn ontleend aan den Gids der Nederlandsche Weldadigheid, bewerkt door de h.h. J. F. L. Blankenberg, Dr.

H. J. de Dompierre de Chaufepié en Jhr. Mr. H. Smissaert.)

Zien wij verder de ontwikkeling van de blindenverzorging, niet alleen door die vereenigingen en inrichtingen welke deze ongelukkigen geldelijk en door werkverschaffing steunen, maar vooral wat gedaan wordt om jeugdige blinden een opleiding te geven die hen op lateren leeftijd in staat stelt zelfstandig door het leven te komen. Bovenaan staat daar het „Instituut tot onderwijs voor Blinden” te Amsterdam onder directie van den heer H. J. Lenderink, waar blinde kinderen van 6—18 jaar gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs ontvangen en voorts in handwerken en muziek. In de Gids der Nederlandsche Weldadigheid vinden wij hierbij aangeteekend: „Onderscheidene onzer voornaamste organisten zijn blind en waren kweekelingen van het instituut.”

Het Nederl. Genootschap tot zedelijke verbetering van gevangenen tracht ontslagen gevangenen, die daarvoor in aanmerking komen, aan een behoorlijk bestaan te helpen, en vooral jeugdige ontslagenen op het goede pad te houden; en denken wij daarbij aan de werkzaamheid van het Leger des Heils, van de Algem. Nederl. vereen, tot christelijke verpleging van bedelaars en landloopers; aan de Heldring-gestichten — dan zien wij dat er hard gewerkt wordt om hen te helpen die zich op een of andere wijze tegen de maatschappelijke orde hebben vergrepen, of dit dreigen te zullen doen.

Aan het hiervoren vermelde omtrent de zorg voor verwaarloosde en verlaten kinderen mag nog toegevoegd worden dat ten aanzien der weezenverpleging, naast de verpleging in gestichten, hoe langer hoe meer de opvoeding in het huisgezin op den voorgrond treedt. De Mij. tot opvoeding van weezen in het huisgezin, opgericht in 1874, met hare vertakkingen over het geheele land, heeft aan dit beginsel den grooten stoot gegeven. Het aantal door haar verpleegden bedroeg 230 in 1896. Ook andere instellingen werken, althans ten deele, in deze richting; zoo de inrichting voor stads-bestedelingen te Amsterdam, die hare verpleegden boven 6 jaar op het platteland uitbesteedt, terwijl hier en daar kleine vereenigingen. zelfstandig, of wel onder beheer van regenten van weeshuizen op meer of min beperkte wijze de gezinsverpleging bevorderen.

Het aantal weeshuizen, d. z. gestichten tot verpleging van weezen, is bizonder groot; voor verreweg het meerendeel worden in elk dezer gestichten alleen weezen van één bepaalde gezindte opgenomen en staan zij onder beheer of toezicht van de kerk of althans van personen tot die gezindte behoorende. Intusschen vinden wij ook geheel zelfstandige inrichtingen voor weezenverpleging, zooals de bekende weesinrichting „Neerbosch”, en weer anderen die een middenweg tusschen gestichtsen gezinsverpleging hebben gekozen, en daartoe den paviljoen-vorm aannamen. Zoo b.v. de Vereeniging van weesvaders te Utrecht, die „de gebreken die de gestichten-verpleging aankleven zooveel mogelijk (wenscht) te verhelpen” en daartoe huizen voor hoogstens 50 weezen oprichten, waaronder het weeshuis „Lindelaan” te Maarsen, waar in 1897 het aantal verpleegdenl5 bedroeg. De weesinrichting „Huisduinen” te Huisduinen werkt in gelijken zin, doch met kleinere paviljoenen.

Als voorbeelden van weeshuizen waar kinderen van alle gezindten worden opgenomen, noemen wij o. a. „het Geuzengesticht Wilhelmus van Nassouwe” te Brielle "(waar in 1898 zich 66 verpleegden bevonden), het „Vereenigd Wees- en - Aalmoezeniershuis” te Gouda, met een bevolking van ^ 75 verpleegden en het gesticht „Beth Paleth” te Vianen met tusschen 36 en 50 verpleegden.

Een groot aantal inrichtingen neemt ook halfweezen op; sommige zijn mede bestemd voor verlaten of verwaarloosde kinderen.

Wat de geldelijke zijde aangaat wordt alleen volledigheidshalve vermeld dat, voorzoover niet het beheer bij de burgerlijke of de kerkelijke gemeente berust, de voorwaarden voor opname zeer verschillend zijn. In den regel wordt, tenzij voldoende fondsen aanwezig zijn, voor opname in bizondere inrichtingen of voor verpleging in het gezin, een grootere of kleinere bijdrage gevorderd.

Met een enkel woord is reeds aangestipt de zorg voor verwaarloosde kinderen, wier aantal inderdaad zeer groot is. Het zijn zoowel kinderen die van een behoorlijke opvoeding verstoken blijven door de geringe zorg der ouders, als zij die door slecht gedrag of ook door toegevendheid of zwakheid der ouders, onder vreemde leiding en tucht moeten gebracht worden. Onder de gestichten die zich met de verzorging van zoodanige kinderen bezighouden, mag in de eerste plaats genoemd worden de Martha-stichting te Alfen aan den Rijn, waar het aantal verpleegden reeds boven de 300 is gestegen; verder het Christelijk Doorgangshuis te Hoenderloo; „Talitha Kumi” en het Kinderhuis te Zetten; de Christina-stichting te ’s Gravenhage, waar niet meer dan 30 kinderen worden opgenomen; de doorgangshuizen van de Vereeniging tot steun van verwaarloosden en gevallenen, te Amsterdam; het liefdegesticht „de Goede Herder” te Almelo; het gesticht der Aloysius-vereeniging „de Heybloem” te Heythuizen enz. Ten aanzien van de geldelijke voorwaarden en de wijze van verpleging geldt hetzelfde als ten aanzien der weezenverzorging is gezegd.

Blijven we voorloopig bij de zorg voor kinderen in het algemeen, dan ontmoeten wij nog een groot aantal vereenigingen voor kinderkleding, die op grooter of kleiner schaal ingericht, veelal tot een bepaalde gezindte of bepaalde stadsdeelen beperkt zijn.

Vereenigingen voor kindervoeding (evenals die voor kinderkleeding, beoogende het schoolbezoek te bevorderen), hebben niet nagelaten haar weldadigen invloed te doen gelden, ofschoon bezwaren tegen deze wijze van kinderzorg niet uitbleven. Intusschen mogen wij ons gelukkig achten dat theoretisch wellicht min of meer gegronde bedenkingen, de ontwikkeling van dit liefdewerk niet hebben kunnen tegenhouden, en tengevolge van de invoering der leerplichtwet zal een groote uitbreiding daaraan gegeven worden.

Vermelden wij ten slotte de Vereenigingen voor Gezondheids- en Vacantiekolonies, die aan tal van minvermogenden de gelegenheid schenken, gedurende korteren of langeren tijd (in den regel alleen ’s zomers) door een verblijf aan zee of in boschstreken, gezondheid en levenskracht op te doen. Een zoodanige vereeniging is gevestigd te ’s Gravenhage, die hare verpleegden naar Princenhage zendt; één te Rotterdam die mede kosteloos een 200-tal kinderen onder hare hoede neemt; de Ver. voor gezondheids- en vacantiekolonies te Amsterdam die de kleinen naar Zandvoort en Austerlitz zendt, terwijl de vereenigingen te Leeuwarden en te Groningen elk een 20-tal kinderen naar Schiermonnikoog zenden. Een tweede te Amsterdam gevestigde vereeniging speciaal voor Israëlietische kinderen (ofschoon ook anderen niet uitgesloten zijn) heeft haar herstellingsoord te Wijk aan Zee, waar ook opgenomen kunnen worden de kinderen die haar door de Haagsche en Rotterdamsche vereenigingen ten behoeve van Israëlietische kinderen, worden toevertrouwd. De Sophiastichting te Scheveningen verpleegt de kinderen niet kosteloos; daar wordt een bijdrage van f 0.75 of f 1.— per dag gevorderd. Daarentegen is de duur van het verblijf in den regel langer, — bij de andere vereenigingen wordt met het oog op de elkaar opvolgende kolonies als norm een verblijf van drie weken aangenomen.

Ten aanzien van ziekenzorg wordt hier, in verband met het korte beschikbare bestek, slechts herinnerd aan de talrijke gelegenheden tot verpleging en hulp in haast alle denkbare gevallen. In de eerste plaats mag gewezen worden op de sanatoria voor longlijders, die voor zoovelen, vroeger als ongeneeslijk beschouwden, redding brengen. Het heerlijke voorbeeld door H. M. de KoninginMoeder in dit opzicht gegeven, heeft reeds velen tot navolging bewogen. Krankzinnigen, zenuwzieken, drankzuchtigen, idioten, spraakgebrekkigen, doofstommen, — allen kunnen genezen of opgebeurd worden; terwijl ziekenfondsen de minvermogenden in staat stellen op gemakkelijke wijze goede geneeskundige hulp te krijgen.

Wijden wij ten slotte onze aandacht aan den vorm van liefdadigheid, die ten deele ook bij het reeds besprokene een groote rol speelt, n.l. de armenzorg, d. i. de zorg voor de maatschappelijk zwaksten onder ons. In haren ouderen vorm was het eenig doel van armenzorg: het ondersteunen van de armen. Langzamerhand hebben de denkbeelden hieromtrent zich ontwikkeld en thans begrijpt men dat de gewone ondersteuning wel uit den aard der zaak noodzakelijk, doch niet het eenige, zelfs niet het hoofddoel der armenzorg is. Naast de leniging der armoede tracht men thans zooveel mogelijk op allerlei wijzen dit kwaad te bestrijden. Was de armenzorg vroeger hoofdzakelijk in handen van kerkelijke besturen, behalve de werkzaamheid van particulieren individueel, — sedert geruimen tijd hebben zich tal van vereenigingen gevestigd, die elk een meer of min afgerond deel der armenzorg tot haar* taak hebben gemaakt. Geheel ongereglementeerd en zonder eenige verantwoordelijkheid, was ieder steeds vrij ten aanzien van armenzorg te doen en te laten wat hij wilde; gelegenheid om, te weten wien en waarom men zijn gaven uitreikte, bestond weinig en waar mogelijk werd zij, veelal uit gemakzucht, veronachtzaamd.

Het was in den regel voldoende dat iemand op straat vragend de hand uitstak, om medelijdende voorbijgangers tot geven te bewegen. Hoe menigmaal hebben wij niet, zelfs in kinderboeken, het als een der hoogste deugden voorgesteld gezien, dat voor andere doeleinden opgespaarde gelden aan den eersten den besten onbekenden vrager werden afgestaan? Men gaf eenvoudig wat, meenende daarmede een goed werk te doen — en men deed zoo dikwijls kwaad. Eerst in het jaar 1854 kregen wij, ter voldoening aan de desbetreffende bepaling der Grondwet, een „wet tot regeling van het armbestuur”, die reeds onvoldoende voor den tijd waarin zij gemaakt werd, nu, na 50 jaren, ongewijzigd is blijven bestaan tot ergernis van hen die zich met armenzorg bezig houden, en tot schade voor de armen.

Deze wet gaat uit van het gronddenkbeeld, dat de ondersteuning van armen wordt overgelaten aan kerkelijke en bizondere instellingen van weldadigheid, terwijl een burgerlijk bestuur (d. i. de overheid) alleen onderstand mag verleenen, als deze niet van andere zijde kan verkregen worden, en dan slechts in geval van „volstrekte onvermijdelijkheid”. Of nu de wetgever van 1854 er op meende te kunnen rekenen, dat de beschikbare middelen van de kerkelijke en bizondere instellingen voldoende zouden zijn en blijven om in alle nooden te voorzien, is niet met zekerheid te zeggen, maar een feit is het dat, ook zelfs in aanmerking genomen de individueele werkzaamheid van velen, de kerkelijke en particuliere liefdadigheid ten eenenmale onvoldoende is, zoodat de „burgerlijke besturen” inderdaad het leeuwendeel, immers meer dan de helft, van de gewone armenzorg voor’ hunne rekening hebben, terwijl ook de geneeskundige armverzorging van overheidswege een buitengewoon grooten omvang heeft.

Bij gebreke van een voldoende wettelijke regeling der armenzorg, heeft men in de practijk langzamerhand verbeteringen ingevoerd, die voor een deel althans hebben kunnen te weeg brengen, wat een goede armenwet zou kunnen geven, doch het spreekt van zelf, dat, zoolang elke wettelijke dwingende kracht daaraan ontbreekt, het slechts half werk is.

Een eerste stap tot verbetering der armenzorg werd in Amsterdam gedaan in 1870, toen een drietal jongelingen een vereenigingetje oprichtten, met het doel armen te ondersteunen, waarbij deze twee beginselen op den voorgrond werden gesteld: lo geen hulp te verleenen dan na voorafgaand onderzoek naar behoefte en hulpwaardigheid, en 2o geen onderscheid te maken tusschen belijders van verschillende gezindten. Op 1 Januari 1871 in werking getreden op uiterst bescheiden schaal, heeft deze kleine vereeniging onder den naam Liefdadigheid Naar Vermogen zich langzaam maar gestadig ontwikkeld tot de grootste weldadigheidsvereeniging in ons land. Door het geheele land zijn later op gelijksoortige grondslagen andere dergelijke vereenigingen opgericht, waarvan een der eerste gevolgen werd een zekere samenwerking tusschen al die zusterverenigingen door elkander in te lichten en voor elkander te werken waar het personen betreft die vroeger elders woonden. Het bleek al spoedig dat deze wijze van werken veel sympathie ondervond; niet alleen kwamen betrekkelijk ruime baten in, maar ook werd veel persoonlijke medewerking verleend door tal van vrijwilligers, die, uit bijna alle rangen der maatschappij gekozen, zich belastten met het bezoeken der armen. Een der goede gevolgen van de nieuwe richting is geweest het af nemen van de bedelarij; wie herinnert zich niet hoe b.v. in Amsterdam vroeger bij tal van gegoede particulieren ’s morgens één of meermalen per week geheele rijen personen hunne wekelijksche of maandelijksche ondersteuning kwamen halen, in den regel door een dienstbode uitgereikt, zonder dat iemand zich er om bekommerde of het gegeven geld terecht gegeven en nuttig besteed werd. Een krachtige poging tot bestrijding van deze en andere bedelarij, werd door Liefdadigheid Naar Vermogen met vrij goed gevolg ondernomen; sedert een aantal jaren doet deze Vereeniging dienst als aalmoezenierster voor tal van stadgenooten, die thans met dikwijls veel minder geld dan vroeger, veel meer nut stichten. Ook elders wordt in gelijksoortige richting gewerkt; zoo in Schiedam waar bepaaldelijk een Vereeniging tegen bedelarij bestaat met gelijk doel, n.l. te zorgen dat gelden door derden beschikbaar gesteld, niet aan onwaardigen worden gegeven.

Wanneer wij nu even nog op bovengenoemde Amsterdamsche Vereeniging terugkomen, dan moet melding gemaakt worden van een in 1892 ingevoerde nieuwe inrichting, op het voorbeeld en het voetspoor van het bekende Elberfelder stelsel. Deels omdat het werk te omvangrijk werd, deels, en vooral, om te trachten zooveel personen mogelijk voor de practische toepassing van gezonde begrippen omtrent armenzorg te winnen, is een inrichting van het werk gemaakt, waarbij de stad in een aantal (oorspronkelijk 32) deelen verdeeld werd; aan het hoofd van elk deel (distrikt) staat een voorzitter, door het Bestuur benoemd, met een aantal vrijwillige bezoekers onder zich. De voorzitter met zijn bezoekers vormen de distrikt-commissiën, die omtrent alle in elk der distrikten afzonderlijk voorkomende, door het Bestuur ter behandeling opgedragen gevallen, zelfstandig beslissen. De hoofdleiding alsmede het algemeen finantieel beheer, de controle op een juiste toepassing der reglementen enz. berusten bij het Bestuur, dat ook de distriktbezoekers benoemt. Ook elders, b.v. in Utrecht en Rotterdam, -wordt dit stelsel ten deele gevolgd, en laatstelijk, in September 1904 heeft ook de Haagsche Vereeniging „Armenzorg” tot een proef, voorloopig met drie distrikten, besloten.

Tengevolge van het langzamerhand baanbreken van de nieuwere denkbeelden, is men te Amsterdam eindelijk gekomen tot een, wel nog niet algemeene samenwerking van de verschillende weldadigheidsinstellingen, maar toch van een aantal der voornaamste kerkelijke en bizondere vereenigingen. Te dien einde is in 1899 in het leven geroepen de Vereeniging van Armbesturen, die ten doel heeft te bevorderen de samenwerking tusschen de instellingen van Weldadigheid te Amsterdam, die hulp verleenen aan huiszittende armen. Een door haar, met medewerking der aangesloten Vereenigingen, ingericht algemeen register, geeft aan of en door wrelke dier Vereenigingen een hulpvragende ondersteund wordt, waardoor onnoodige dubbele bedeeling w^ordt voorkomen. Voorts houdt het Bestuur dier Vereeniging, uit afgevaardigden van de aangesloten instellingen gekozen, en de Vereeniging in haar geheel, uit alle afgevaardigden samen bestaande, bijeenkomsten waarin de algemeene belangen worden behandeld. In de Vereeniging zijn vertegenwoordigd: het Burgerlijk Armbestuur, eenige kerkelijke armbesturen en het Genootschap Liefdadigheid Naar Vermogen.

Behalve door de bestaande instellingen wordt ook door particulieren individueel op het gebied van liefdadigheid zeer veel gedaan. Te dien aanzien heerscht volmaakte vrijheid, zoodat naast een aantal waarlijk bevoegden, ook zeer velen zich met armenzorg inlaten,

die beter deden zich te onthouden, al valt ook in die gevallen dikwijls de goede bedoeling niet te miskennen. Niet ieder is in staat werkelijke en voorgewende armoede van elkander te onderscheiden; niet ieder is in staat of heeft de gelegenheid toe te zien, dat gegeven onderstand op goede wijze besteed wordt. En dit is toch noodig, wil men zooveel mogelijk bereiken dat inderdaad geholpen wordt, waar men helpen wil. Daarom is aansluiting bij een der goed georganiseerde instellingen voor armenzorg zoo zeer aan te bevelen.

Vestigen wij verder de aandacht op wat wij de parasieten der liefdadigheid zouden willen noemen; n.l. de commissionnairs in liefdadigheid die met lijsten bij particulieren rondgaan ten behoeve van hun soms onbekende personen, en zich daarvoor laten betalen, zoodat dikwerf slechts een klein deel komt in handen van hem voor wien het geld bestemd is. Somtijds is zelfs op die wijze gecolporteerd voor denkbeeldige armoede en kwam het geheel in de zakken van een oplichter. Natuurlijk volgde dan somtijds bij ontdekking een welverdiende straf voor den schuldige, — maar door het goedhartige onnadenkend geven wordt zulk kwaad in de hand gewerkt.

Vervolgens het houden van collecten langs de huizen, voor een groot deel door kleine, somtijds feitelijk slechts in naam bestaande Vereenigingen, terwijl van de opbrengst in den regel de helft aan den collectant komt. En onze armenwet laat het collecteeren vrij, en eiseht alleen voorafgaande kennisgeving aan het gemeentebestuur, dat zoodanige collecte wel kan stuiten maar niet dadelijk verbieden.

Afkeuring verdient mede het verzamelen van gelden voor een bepaald geval door middel van advertentiën, wanneer, zooals dikwijls gebeurt, de onderteekenaars dier advertentie niet behoorlijk met den toestand bekend zijn, noch weten of in staat zijn te beoordeelen hoe het bijeengebrachte geld besteed moet worden.

Fancy-fairs en dergelijken zijn bij hen die zich met armenzorg bezig houden in beginsel dadelijk veroordeeld; hoe menigmaal is het niet voorgekomen dat de onkosten in dergelijke gevallen de ontvangsten te boven gingen? En vooral kan men zich met deze wijze van geld verzamelen niet vereenigen, omdat men terecht wenscht de bijdragen voor de armen gegeven te zien om der armen wille, zonder bijoogmerken, zonder ophef, zonder de schrille tegenstelling die dan van zelf in het oog springt. De zorg voor de armen is een heilige plicht, zoowel voor degenen die persoonlijk het werk doen als voor hen die hunne bijdragen willen geven; alles wat daaraan vreemd is, behoort er van verwijderd gehouden te worden.

Eindelijk zij nog vermeld dat het jaar 1899 ons een Tijdschrift voor Armenzorg gaf, onder redactie van de heeren J. F. L. Blankenberg, Dr. H. J.

Dompierre de Chaufepié en Jhr. Mr. H. Smissaert; in 1903 heeft de kinderbescherming daarin officieel mede de plaats gekregen die het reeds vroeger gastvrij had, en zijn de heeren Jhr. Mr. A.

J. Rethaan Macaré en Th. Nolen mede in de redactie opgetreden.

Voor de verbetering der armenzorg wordt van Regeeringswege tot dusverre niets gedaan. In 1891 werd door de Mij. tot Nut van het Algemeen een commissie benoemd, om een onderzoek in te stellen „naar hetgeen tot verbetering van de armenzorg is of wordt beproefd en de uitkomsten van dat onderzoek neer te leggen in een verslag aanwijzende de beginselen waarop een doelmatige armverzorging moet berusten en de middelen waardoor zij kunnen worden .toegepast. De heeren Mr. A. F. K.

Hartogh, Mr. H. Goeman Borgesius en Mr. R. J. H.

Patijn werden door het Hoofdbestuur daartoe uitgenoodigd, terwijl spoedig daarna nog de heeren J. F. L. Blankenberg en Dr. H. J. de Dompierre de Chaufepié tot medeleden dier Commissie werden benoemd. In 1895 verscheen het rapport dier Commissie, waarvan de bizonderheden in de belangstelling van alle vrienden der armenzorg wordt aanbevolen.

Toen in 1897 de heer Goeman Borgesius Minister van Binnenlandsche Zaken werd, hoopte en verwachtte men op een spoedige herziening der Armenwet in den geest van het Nuts-rapport. Het daartoe strekkend ontwerp werd eerst in het laatste zittingjaar (1900/1) ingediend doch niet behandeld, en bij de wisseling van ministerie in dat jaar ingetrokken. De opvolgende regeering heeft mede een nieuwe armenwet toegezegd, en het is te hopen dat zij met de indiening niet lang zal wachten, want de toestand is onhoudbaar.