Gepubliceerd op 19-01-2021

Klimaat

betekenis & definitie

Het vasteland van Amerika doorloopt alle klimatologische gordels, behalve de zuidelijke koude; het heeft een grooter verscheidenheid van klima-dt dan eenig ander werelddeel en is in dit evenals in menig ander opzicht het land der uitersten. Door Groenland ligt het nader bij de noordpool dan eenig punt in Europa en Azië; het zuidelijkst gedeelte heeft een zoo koud klimaat als landen van het noordelijk halfrond, die wel 10° dichter bij de overeenkomstige pooi liggen.

Voorts is het klimaat, evenals hij Europa en Azië, ten opzichte van de ligging der plaatsen op gelijke hoogte in het westen en oosten van dit werelddeel zeer verschillend. Alle punten der oostkust hebben eene mindere gemiddelde jaarwarmte dan de onder gelijke breedte aan de westkust gelegene. In vergelijking met de Oude Wereld is de Nieuwe gemiddeld kouder, waarom ook de temperatuur der heete zone in Amerika merkelijk lager dan onder gelijke breedten in Afrika is. De hoofdoorzaak der grootere koude in N.-Amerika zijn de daar nog voorhanden groote en talrijke wouden van het binnenland; en de hoofdoorzaak van het zachter klimaat in Z.-Amerika is, behalve de daar ook aanwezige wouden, het bepaald heerschende bergkarakter, dat zelfs op de zuid-ameriltaansche vlakten zijn invloed in dit opzicht uitoefent. Over het geheel is het klimaat van Amerika gezond; slechts in sommige vlakke kuststreen, inz. van den Mexicaanschen zeeboezem, zijn ziekten, inzonderheid de gele koorts, heerschend. Van tijd tot tijd worden ook, inzonderheid op de Antillen, regelmatig wederkeerende orkanen zeer verderfelijk. — In Noord-Amerika onderscheidt men twee groote klimaat-gebieden: een Arctische zone, waarin de temperatuur altijd beneden het vriespunt blijft, en een gematigd-koud gebied.

Canada en de oostelijke deelen der Vereenigde Staten hebben regen in alle jaargetijden. De streken tusschen het gebied der Siërra Nevada en het Rotsgebergte, en de vlakten ten oosten van laatstgenoemde berggroep, zijn arm aan regen; ’de kustlanden van den Grooten Oceaan over de Siërra Nevada hebben een zuiver zeeklimaat, gering verschil in zomer- en wintertemperatuur, hooge gemiddelde jaarwarmte en overvloedigen neerslag, inzonderheid gedurende herfst en winter. In de kuststreken van Californie tot op het noordelijk deel van het schiereiland NederCalifornie treft men een zuiver sub-tropische zone aan, Mexico, Midden-Amerika, WestIndië en het grootste deel van Zuid-Amerika (ten oosten der Andes) kan men als één groot tropisch gebied beschouwen, waar men (met uitzondering der hoogvlakten) een zeer hooge temperatuur heeft, met slechts zeer weinig verschil tusschen de warmste en de koudste maand. De tropische regentijd valt ook hier samen met den hoogsten zonnestand, hoewel de ligging ten opzichte van bergketens of zeeën hierop uitzonderingen toelaat. Zuidelijk van tropisch Zuid-Amerika ligt ten oosten der Andes een gebied, gekenmerkt door zeer groote onregelmatigheid in den gang der weersverschijnselen; herhaaldelijk wisselen hier noordelijke en zuidelijke luchtstroomen elkander af, en na weken van droogte vallen er de hevigste regenbuien. In het algemeen zijn aldaar de drie zomermaanden (December, Januari, Februari) het rijkst, de drie wintermaanden het armst aan neerslag.Daarentegen kan de kust van Patagonië en van Zuid-Chili op een echt zeeklimaat met overvloedigen neerslag bogen; zij ligt in de zone der regens in alle jaargetijden, terwijl het maximum valt in den herfst en in den winter.

De meeste centrale gedeelten van Chili bezitten reeds een minder rijke besproeiing en eén echt subtropisch klimaat met zeer droge zomers en bijzonder vochtige winters.

Verder noordelijk neemt de neerslag nog sterker af en strekt zich een bijna regenlooze kuststreek langs den voet der Andes uit, welke kustzoom ter weerszijden van den keerkring geheel een woestijnachtig karakter heeft (woestijn van Atacama). — De gemiddelde warmte op deze kust is geringer dan die op de oostkust op gelijke breedte. (Zie voorts op de onderscheidene staten),

Dieren

Zoölogisch splitst men Amerika doorgaans in vier gebieden: het Arctisch gebied (de streken noordelijk van den 55sten noorderbreedtegraad in het westen en van den 50sten in het oosten), gematigd Noord Amerika (van de grenzen van het voorgaande gebied tot aan het Mexicaansche plateau), tropisch Amerika (de streken van Zuid-Amerika ten noorden van den 30sten zuiderbreedtegraad, Centraal-Amerika en de kuststreken van het Mexicaansch plateau), en gematigd Zuid-Amerika (de streken zuidelijk van het vorig gebied).

De fauna van Arctisch Amerika komt sterk overeen met die van Siberië; sommige vormen hebben zij gemeen, anderen worden door naverwante vervangen; enkele zijn aan dit gebied van Amerika eigen, als de muskus-os, de waschbeer, de ^muskus-rat. In dit gebied vindt men het rendier, waarvan echter niet dat voordeel wordt getrokken als in de oude wereld het geval is; verder den ijsbeer, den bever, den zeeotter, wiens pels de Russen over de Beringstraat lokte. Gematigd NoordAmerika bezit een rijke afwisseling van diervormen, in verband met het groot verschil in klimaat en grondgesteldheid op onderscheidene punten; dit gebied is rijk aan knaagdieren (eekhoorns, hazen) doch arm aan melkgevende herkauwers; men vindt hier een aantal herten en antilopensoorten, den buffel of bison, welk dier vroeger in ontzaggelijke troepen in de prairiën van den Mississippi werd aangetroffen, doch tot steeds enger gebied bepeikt raakt; de vogelfauna bevat een groot aantal soorten, vooral kegelsnaveligen; V4 dezer soorten heeft dit gebied met Europa gemeen; dit gebied is voorts rijk aan schildpadden en slangen. Tropisch Amerika heeft een rijk ontwikkelde fauna, inzonderheid in de omgeving van den evenaar; wel mist dit gebied de reuzenvormen der tropen van de oude wereld, doch geen enkele streek van den aardbodem kan met tropisch Amerika wedijveren in rijkdom en schoonheid van vogel- en insectensoorten; men vindt hier buitendien een 200-tal aapsoorten, waarvan de helft ongeveer oorspronkelijk is, die tezamen een eigen Onderorde in het dierenrijk uitmaken (zie Aap, Platneuzen of Apen der Nieuwe Wereld); de roofdieren zijn kleiner dan elders; de tapir vervangt onder de dikhuidigen den olifant; het hondengeslacht is er arm aan vormen, ook het kattengeslacht, doch in mindere mate; de buidelratten vervangen hier de marters; onder de knaagdieren is het watervarken het grootste; dit gebied is voorts als het vaderland van de Tandeloozen te beschouwen (luiaard, miereneter); de lamasoorten zijn de voornaamste oorspronkelijke herkauwers; de klasse der kruipende dieren is sterk vertegenwoordigd (alligators en een groot aantal andere hagedisachtigen, water- en reuzenslangen); onder de visschen zijn kenmerkend de zalmen, de meervallen, de lipvisschen, de elektrische alen. Gematigd Zuid-Amerika heeft onder zijn kenmerkende diervormen weinig belangrijke; het gravend knaagdier viscacha (Lagostomus trichodactylus) graaft breede mijnen en ondermijnt dikwijls den bodem derwijze dat deze onbegaanbaar wordt; met de wijziging der plantenwereld verandert hier in de eerste plaats de vogelfauna; de hoeveelheid soorten krimpt naar het zuiden snel in, de kleurenpracht verdwijnt; op Vuurland leven de witgekuifde tyran en een klein getal vinksoorten; kruiende dieren zijn zeldzaam en ontbreken op hiurland en de Falklands-eilanden zoo goed als geheel. (Zie voorts de verschillende staten.)

Planten

Uit een botanisch oogpunt splitst men doorgaans Amerika in twee gewesten; het eene omvat Noord-Amerika, Centraal-Amerika en de West-Indiën en wordt nader verdeeld in een Arctisch gebied, het Noord-Amerikaansch woudgebied, het gebied der Prairiën, het Californisch, het Mexicaansch en het West-Indisch gebied; het andere bestaat uit Zuid-Amerika en wordt bij nadere onderscheiding verdeeld in een Cis-equatoriaal-gebied, Equatoriaal Brazilië, Trans-equatoriaal Brazilië, de Tropische Andes, het Pampa-gebied, het Overgangsgebied van Chili (de kuststrook tusschen 23° en 34° Z.B.) en het Antarctisch woudgebied.

I. De Arctische flora heerscht in NoordAmerika benoorden den poolcirkel en aan weerszijden van de Hudsonbaai; dwergwilgen, dwergberken, dwergdennen zijn de eenigste boomsoorten; verder vindt men hier weinig meer dan mossen (rendiermos). Het NoordAmerikaansche woudgebied omvat een groot edeelte van Britsch Noord-Amerika en van e Vereenigde Staten; dit gebied heeft in het zuiden een geheel ander voorkomen dan in het noorden. Het gebied der Prairiën ligt besloten tusschen het woudgebied, (hetwelk zijn noordelijke en oostelijke grens vormt) en de Siërra Nevada, en strekt zich naar het zuiden uit tot den Kreeftskeerkring en is overheerschend op het schiereiland Neder-Californië; het bevat hoog-opschietende grassoorten; de flora is er arm aan verscheidenheid. Het Californisch gebied vertoont een flora, die aan die van de landen der Middellandsche Zee herinnert; het is rijk aan naaldboom- en cypressen-soorten; de eerstgenoemden bereiken nergens ter wereld een grootte als hier ; de „koning der dennen” (Sequoia gigantea) of mammoetsboom bereikt hier een hoogte van gemiddeld 100 meter; met goed gevolg wordt hier sinds lang graanbouw en ooftteelt gedieven; de europeesche wijnstok slaagt hier mede uitnemend. Het Mexicaansch gebied heeft op zijn oostelijken kustzoom een rijke flora; die van de drogere westkust is veel armer; de hoogere plateau-streken bezitten een gematigde of een sub-tropische flora; zoutsteppen en savanen vindt men in vele streken van het hoogland en van de westkust. Het West-Indisch gebied omvat naast de eilanden het schiereiland Yucatan en heeft rijke wouden en een zeer verscheiden flora, die het dankt aan zijn vochtig warm klimaat.

II. Het Cis-equatoriaal gebied omvat in hoofdzaak het deel van Zuid-Amerika benoorden den evenaar, met uitzondering van de Andes. Een deel van dezen gordel wordt ingenomen door llano’s en savanen, terwijl hij verder overal met tropische wouden overdekt is. In de rivieren komt o. a. de wereldberoemde victoria-regia voor. Equatoriaal-Brazilië omvat de oeverstreken van de Arpazone en haar zijrivieren, en bestaat geheel uit tropische wouden, selva’s, in welke de palmenfamilie in den grootsten rijkdom van vormen vertegenwoordigd is. Trans-Equatoriaal Brazilië strekt zich tot aan de grens der tropische regens uit en bezit op zijn kustranden tropische wouden, terwijl de binnenlanden uit savanen bestaan, welke echter nog tal van boomsoorten herbergen.

Onder de in het wild groeiende planten is de maté-struik (Ilex paraquayensis) het gewichtigste. De Tropische Andes bezitten alleen aan haar oostelijken voet en in de laag gelegen oostelijke dalen een rijke tropische flora, overeenkomende met die der beide vorige gewesten. Hier is het vaderland van de kinaboomen en van de cocastruik (Erythroxy- Ion coca). In het algemeen missen de Andes de prachtige bergweiden der Alpen van Europa. Het Pampasgébied omvat in den meest uitgestrekten zin de gewesten bezuiden de grens der tropische regens en beoosten de Andes tot aan de straat van Magelhaen. Het bestaat voornamelijk uit vlakten, bedekt met hoog gras, Het overgangsgebied van Chili, de smalle kuststrook tusschen 23° en 34° Z.Br., heeft slechts een schralen boomgroei ten gevolge der droge zomers.

In den winter vormen de steppengrassen heerlijke weiden, doch in den zomer verdorren deze op de meeste plaatsen. Dit gebied is het vaderland van den aardappel. Het Antarctisch woudgebied is, dank zij zijn vochtig klimaat, met heerlijke wouden bedekt, welker boomen ten deele in den zachten winter hun bladeren behouden. Nabij Kaap Hoorn zijn de kusten ten gevolge der stormen slechts met verschrompelde boomen bedekt. (Zie voorts bij de beschrijving der verschillende staten).

Delfstoffen

Wat de opbrengst van edele metalen betreft heelt Amerika sinds zijn ontdekking steeds een eerste plaats ingenomen- De westelijke berggroepen der Vereenigde Staten zijn zeer rijk aan goud; in het bijzonder was eenmaal Califomië net belangrijkst goudland der aarde; ook in Alaska, Britsch-Columbia, Nieuw-Schotland, Mexico, Honduras, Coiumbia, Venezuela, Guyana, Brazilië en Bolivia wordt goud gevonden. Zilver vindt men in de Vereenigde Staten, hoofdzakelijk aan de oostelijke helling der Siërra Nevada en in bet Rotsgebergte, en voorts in Mexico, Midden-Amerika, Bolivia, Peru en Chili. Ijzer wordt in ontzaglijke hoeveelheid gewonnen in het Alleghany-gebergte en komt bovendien in andere streken vrij veel voor. Steenkool is over geheel Amerika verspreid, vooral in de Alleghanies en de centralè gebieden der Unie, op Vancouvers-eiland, in Canada en NieuwSchotland. Petroleum vindt men in verbazende hoeveelheid in de Alleghanies en in Opper-Canada. Overigens levert het delfstoftenrijk in Amerika in meerder of minder groote hoeveelheid: koper, lood, kwik, salpeter, edelgesteenten, zout, asphalt, enz.

Bevolking

De bevolking der Nieuwe Wereld is betrekkelijk gering; op bijna 40 millioen vierkante kilometer grond wonen slechts ruim honderd en een kwart millioen menschen, in elk geval nog geen vijf menschen op eiken vierkanten kilometer.

De oorspronkelijke Amerikaan (Indiaan of Roodhuid) wordt meer en meer door het blanke ras verdrongen. De voornaamste typen daarvan zijn de Eskimos of (in de poolstreken), de Alhabaska’s, de Algonquins (in Britsch Noord-Amerika enz.), de Azteken (Mexico), de Caraïben (in de streken van den Orinoco), de Inca’s (Peru), de Guarinis, de Botekuden (Brazilië), de Patagoniërs (Patagonië); elk dezer typen omvat menigten van stammen, die allen in taal, gebruiken, kleeding, begrippen enz. min of meer van elkaar zijn onderscheiden (zie bij de verschillende staten). De verkeerde benaming van Indianen vond zijn ontstaan in de dwaling der eerste ontdekkers, die Amerika voor de oostelijke voortzetting van Indië hielden; de vrij onjuiste benaming van Roodhuiden danken zij aan hun huidskleur, die van geel- en lichtbruin tot chocoladebruin alle verscheidenheden doorloopt, terwijl slechts enkele stammen van NoordAmerika een koperroode huid hebben. De overhand hebben de blanken; sinds vier eeuwen stroomen landverhuizers van Europa naar Amerika; onder de van Europa afkomstige bevolking hebben de Romanen (Spanjaarden, Portugeezen, Franschen) en de Germanen (Engelschen, Duitschers, Nederlanders enz.) de overhand. Voorts vindt men in Amerika massa’s Negers, voor wie Amerika gedurende meer dan drie eeffwen door de slavernij een oord des vloeks was, doch die nu bijna overal, inzonderheid in de Vereenigde Staten, waar zij het meest voorkomen, voor de wet ongeveer gelijke rechten als andere rassen hebben; hun getal wordt geschat op 16 millioen zielen. Voorts vindt men in Amerika Chineezen, Indiërs en kleurlingen (mulatten, mestiezen, zambo’s, chinos, quadronen, kreolen, quinteronen).

Talen, godsdiensten, enz.

Zoowel de oorspronkelijkheid der fauna als der flora van Amerika is bestreden geworden; tén opzichte van den mensch zegt Dr. van der Horn van den Bos (De mensch, dl. II bl. 285): „Dat ook Amerika uit Azië zijne bevolking ontvangen hebbe, dat de Amerikanen derhalve oorspronkelijk ook tot de Mongoolsche volkengroep zouden behooren, is wel niet terstond historisch te bewijzen, doch het ontbreekt ook niet aan aanrakingspunten en overleveringen, die deze veronderstelling eenigszins toelichten en voorzeker niet tegenspreken. De overeenkomst der Eskimo’s of Karaliten met de NoordAziatische volksstammen in levenswijze en taal, de aardrijkskundige ligging der twee groote vastelanden, die hier genoegzaam aan elkander grenzen , verheffen althans in de poolstreken der beide werelddeelen deze meening genoegzaam tot zekerheid. Voorts vindt men bij velen der overige Noord- en Zuid-Amerikaansche volksstammen eene onmiskenbare toenadering in physische kenmerken tot de Mongoolsche volkeren, zoowel in physiognomie, in schedelvorm als in kleur”. Daarbij wijzen overleveringen van Amerikaansche stammen op eene herkomst van elders; ook spreken Chineésche verhalen van een ver verwijderd tegenoverliggend land, waarheen zij met hunne schepen volksplantingen overbrachten. Ook in de oorspronkelijke talen zooals de inboorlingen ze spreken, heeft men sporen van een vroegere gemeenschap van Amerika met andere deelen van den aardbol meenen te bespeuren.

Smith Barton, abtHervas, Vater en anderen hebben uit onderscheidene dialecten een groot aantal woorden verzameld, welke in Aziatische talen teruggevonden worden. De aard van deze overeenkomst van vele woorden is echter zoodanig, dat zij onderscheidene opvattingen gelijk recht van bestaan geven. Woorden die veel met elkander overeenkomen zijn aangetroffen in dialecten en tongvallen van Azië en Amerika, doch geen taalwendingen of vormen die het mogelijk maken een gemeenschappelijken oorsprong dier dialecten en tongvallen aan te nemen. — De talen en onderdeden daarvan zijn in Amerika zeer talrijk. Enkele ervan worden over groote uitgestrektheden gesproken, doch de meeste zijn tot enkele stammen beperkt. De taal der Caraïben heeft, volgens Gily, het aanzijn gegeven aan een twintigtal anderen; in Pategonië en Chile of Chili wordt in zekeren zin één taal gesproken, zij het dan ook met vele wijzigingen; de dialecten van Brazilië brengt men allen terug tot één taalstam, zijnde de taal der Guaranis; de Aymar-taal en de Sapiboconataal komen sterk overeen, o. a. hebben zij dezelfde telwoorden; de Quichua-taal is de hoofdtaal der eigenlijke Peruanen. In NoordAmerika wordt de Azteken-taal van het Nicaragua-meer tot op den 37stel‘ noorderbreedteraad door de Indianen verstaan; zij is rijker an die der Inca’s, doch minder welluidend; na de Aztekentaai is die der Otomieten het belangrijkst, wat gebruik betreft; daarnaast bestaan van de landengte van Dariën tot den 23steu noorderbreedtegraad nog een twintigtal talen, waarvan sommige geordende grammaires en min of meer volledige woordenboeken bezitten; vele dezer talen hebben onderling even weinig overeenkomst, volgens Malte-Brun, als het fransch met het poolsch.

De Tancarden in de omstreken der Roodé-rivier hebben een zeer arme taal en drukken half met klanken half door teekens en gebaren hun gedachten uit. In de zuidelijke deelen van de Vereenigde Staten spreken de stammen der Chaktah’s en den Chikasa’s een taal die na aan die der Cheeroken verwant schijnt, en overeenkomst heeft met de dialecten der Muscogeezen en Katabassen. Noordelijker vindt men de taal der Seneka’s, der Mohawks, der Onondago’s, der Tuscaroras, der Wyandotten, der Oneida’s. De Nadowessies hebben een in vele opzichten op zichzelf staande taal. De dialecten en tongvallen der Chippeway-taal zijn in gebruik onder de Penobscotten, de Mohicanen, de Minsis, de Naragansetts, de Natiks, de Irokeezen, de Hurons enz. De idiomen der Eskimos strekken zich uit van Groenland tot Oenalatsjka; de taal der bewoners van de Aleoeten-eilanden schijnt aan de Eskimo-dialecten na verwant, evenals die der Samojeden.

Het meerendeel der oorspronkelijke amerikaansche talen draagt het stempel van de afzondering, waarin het werelddeel Amerika tegenover het overig deel van den aardbol zoolang heeft verkeerd; deze talen wemelen van aanmoedigingen ten oorlog, van opwekkingen ten strijde, van namen van voorwerpen die met krijg in verband staan of wel op jacht betrekking hebben — duidelijk aanevende in welke richting zich de gedachten iergenen die ze deden geboren worden hoofdzakelijk bewogen. Andere talen die op Amerika’s bodem ontstonden zijn daarentegen zoo kunstmatig en vernuftig geordend en worden door zulke logische regels beheerscht dat men noodzakelijkerwijze een hoogen graad van beschaving bij de stammen of naties onder welke zij zich ontwikkelden moet erkennen. Inzonderheid in de ontwikkeling der werkwoorden openbaart zich bij de hierbedoelde talen de vindingrijkheid van de stammen, die ze spreken. Op de meest korte en spaarzame wijze geven sommige vervoegingsvormen bij-omstandigheden van de door het werkwoord uitgedrukte handeling aan, als in geen enkele beschaafde taal mogelijk is, zonder tusschenzinnen; een loutere accentwijziging in de Chippeway-taal moet in een andere taal dikwijls door een geheelen volzin verklaard worden. „

De godsdienstbegrippen der eigenlijke Amerikanen (Indianen) openbaren zich in geloof aan en in den Grooten Geest, in wien alle eigenschappen die hun ruwe gemoederen als goede verstaan vereenigd zijn, vergezeld van macht om alle dingen te doen naar willekeur en zonder verantwoordelijkheid. Alle Indianen nemen ook een toekomstig leven aan en een rekenschap over goed en kwaad. De vereering van den Grooten Geest is zeer eenvoudig; de gunsten welke de Indiaan verwacht en waarom hij smeekt zijn: zegepraal over vijanden en stoffelijk welzijn. De vertegenwoordigers van den Grooten Geest zijn de toovenaars, meestal tevens medicijnmeesters, die de feesten ter eere der godheid leiden, krankheden door gebeden en strijd met de booze geesten verdrijven, enz.

De godsdienst der Blanken in Amerika is de Christelijke. In Midden- en Zuid-Amerika is de Roomsch-Katholieke, in de Vereenigde Staten en Guyana de Protestantsche in zijn verschillende richtingen, de overheerschende; in Canada staan de belijders van den protestantschen godsdienst in aantal nagenoeg gelijk aan die van den katholieken.

De Indianen ten getale van anderhalf millioen, die nog in stammen bijeenleven, hebben geen vaste woningen doch leiden een zwervend bestaan, en maken zich slechts tijdelijke verblijven (wigwams) van boombast, dierenvellen of matten; de kleeding wijzigt zich met het klimaat; de inboorlingen van tropisch Amerika dragen hier en daar volstrekt geen kleeding, terwijl de Eskimo, de Groenlander en de Samojeed zichzelven als verliest in een massa dierenvellen, doorgaans met de vacht naar binnen gekeerd. Pronkzucht openbaart zich op verschillende manieren; de Botekuden doorboren zich de onderlip met een schijf hout, die ongeveer een decimeter uit hun mond blijft steken; de Groenlanders tatoeëeren zich handen, voeten, wangen, kin, enz.; elders tooit de Amerikaan zich met schelpen, vogelveeren enz. Bijna alle stammen over geheel Amerika komen overeen in minachting voor de vrouw, en nergens misschien is haar lot beklagenswaardiger. De Indianen zijn meesters in de kunst om zichzelf te beheerschen; zij zijn sterk in het doorstaan van lichaamssmart, en dientengevolge uitermate wreed en onbarmhartig en bovendien in den hoogsten graad wraakzuchtig, doch niet ontdaan van edelmoedigheid. Het oorspronkelijke in den Amerikaan gaat echter verloren naarmate hij in aanraking komt met het blanke ras; gedeeltelijk slechts blijkt dit in zijn voordeel. De Indianen schijnen over het algemeen bijzonder vatbaar voor den hartstocht der onmatigheid.

Geschiedenis

Een algemeene geschiedenis heeft Amerika niet; omtrent het ontstaan, en de ontwikkeling der bijzondere staten en hun verhouding tot naburen vóór 1492 is zeer weinig bekend; wat daaromtrent als vertrouwbaar aangenomen wordt vindt men onder de beschrijving der onderscheidene staten. Voorzeker is Amerika vóór de tijden van Columbus door Europeanen bezocht geworden. De Scandinaviërs, na in 875 Ijsland en in 983 Groenland gekoloniseerd te hebben, staken naai’ Amerika over omstreeks het jaar 1000 (zie Aardrijkskundige ontdekkingen, deel I, bladz. 27a) en bereikten bijna den 42sten noorderbreedtegraad, ter hoogte van den tegenwoordigen staat Massachusetts; zij schijnen zich aldaar gevestigd te hebben en gemeenschap met het moederland onderhouden te hebben, waarschijnlijk over Ijsland en Groenland. Deze ontdekking ging evenwel verloren en had geen gevolgen. In Cardoc’s Historie van Cambrië wordt melding gemaakt van zekeren Madoc, zoon van Owen Gwijnnedd, vorst van Wales, die met een kleine vloot westwaarts zeilende na een reis van verscheidene weken een land bereikte, dat in voortbrengselen en bewoners geheel van Europa verschilde; men veronderstelt dat deze Madoc op de kust van Virginië is aangeland. Deze ontdekking wordt sterk betwijfeld en had in elk geval geen gevolgen, zoodat zij, zoo al waar, toch als van geen belang voor de geschiedenis der ontdekking van Amerika kan worden geacht.

De Geschiedenis van Amerika vindt haar uitgangspunt in de eerste reis van Columbus; 3 Aug. 1492 zeilde hij uit. Het eerste wat hij ontdekte was een eiland, San Salvador door hem genoemd, thans gerekend tot de Bahamagroep; zes mijlen ongeveer verder vond hij een eiland dat hij Santa Maria de la Concepcion noemde, en negen mijlen verder nog een eiland, door hem Fernandina geheeten; den 28*1 en October bereikte hij, na een aantal onbeteekenende eilanden aangedaan te hebben een land, dat de inboorlingen van andere eilanden Cuba noemden en dat dien naam behouden heeft, ofschoon Columbus het achtereenvolgens Juana, Fernandina, Santiago en Ave Maria doopte, en niettegenstaande de spaansche aardrijkskundigen het den naam van Lengua de Penjaro schonken. In het begin van Dec. vond hij San Domingo (Hispaniola); 16 Dec. dreef een storm hem naar het Schildpaddeneiland; 15 Maart 1493 kwam hij in Europa terug. Met zeventien schepen zeilde hij 24 September opnieuw uit; 1 October vond hij het IJzer-eiland, begin November Guadelüpe, Montserrat, Santa Maria Redonda, San Martin, Santa Cruz. Ongeveer 100 mijlen verder vond hij een groote eilandengroep, door hem Las unce mil Virgenes (de elfduizend Maagden) genoemd, terwijl hij het grootste -den naam af van Santa Ursula. Voorts ondekte hij an Juan Boutista (Porto-Rico); na zijn avonturen op Hispaniola, werwaarts hij alsnu terugkeerde, zeilde hij weer uit en vond Jamaïca, behalve vele onbeteekenende eilanden, bezocht andermaal Cuba, vond daarop weer verschillende kleine eilanden, en kwam ziek en afgemat op Hispaniola terug en ging 10 Maart 1496 naar Spanje onder zeil, waar hij vier maanden later aankwam. 30 Mei 1498 aanvaardde Columbus zijn derde reis; van de Canarische eilanden zette hij met drie schepen den koers naar het zuiden en vervolgens naar het zuidwesten; op 1 Aug. ontdekte hij Trinidad, niet ver van de kust van Guyana, en nabij de monding der Orinoco-rivier; de kracht waarmede deze rivier haar water in den Oceaan stuwt, werd Columbus bijna noodlottig; slechts met moeite gelukte het hem door een smalle straat te ontkomen; de ontzaggelijke watervoorraad der gevonden rivier bracht hem echter tevens op het denkbeeld dat deze onmogelijk van een eiland herkomstig zijn kon, maar om zoodanig aan te wassen groote uitgestrektheden ‘lands doorloopen moest hebben, dat hij derhalve aan een vast land gekomen was.

Geheel met deze gedachte vervuld wendde hij den steven en voer langs de kust van die streken, nu bekend onder den naam van Paria en Cumana. „Wij ankerden”, zegt Columbus „nabij dat gedeelte van het land, hetwelk wij Paria noemden. Eenige inboorlingen naderden in eene kano en noodigden ons in naam van hun opperhoofd uit aan land te komen. Ik nam de uitnoodiging niet aan. Verscheidene anderen kwamen aan de kust; sommigen droegen gouden kettingen om den hals, anderen paarlen op de armen; zij vertelden dat goud en paarlen in eene meer noordelijk liggende streek gevonden werden.” De inboorlingen verzekerden Columbus verder, dat hij zonder veel moeite van die schatten zooveel in zijn bezit kon krijgen als hij verlangde; de voorzichtigheid dwong de Spanjaarden echter eene veilige reede te zoeken, waar zij van de vermoeienissen zouden kunnen uitrusten. „Het nachtwaken”, schrijft Columbus aangaande zichzelven, „heeft mijne gezondheid aangetast. Gedurende drie en dertig nachten heb ik bijna niet geslapen, en eene lange poos was ik dientengevolge mijn gezicht kwijt. Ik heb altijd veel aan de oogen geleden, doch nooit zoo veel als nu.”

Vóór hij zich verwijderde zond Columbus eenige zijner manschappen aan land. Zij werden goed ontvangen. Een oud man en zijn zoon gingen hen tegemoet en geleidden hen naar eene groote woning, welke geen overeenkomst had met die welke op Hispaniola waren aangetroffen. Zij had het voorkomen eener tent en was aan de voorzijde versierd. Een aantal inwoners was er verzameld en de Spanjaarden werden er onthaald op iets als brood, op vruchten en roode en witte uit vruchten bereide dranken. De inboorlingen, zoo mannén als vrouwen, hadden een stuk doek om het lijf gewonden.

Het haar was lang en gevlochten. Bijna allen droegen versierselen. „Zij zijn,” zegt Columbus, „blanker, sluwer, schranderder en moediger, dan die ik in de Indiën gezien heb.” In het midden hunner kano’s, die lichter en beter gebouwd waren dan die van de bewoners der tot nog toe gevonden streken, was eene kajuit voor de opperhoofden en hunne vrouwen.

Columbus noemde deze streek los jardines (de tuinen). Alvorens onder zeil te gaan won hij nogmaals inlichtingen in omtrent de goudstreken en vernam, dat zij zich noordwaarts uitstrekten, doch de bewoners zich met menschenvleesch voedden. Het paarlengewest lag, naar men hem verzekerde, in noordwestelijke richting aan de kust. Drie dagen lang zeilden zij westwaarts langs de kust, tót zij bevonden, dat zij niet meer dan drie vademen water hadden. Columbus hield zich nu overtuigd, dat het land toch een eiland moest zijn, en een noordwaartsloopenden stroom vindende, zond hij een der kleinere vaartuigen uit om te zien oi die bevaarbaar was. De bemanning van dat vaartuig vond een groote golf, die de monding eener breede rivier vormde.

Columbus gaf die den naam van Paarlengolf. Het water was zoet en helder, de landstreek in het rond zeer schoon, Columbus gevoelde dat hij eer.e groote ontdekking had gedaan, ofschoon hij evenzeer als de minste zijner schepelingen in het duister verkeerde omtrent de waarde daarvan en de groote gevolgen die er uit zouden voortvloeien.

Na de smalle zeeëngte te zijn doorgevaren, welke hij den naam van Drakenmuil gaf, ontdekte Columbus in het noordwesten het eiland 'Ascencion, alsmede la Concepcion, tegenwoordig Granada geheeten. Hij bezocht nogmaals de zuidkust van Paria, waar hij op verscheidene plaatsen voor anker bleef liggen. Den 13^en Augustus ontdekte hij het eiland Margarita, dat zeer goed bevolkt was. Op het eiland Cubagua vond hij eene overheerlijke reede en waren de Indianen zeer genegen om hunne paarlen te verruilen. Hij hield zich eenigen tijd aan de kusten van dit eiland op, tot zijne oogziekte zoo zeer verergerde, dat hij genoodzaakt was naar San Domingo terug te keerei*. Aldaar aangekomen vond hij het eiland grootendeels in opstand, onder aanvoering van een Spanjaard, Francisco Roldan, door Columbus met een post van vertrouwen bekleed, waarvan hij echter een slecht gebruik had gemaakt.

Het gelukte Columbus dooronderhandeling den vrede te herstellen, doch hij zond met het verslag zijner ontdekkingen een aanklacht tegen Roldan naar Spanje; deze dit voorzien hebbende, zond met hetzelfde schip een verdediging van zijn gedrag, vergezeld van zware beschuldigingen tegen Columbus, (zie Columbus) welke in Spanje geloof vonden. Francisco de Bobadilla werd naar San Domingo gezonden om een onderzoek in te stellen, en, zoo hij de beschuldigingen gegrond vond, Columbus in het bestuur te vervangen. Hoofdzakelijk, waarschijnlijk, naar aanleiding van dit laatste punt in zijn lastbrief behandelde Bobadilla Columbus reeds dadelijk na aankomst op San Domingo als een misdadiger en zond hem als gevangene naar Spanje. Na allerlei wederwaardigheden kreeg C. eindelijk verlof tot een nieuwe reis en ving deze met 4 kleine schepen aan op 9 Mei 1502, op 66-jarigen leeftijd; hij stelde het verslag dezer vierde en laatste reis neder in een brief aan den koning en de koningin van Spanje, en titelde dézen brief Lettera Êarissima. 20 dagen nadat het anker gelicht was, dus 29 Mei 1502, bereikte Columbus volgens zijn journaal, de Canarische eilanden; 15 Juni kwam hij op een der Caraibische eilanden — St. Lucia, of waarschijnlijker Martinique, aan.

Na onder meer Santa Cruz en Porto-Rico te hebben aangedaan, liep hij 20 Juni de reede van San Domingo binnen; doch Ovando, de toenmalige gouverneur, weigerde hem verlof te verleenen aan land te komen. Na het eiland omzeild en in verscheidene havens het anker uitgeworpen te hebben, kwam hij in den kleinen archipel ten zuiden van Cuba. 30 Juli ontdekte hij het Pijnboomen-eiland. 14 Augustus naderde hij kaap Honduras. 11 September zeilde hij kaap Gracias a Dios om, zeilde vervolgens langs de geheele Mosquitokust en bespeurde twaalf eilandjes. 16 September, wierp hij het anker uit in de „Ongeluksrivier.” Den 25 September naderde hij het eilandje Huerta. Den 5 October bereikte hij de baai of golf van Caribaro. Den 17 October begon hij langs de kust van Yeragara te zeilen, ankerde aan den mond der rivier Cateba, voer langs vijf steden, waarvan eene Yeraguas genaamd werd, en kwam daarna voor de stad Cubiga. Den 2 November wierp hij het anker uit in Porto-Bello. Den 9 November zette hij koers naar kaap . Nombre de Dios en bereikte de „Voorraadshaven.’’ Den 25 November deed hij de haven van Guiga aan; in de Yeiligheidshaven waren de buitensporigheden der Spanjaarden oorzaak van oneenigheden met de Indianen.

Den 5 December werd hij door het slecht gedrag zijner equipage genoodzaakt, westwaarts terug te gaan; hij deed Porto-Bello aan, trachtte te vergeefs Veraguas te bereiken, was gedurende eenigen tijd aan een hevigen storm blootgesteld, doch vond eindelijk eene schuilplaats in den mond der rivier IJebra, die hij Beien of Bethlehem noemde, nabij Veraguas. Bartolomeo, zijn broeder, de Adelantado, of krijgsbevelhebber, bezocht de goudmijnen in het binnenland. Men wilde hier eene kolonie stichten, doch werd hierin belet door den oorlog met de Indianen en het stormachtige weder. Tegen het eind van April maakte de slechte toestand waarin het eskader zich bevond, de terugreis naar Europa noodzakelijk. Zij deden Porte-Bello aan, voeren door de Yeiligheidshaven voorbij eene groep eilanden, welke Columbus las Barbas noemde, en kwamen weldra in de golf van Dariën. Den 1 Mei zette Columbus koers naar Hispaniola en bereikte 10 Mei de noordwestkust van dat eiland in het gezicht der twee eilanden,* toen de Tortugas, nu de Kaaimannen-eilanden genoemd.

Den 30 Mei bereikte hij de groep bekend onder den naam van de Tuinen der Koningin. Na een hevigen storm te hebben doorstaan bereikte hij kaap Cruz, aan de zuidkust van Cuba. Den 28 Juni liet hij het anker vallen voor Puerto Bueno, later voor Puerto San Gloria (Jamaica), waar men de schepen op land moest laten loopen. Columbus zond Mendez en Fresco met eene sloep uit om van den gouverneur van Hispaniola hulp te verzoeken.

Ovando zond Columbus een vat wijn en een zijde spek, met de belofte van meer hulp en ook een groot schip te zullen zenden. Onlusten onder het scheepsvolk maakten Columbus zeer mismoedig. Den 28 Juni ging hij met de schepen, welke Ovando ter hunner hulpe gezonden had weer op weg. Den 3 Augustus bereikte hij het eilandje Beata. Den 18 liet hij het anker vallen op de reede van San Domingo. Den 12 September vertrok Columbus van San Domingo, en na eene reeks van verschrikkelijke stormen te hebben verduurd, kwam hij den 1 November te San Lucar aan, van waar hij zich naar Sevilla begaf.

Hiermede was zijn loopbaan als ontdekker gesloten. Anderen waren reeds op het door hem aangewezen spoor doorgegaan; de reis van Bastidas in 1500 naar de straten tusschen kaap Honduras en de monding der Orinoco vulde daar de ontdekkingen van Columbus aan; tusschen 1500 en 1514 drongen Pinzon en Solis naar het zuiden door tot den40sten breedtegraad ; reeds vroeger had Hojeda op zijn reis naar Trinidad, de Paria-baai en de kust van Cumana bezocht, aan welken tocht Amerigo Yespucci deelnam; in 1512 vond Ponce de Leon Florida; in 1513 stak Yasco Nunez de Balboa de landengte van Dariën over en aanschouwde den Grooten Oceaan; in 1519 was de geheele Golf van Mexico onderzocht en na ruim 25 jaren na Columbus’ eerste ontdekking was ongeveer de geheele oostkust van Centraal- en Zuid-Amerika bij de Spanjaarden bekend. Ook, in het noorden vorderde men snel; reeds in 1497 hadden de Cabots New-Foundland ontdekt en voor Engeland in bezit genomen; in 1500 volbrachten Portugeezen onder de Cortereals een kustreis om Labrador bijna tot aan de Hudsonbaai, daar zij vermoedelijk de Golf van Sint Laurens zijn binnengeloopen, reeds bij hen onder den naam van Golf der Twee Gebroeders bekend. Langzamerhand vestigde zich de meening dat naar een doortocht van den Atlantischen Oceaan naar den Grooten Oceaan in het zuiden moest worden gezocht. Tengevolge dezer meening ondernam Magelhaen zijn reis die het vinden van de straat die zijn naam draagt tengevolge had. Thans bleef er weinig meer te onderzoeken over dan het uiterste noorden en het uiterste zuiden; Schouten, een Nederlander, volbracht in 1610 de omvaart om kaap Hoorn; in 1616 doorvoer Lemaire de straat die zijn naam ontving; kort daarop zeilde Vexazzano voor rekening van Frankrijk langs .de kust, die thans de Atlantische kust van de Yereenigde Staten vormt en verbond door deze reis de ontdekking van Ponce de Leon-met die van de Cabot’s; in 1534 en ’35 doorzocht Jacques Cartier de Golf van Sint Laurens en voer de rivier van dien naam op tot aan het eiland Montreal; van Engelsche zijde werd het hooge noorden van Amerika onderzocht; de resultaten hunner onderzoekingsreizen leven voort op de landkaart in de namen Davis, Hudson, Lancaster, Baffin.

Staatkundige aardrijkskunde

Ruim ¼ deel van Amerika vormt koloniale bezittingen van Europeesche mogendheden; het overig deel bestaat uit zelfstandige staten onder den republikeinschen regeeringsvorm.

Zelfstandige Staten Oppervl. in KM.2 Inwoners in Millioenen Hoofdsteden

Ver. Staten van Noord-Amerika 9.035.642 65 Washington

Mexico 1.946.523 11¾ Mexico

Guatemala 125.100 1½ Guatemala

San Salvador... 21.070 ¾ Cojutepeque

Honduras 119.820 ⅖ Comagagua

Nicaragua...... 123.950 ⅓ Granada

Costa-Rica ...... ‘ 54.070 ⅔ San José

Haïti 28.676 1 Port-au-

San Domingo... 45.200 ½ Prince

San Domingo

Ver. Staten van Venezuela.... 1.539.400 ⅔ Caracas

Columbia 1.330.850 3⅓ Bogota

Ecuador 299.600 1 Quito

Peru 1.137.000 2¾ Lima

Bolivia 1.334.200 1⅕ Chuquisaca

Chili 776.000 2¾ Santiago de.

Argent. Republ. 2.894.000 3¾ Chile

Buenos Ayres

Paraguay 253.100 ⅖ Asuncion.

Uruguay 186.900 ¾ Montevideo

Ver. Staten van Brazilië 8.337.250 14 Rio de Janeiro

Totaal 29.568.351 114

Van het gedeelte van Amerika dat koloniale bezitting van Europeesche mogendheden uitmaakt, behoort ongeveer 9/10 aan Groot-Brittannië; volgens officieele opgave van het jaar 1900 bezit genoemde mogendheid in Amerika:

Naam Oppervlakte in □ eng. mijlen. Datums van annexatie.

Bahama-eilanden . . . 5.794 1629

Barbados 166 1605

Bermuda 18 1609

Canada 3.519.002 1760

Columbia (Britsch) . . 341.308 1758

Falkland enz 8.070 1770

Guyana (Britsch) 109.000 1814

Honduras 7.562 1798

Jamaica 4.200 1655

Leeward Islands 732 1763

Manitoba 60.520 1813

Nieuw-Brunswijk 27.174 1763

New-Foundland 40.200 1713

N.W.-Territories 1.713.000 1670

Nova Scotia 20.907 1627

Ontario : 223.000 1763

Prins Edward-eiland 2.133 1763

Quebec 193.000 1763

Tobago en Trinidad 754 1803

Windward Islands 524 1803

Totaal 6.278.064

De overige europeesche koloniën in Amerika zijn die van Frankrijk, Nederland en Denemarken. Frankrijk’s deel is daarvan het grootste: Fransch-Guyana, 124.506 km2, 400.000 inwoners, hoofdstad Cayenne.

Nederland’s Amerikaansche koloniën bestaan uit Suriname of Nederl. Guyana, hoofdstad Paramaribo, en Curagao en onderhoorigheden, hoofdstad Willemstad (zie Suriname en Curagao).

Eindelijk bezit Denemarken het woeste en onherbergzame Groenland (zie aldaar) en eenige weinig beteekenende eilanden, behoorende tot de kleine Antillen.