Gepubliceerd op 23-02-2021

Katoen

betekenis & definitie

de haren die groeien aan de zaden van verschillende soorten van het plantengeslacht Gossypium; deze planten zijn inheemsch in de tropische landen en worden daar en in eenige subtropische streken verbouwd, vooral in de zuidelijke staten van N.-Amerika, in Brazilië, West-Indië, Oost-Indië, Algerië, Egypte, Queensland, Turkije, hier en daar in Zuid-Europa. Gossypium herbaceum en Gossyp. arboreum zijn de voornaamste katoenplanten van tropisch Azië en Afrika, terwijl Gossyp. barbadense in Amerika inheemsch is; een bijzondere soort is Gossyp. religiosum, die voornamelijk in China en Oost-Indië verbouwd wordt en van wier roodgele vezel de Nankingstoffen worden gemaakt.

De katoengevende planten zijn 1- of meerjarige kruid- of struikachtige gewassen van 1/2 tot IV2 meter hoogte, met behaarden stengel, 3- tot 5-lobbige bladen en groote, bleekgele 5-tandige bloemen, die verspreid staan in de bladoksels en omgeven zijn door een 3-bladige bijkelk; de vrucht is een 3—5-hokkige, eivormige doosvrucht; bij de rijpheid springt deze met 3 tot 5 kleppen open en het lange, witte, veerkrachtige zaadhaar, dat de talrijke zaden dicht inhult, zet zich dan uit en treedt naar buiten. De K.-planten worden gekweekt uit zaden; zij stellen geen hooge eischen aan den bodem, doch verlangen een weinig zand. Bij overvloedig regen of kunstmatige bewatering krijgt men een langere vezel dan bij groote droogte, na het openspringen der vruchten echter is regen voor de vezel hoogst nadeelig. De katoenbouw put den grond snel uit en moet zich daarom gedurig naar nieuwe streken verplaatsen, zoodat de geheele katoenkultuur een nomadisch karakter heeft. In den nieuwsten tijd probeert men om gronden, vroeger door den katoenbouw uitgeput, door bemesting weer voor nieuwe bebouwing geschikt te maken. De oogst begint wanneer de vruchten beginnen open te springen; het zaadpluis wordt dan met de zaden uit de vruchtdoozen geplukt.

Na het openspringen der vruchten moet het plukken zoo spoedig mogelijk plaats hebben en hiervoor is een groot aantal arbeiders noodig (één arbeider verzamelt hoogstens 25 kilogr. zaadpluis per dag). De ruwe K. wordt eenige dagen in de zon gedroogd en dan machinaal ontkorreld (geëgrineerd), d. i. van de zaden ontdaan. Uit deze zaden wordt een olie geperst, die men vooral gebruikt om machines te smeren. De K. wordt betaald naarmate de vezel lang (tot 42 millim.), fijn, glanzig en zuiver is. De verzending der ruwe K. heeft meest plaats in samengeperste balen.In 1876 werd over de geheele wereld ongeveer 1450 millioen kilogr. K. geoogst, in 1890: 2800, in 1895: 2900, in 1900: 3050 mill. kilogr. De voornaamste productielanden zijn de Ver. Staten van N.-Amerika (1900: 2067 mill. kilogr.), en wel de staten Alabama, Arkansas, Florida, Georgia, Louisiana, Mississippi, Noord- en Zuid-Carolina, Tennessee, verder Britsch-Indië (1900: 370 mill. kilogr.), Egypte, Brazilië.

Katoenspinnerij

de reeks van bewerkingen die men in de spinnerijen het ruwe K. doet ondergaan om katoenen garen te verkrijgen. Deze bewerkingen zijn, naar volgorde:

1) Het openen en schoonmaken van het ruwe K. Dit dient om de vezels die door het verpakken tot kluitjes vereenigd werden, van elkander af te scheiden, en gelijktijdig de daarmede gemengde onzuiverheden te verwijderen. Deze bewerking kan op verschillende wijzen aangevangen worden: door het slaan of kloppen met de hand, met den wolf, duivel of snar, die de vezels losmaakt door middel van een cilinder, die met puntige ijzeren tanden bezet is; met den penduivel, een toestel, dat eenige overeenkomst met het vorige vertoont, doch waarbij de cilinders slechts vier rijen stompe pennen bezitten, en niet over hun geheele oppervlakte met scherpe tanden bezet zijn. Het openen en zuiveren van het K. wordt voortgezet door de slagmachines, die in hoofdzaak bestaan uit een as, die van twee vleugels is voorzien, en een ventilator. Door het slaan van de ronddraaiende vleugels worden de onzuiverheden van de katoenvezels afgescheiden en grootendeels door den luchtstroom meegevoerd.
2) Het kaarden. De oorspronkelijke, verwarde ligging van de katoenvezels wordt door het openmaken enz. geenszins verminderd, neemt daardoor veeleer toe. Aan het verspinnen van het ongeplozen K. kan eerst gedacht worden, zoodra de vezels recht getrokken en in evenwijdigen stand naast elkander geplaatst zijn. Hiertoe maakt men gebruik van de kaardmachines. Deze bestaan in hoofdzaak uit verscheidene ronddraaiende cilinders of trommels, welker ronde oppervlakte van buiten bekleed is met leer of caoutchouc, waarin een menigte stomphoekig omgebogen stukjes ijzerdraad gestoken zijn. Deze trommels zijn in aanraking met elkander, of wel met dakvormig daarover heenliggende deksels, die eveneens op de genoemde wijze van haakjes zijn voorzien; bij deze laatste komen de haakjes echter aan de binnenste oppervlakte voor en zijn zij omgebogen in een richting tegenovergesteld aan die van de haakjes der trommels. Het K. gaat eerst tusschen de groote trommel en eenige kleinere trommels heen, komt daarna tusschen de eerstgenoemde en de vaststaande deksels, en wordt vervolgens door de kleine trommel (afnemer, wentelaar) opgenomen. Intusschen wordt het K. voortdurend uitgekamd en worden de nog daarin voorkomende onzuiverheden er uit afgescheiden.
3) De bewerkingen, die nu volgen en den naam spinnen dragen, hebben ten doel het K. in draden te veranderen. Daar het echter dikwijls meer dan 100-maal grover is dan de draad, die gesponnen moet worden, kan men het garen niet in eens tot den verlangden graad van fijnheid uitrekken; zulks moet langzamerhand geschieden met behulp van drie of vier machines, die het K. achtereenvolgens bewerken en het niet slechts uitrekken, maar ook ineendraaien. Men noemt dit het vóórspinnen; de grove, losse draad, welke daardoor ontstaat, heet vóórspinsel. Bij het spinnen van middelmatig fijne en fijne garens heeft het vóórspinnen tweemaal plaats. Het fijnspinnen of uitrekken van het grofspinsel tot fijnspinsel (garen) kan op twee verschillende wijzen geschieden. Ten eerste door den draad tijdelijk vast te houden met een klem, gelijk bij een tegenwoordig niet meer gebruikelijke fijnspinmachine, die Jenny wordt genoemd. Ten tweede door den draad zonder tusschenpoozen uit te rekken tusschen rekwalsen, die een verlenging van den draad teweeg brengen. De beide hoofdsoorten van fijnspinmachines (spinmolens), die op deze wijze werken, zijn: de water-spinmachine of drossel-machine en de mule-spinmachine of mule-bank. Een hoofddeel van het laatstgenoemd werktuig is de wagen; deze spint de draden en windt ze op. Al naar hij door handenarbeid of door stoom (of waterkracht) in beweging wordt gebracht, noemt men den mule-bank een handmule-bank of een self-actor. Het voltooide spinsel wordt in den vorm van klosjes of windsels afgeleverd, of wel van te voren nog op den haspel in den vorm van bindsels of knotten gebracht, die tot strengen of wrongen vereenigd worden. Daarna wordt het garen (zie ald.) naar de nummers van fijnheid gesorteerd. Men onderscheidt het garen, dat door de spinmachines geleverd wordt, in twee hoofdsoorten: watergaren of watertwist en mulegaren of muletwist; de laatstgenoemde soort is veel minder sterk ineengedraaid en veel losser. Sterk ineengedraaid mulegaren heet medio. Watertwist en medio worden bijna uitsluitend als kettinggaren gebruikt; het muletwist dient bovendien tot inslaggaren.

Omtrent het weven der katoenen garens zie Weven. De katoenen stoffen die het meest worden geweven zijn het gewone katoen, dat nog onderscheiden wordt -in druk-katoen en katoenlijnwaad, en verder shirting (voeringen hemdenkatoen), kambrik (katoenen kamerdoek of fijn hemdenkatoen), katoenbatist of batist-mousseline, jaconet, perkaal, calico, madapollam, katoen-barège, mousseline of neteldoek, canevas, tulle of katoengaas.