Gepubliceerd op 23-02-2021

Homerus

betekenis & definitie

naam van den dichter, aan wien de beide groote heldendichten der Grieken, Ilias en Odyssea, worden toegeschreven. Over zijn persoonlijkheid, vaderland en tijd ontbreekt elke zekere kennis.

Men heeft zijn persoonlijk bestaan in het algemeen in twijfel getrokken en door uitlegging van zijn naam, dien men tegen de taal in nu eens als „rangschikker”, dan als „genoot” verklaarde, willen bewijzen dat hij niet een individu, maar den idealen vertegenwoordiger van het kunstwerk als geheel of den idealen stichter van een opgeheven gilde van zangers beteekent. Maar wijl Homeros een eenvoudige, „gijzelaar” of „borg” beteekenende eigennaam is, zonder eenige symbolische betrekking of vingerwijzing op de poëzie, zoo ligt er in den naam geen grond om aan het bestaan van H. als van een historische persoonlijkheid te twijfelen, wier genie in de plaats van de tot dan toe beoefende afzonderlijke zangen voor het eerst een, volgens één enkele grondgedachte uitgewierkt grooter heldendicht stelde. Zooals bekend is dongen in de oudheid zeven steden naar de eer, de geboorteplaats van H. te zijn: Smyrna, Colophon, Rhodus, Salamis (op Cyprus), Chios, Argos, Athene. Als de oudere overlevering tamelijk beslist wijst op het aeolische Smyrna als zijn vaderstad en het ionische eiland Chios als plaats waar hij werkte, dan stemt daarmede onder meer de aeolische tint overeen van het ionische dialect, dat den grondslag vormt van het homerische taaleigen. Wat betreft den leeftijd van H., zooveel schijnt zeker, dat de tijd, waarin de epische poëzie zich verhief tot de hoogte, welke men aan het genie van H. toeschrijft, omstreeks 850 —800 v. Chr. valt.

Wat over zijn levensgeschiedenis wordt medegedeeld, is van jongeren datum en zonder eenige geloofwaardigheid, vooral de mededeeling dat hij blind was. Behalve Ilias en Odyssee dragen H.’s naam nog de BatrachomyomacMa, 34 z.g. hymnen (5 grootere op den pythischen en delischen Apollo, op Hermes, Aphrodite en Demeter en 29 kleinere op verschillende góden) benevens 16 kleinere gedichten, z.g. epigrammen. De Batrachomyomachie behoort in een vele eeuwen jongeren tijd; evenmin homerisch, maar toch ook overblijfsels van oudere poëzie zijn de epigrammen. Ilias en Odyssee zijn de oudste overblijfsels der grieksche literatuur en de grootste en volmaaktste heldendichten niet alleen van de grieksche, maar in ’t algemeen van alle poëzie. Hun inhoud vormt slechts een gedeelte van den grooten trojaanschen sagenkring. De Odyssee bezingt den terugkeer van Odysseus (Ulysses).

De eigenlijke handeling omvat slechts een tijdruimte van 41 dagen, terwijl de tijd van Odysseus’ afvaart van Troje tot aan zijn aankomst op Ithaca tien jaren bedraagt. De avonturen, welke Odysseus op zijn tochten ondervonden heeft, worden bij wijze van episoden verhaald. Nitzsch verdeelt dit epos in vier hoofdgedeelten. Het eerste, „de afwezige Odysseus” (boek 1—4), schildert de toestanden in het huis van den op het eiland van Calypso vertoevenden held en de reis van zijn, door de vrijers van Penelope gekwelden zoon Telemachus om berichten omtrent zijn vader in te winnen. Het tweede, „de terugkeerende Odysseus” (boek 5—13), bericht diens tocht van het eiland van Calypso naar de Phaeaciërs, aan wie hij zijn avonturen vertelt, en vandaar naar Ithaca. Het derde, „de op wraak peinzende Odysseus” (boek 13—19), toont den als bedelaar vermomden held, hoe hij zich met den trouwen zwijnenhoeder Eumaeus en Telemachus verstaat over het te houden wraakgericht.

Het vierde, „de wraaknemende Odysseus” (boek 20—24), schildert de uitvoering van het plan der wraak. Terwijl de Odyssee een kunstvol en ingewikkeld plan vertoont, behandelt de Ilias een tijdruimte van 51 dagen uit het tiende jaar van den trojaanschen oorlog in eenvoudige chronologische volgorde. Aanvangend met den toorn van Achilles over het wegvoeren van zijn geliefde slavin Briseïs door Agamemnon, schildert zij den door het wegblijven van den wrokkenden held uit den strijd op den 23sten tot den 27sten dag begonnen en langzamerhand hooger stijgenden nood der Grieken tot aan den val van Patroclus, het keerpunt van het gedicht, vervolgens de verzoening van Achilles met Agamemnon en zijn wraak op Heetor, Patroclus’ uitvaart en de uitlevering en begrafenis van Hector’s lijk.Reeds in de oudheid werd de onderstelling uitgesproken, dat Ilias en Odyssee niet van denzelfden dichter en niet uit een zelfde tijdperk afkomstig waren; de voorstanders daarvan, aan hun hoofd de grammatici Xeno en Hellanicus, noemde men chorizonten (de scheidenden). Inderdaad bestaat er tusschen de beide gedichten niet alleen een onloochenbaar verschil in den toon, maar ook in tal van bijzonderheden, welke minstens op een aanmerkelijk latere vervaardiging der Odyssee wijzen. De voorstellingen van de góden zijn hier edeler en volmaakter, het godsdienstige en zedelijke leven staat op een hoogeren trap; ook het huiselijke en sociale leven toont zich meer ontwikkeld en beschaafd, scheepvaart en handel zijn uitgebreider, kennis van vreemde landen eh hun voortbrengselen toegenomen. Ook ontging het den ouden geleerden niet, dat in beide gedichten niet alles op een gelijken trap van volmaaktheid staat, dat het niet ontbreekt aan storingen in het verhaal, zelfs niet aan tegenstrijdigheden. Terwijl zij dergelijke gebreken meestal door het aannemen van interpolaties ter zijde trachtten te schuiven, knoopten de nieuwere critici daaraan een reeks van scherpzinnige onderstellingen vast over het ontstaan der homerische gedichten. Opgewekt werd de z.g. homerische quaestie door Fr.

Aug. Wolf (Prolegomena ad Romerum, 1795), die de meening uiteenzette, dat mondeling ontworpen zangen van H. en diens school, de Homeriden op Chios, eeuwenlang door rondtrekkende zangers, de Rhapsoden, mondeling zijn overgeleverd en eerst naderhand door Pisistratus van Athene omstreeks 540 v. Chr. in hun tegenwoordige gedaante van twee, elk een geheel vormende gedichten gebracht zouden zijn. Hij grondde zijn bewering vooral op de onderstelling, dat het gebruik van het schrift in Griekenland eerst in de eeuw der zeven wijzen kan worden aangetoond. Zeker is het weinig waarschijnlijk, dat het gebruik van het schrift bij de Grieken in zoo ouden tijd reeds zoo verbreid was, dat de homerische gedichten van den beginne, van hun ontstaan af, gelijktijdig opgeteekend kunnen zijn. Daarmede is evenwel de mogelijkheid van grootere, één geheel vormende, dichtwerken niet uitgesloten; veel onmogelijker schijnt' het dat heldendichten» ■waarin zoo groote eenheid heerscht, ontstaan .zouden zijn uit een samenstel van niet op ■elkander berekende afzonderlijke liederen.

Ook hun taal wijst in haar hoofdbestanddeelen .absoluut op één taalperiode. Dat de homerische gedichten in hoofdzaak in hun tegenwoordige gedaante reeds vóór het begin der Olympiaden bestonden, is zeker, omdat naar hun voorbeeld en in aansluiting daarmede door de z.g. cyclische dichters epen van grooten omvang vervaardigd zijn. Dat eerst Pisistratus of de door hem benoemde commissie van geleerden, aan wier hoofd de dichter Onomacritus stond, Ilias en Odyssee als geheel geschapen zou hebben (welke meening na Wolf vooral is verkondigd door Lachmann, die in ■de Ilias 16 afzonderlijke gedichten aannam), wordt door niets bevestigd; vast staat veeleer, dat eerst onder Pisistratus een complete Ilias ■en Odyssee werd uitgegeven of samengesteld, d. w. z. een opteekening van het geheel in tegenstelling met de z.g. rhapsodieën, de •door de rhapsoden voor hun voordrachten, als bijzonder gewild of meer met hun talent overeenkomend, uitgezóchte passages. Een andere weg werd ingeslagen door G. Hermann, .die de tegenstelling tusschen een onloochenbare eenheid in het geheele plan der compositie en de tegenstrijdigheden en afwijkingen in onderdeelen, zocht te verklaren door een oer-Ilias en een oer-Odyssee aan te nemen van matigen omvang, een kern, welke langzamerhand werd uitgebreid door de bijvoegsels <en inlasschingen in de zangersscholen. Deze meening werd voor het eerst helder uiteengezet door onzen landgenoot, den tegenwoordigen emeritus-hoogleeraar dr.

S. A. Naber (zie ald.), die zich ten opzichte dezer z.g. homerische quaestie zeer verdienstelijk maakte, daar hij o. m. trachtte aan te toonen welke die oorspronkelijke kern was en welke de toevoegsels en hun tijd van ontstaan. Anderen namen een door de z.g. diasceuasten later tot stand gebrachte samenstelling uit kleinere epen, een Achilleïs en Ilias voor het eene, en een Telemachie en Terugkeer van Odysseus voor het tweede (aldus Kirchhoff), en andere bijvoegsels aan. Dat bij de vervaardiging van beide heldendichten reeds bestaande gedichten gebruikt kunnen zijn en dat zij, alvorens zij hun tegenwoordige gedaante verkregen, in den loop der tijden velerlei uitbreiding en omwerking ondergaan hebben, geven zelfs de voorstanders der eenheid (unitariërs) toe.

Buitengewoon groot was de invloed der homerische gedichten op de ontwikkeling van het grieksche volk. Met recht zegt Herodotus, dat Homerus en Hesiodus de góden hebben geschapen voor de Grieken; de godsdienstige voorstellingen, door deze beide dichters gemaakt, zijn voor de Hellenen door alle tijden heen toonaangevend geweest. Uit de mythen van H. haalde de tragedie haar beste voedsel; Aeschylus noemde zijn eigen dichtwerken de broodkruimels van de rijkvoorziene tafel van H. Plato noemt H. den opvoeder van Griekenland, en steeds was H. voor de Grieken „de dichter” bij uitstek. De geleerde onderzoekingen der alexandrijnsche grammatici gingen uit van de studie van H.; van hen is de weinig doelmatige indeeling van elk der beide heldendichten afkomstig, in 24 boeken naar de letters van het ionische alphabet, en op H. heeft de philologische en critische wetenschap der Grieken zich gevormd. De drie voornaamste grammatici Aiexandrias, Zenodotus en Aristophanes, maar vooral Aristarchus, hebben achtereenvolgens critische uitgaven (diorthoses) van H. bezorgd en tot op den byzantijnschen tijd is H. het middelpunt der studiën gebleven.

Ook de Bomeinen hebben hem hun volle belangstelling gewijd. In de middeleeuwen was hij in het westen slechts bekend door het metrische uittreksel uit de Ilias, ,d.en z.g. Homerus Latinus. Tijdens de renaissance vond hij langen tijd niet het juiste begrip, noch de eer die hem toekwam, terwijl Vergilius voor den grootsten dichter gold. De juiste opvatting en waardeering ging van Engeland uit en werd verder in Duitschland gekweekt door mannen als Lessing, Winckelmann en Heyne.

De beide heldendichten munten uit door eenvoud en rijkdom van inhoud; alles wordt voorgesteld op eenvoudige, ware en natuurlijke wijze en plastisch aanschouwelijk gemaakt. De taal is eenvoudig en natuurlijk, daarbij welluidend, lieflijk, geleidelijk voortvloeiend, zoodat zelfs bij de hevigste uitbarstingen van hartstocht nog een zekere weldadige kalmte in de uitdrukking heerscht. De homerische gedichten blijven een voorbeeld voor alle eeuwen.

Van de volledige uitgaven, welke na de editio princeps van Demetrius Chalcondylas (2 dln., Florence 1488) verschenen, dienen genoemd te worden: de editie van Clarke (Londen 1729—40, en meermalen, het laatst in 1822), Ernesti (5 dln., Leipz. 1759—64, nieuwe uitg., door Dindorf, 5 dln., 1824), Wolf (2 dln., Halle 1795, nieuwe uitg., 4 dln., Leipz. 1804—07), Heyne (9 dln., ald. 1802 —22), I. Bekker (2de dr., 2 dln., Bonn 1858), Nauck (2 dln., Berl. 1874—77), Ludwig (Leipz. 1889 vlg.), Van Leeuwen en Mendes da Costa (Ilias, 2de dr. Leiden 1894—96, Odyssea, ald. 1890—92). De Ilias afzonderlijk werd o. m. uitgegeven door: Spitzner (4 dln., Gotha 1832—36), Fasi (Berlijn, herhaaldelijk, 1888 vlg. door Franke), Döderlein (ald. 1863—64), La Roche (2 dln., ald. 1876), Düntzer, Ameis (later door Hentze), Rzach, Cauer, Köchly (Iliadis carmina XVI, reconstructie der afzonderlijke gedichten volgens de theorie van Lachmann, Leipz. 1861), Christ (Iliadis carmina seiuncta discreta, eveneens een poging om den oorspronkelijken vorm weer te geven, ald. 1886), Fick (Die Homerische Ilias in der ursprünglichen Sprachform wiederhergestellt, 2 dln., Göttingen 1886); de Odyssee door: Fasi (later door Hinrichs-Resmer), Düntzer, Ameis (later door Hentze), La Roche, Cauer, Fick (ook weer in den oorspronkelijken vorm, Gött. 1883). De homerische Hymnen werden o. m. uitgegeven door: G. Hermann (Leipz. 1806), Baumeister (ald. 1860), Gemoll (ald. 1886), Goodwin (Oxford 1893), Abel (benevens de Epigrammen en de Batrachomyomachie, ald. 1886); de Batrachomyomachie door: Baumeister (Gött. 1852), Brandt (in dl. 1 der Parodorum epicorum graecorum reliquiae, Leipz. 1888).

Onder de talrijke vertalingen van H. is vooral bekend de duitsche van J. H. Voss (4 dln., veelvuldig nagedrukt, Altona 1781 en 1793); vermaard is de nederlandsche metrische vertaling der Ilias door mr. C. Vosmaer (met illustraties, Leiden 1879); een vroegere nederlandsche vertaling in de oorspronkelijke versmaat is die van mr. G.

Dorn Seiffen (Utr. 1855); nog ouder is die van mr. Jan van ’s Gravenweert (zie ald.; Ilias, 1819 en 1854; Odyssea, 1824 en 1861); de allernieuwste is die van dr. W. G. van der Weerd (Ilias, in proza en met korte ophelderingen, Amst. 1904). Onder de verschillende woordenboeken voor het dialect van H. noemen wij die van Döderlein (3 dln., Erlangen 1850 —58), Autenrieth (Leipz., herhaaldelijk uitgegeven), Ebeling (Lexicon Homericum, 2 dln., ald. 1885), Gehring (Index Homericus, ald. 1890), vergeh Buttmann, Lexilogus (4de dr., Berlijn 1865), Groebel, Lexilogus zu Homer (2 dln., ald. 1880). Het epische dialect werd op uitnemende wijze behandeld door prof.

J. van Leeuwen Jr. (Enchiridium Diclionis Epicae, Leiden 1894), die eveneens, te zamen met M. B. Mendes da Costa, Het taaleigen der Homerische Gedichten (3de dr., ald.) schreef, dat in het duitsch vertaald werd.

Literatuur: Vergeh F. A. Wolf, Prolegomena ad Homerum (Halle 1795, 3de dr. door Peppmüller, ald. 1884, overdruk met noten van Bekker, Berlijn 1876; vergeh Volkmann, Geschichte und Kritik der Wolf sehen Prolegomena Lpz. 1874), id., Vorlesungen über die vier ersten Gesänge der Ilias (uitgeg. door Usteri, 2 dln., Bern 1830—31), G. Hermann, De interpolationibus Homeri (Lpz. 1832, in dl. 5 zijner Opuscula), Nitzsch, De historia Homeri (Hann. 1830—37), Sagenpoesie der Griechen (Brunsw. 1852) en Beiträge zur Geschichte der epischen Poesie (Leipz. 1862), Welcker, Der epische Cyklus oder die Homerischen Dichter (2 dln., Bonn 1835—49, lste dl. 2de dr. 1865), Düntzer, Homerische Abhandlungen (Leipz. 1872), Bergk, Geschichte der griechischen Litteratur, dl. 1 (Berl. 1873), Lachmann, Betrachtungen über Homers Ilias (met bijvoegsels van Haupt, 3de dr., ald. 1874), Friedländer, Die Homerische Kritik von Wolf bis Grote (ald. 1853), Nutzhorn, Die Entstehungsweise der Homerischen Gedichte (Leipz. 1869), S. A. Naber, Quaestiones Homerieae (uitgeg. door de Kon.

Akad. v. Wet., Amsterd. 1877), Niese, Entwickelung der Homerischen Poesie (Berl. 1882), Bonitz, Leber den Ursprung der Homerischen Gedichte (6de dr., door Neubauer, Berl. 1885), Christ, Homer und die Ilomeriden (2de dr., Munch. 1885), v. Wilamowitz, Homerischen Untersuchungen (Berl. 1884), Meyer, Homer und die Ilias (Berl. 1887), Jebb, Homer: an introduction to the Iliad and the Odyssey (2de dr., Glasgow 1887), Seeck, Die Quellen der Odyssee (Berl. 1887), Kammer, Die Einheit der Odyssee (Lpz. 1873), id., Acslhetischer Kommentar zu Homers Ilias (Paderborn 1889), Nägelsbach, Anmerkungen zur Ilias (3de dr., door Autenrieth, Neurenb. 1884), Nitzsch, Erklärende Anmerkungen ztt Homers Odyssee (3 dln., Hann. 1826—40), Kirchhoff, Die Homerische Odyssee (2de dr., Berl. 1887), Nägelsbach, Homerische Theologie (3de dr., door Autenrieth, Neurenb. 1884), v, Sybel, Mythologie der Ilias (Marburg 1877),. van Nes, Homerica Quaestio quatenus mythologicis illustretur (Utrecht 1891), Völcker, Ucber Homerische Geographie und Weltkunde (Hann. 1830), v. Baer, Die Homerischen Lokalitäten in der Odyssee (Brunsw. 1878), Friedreich,, Die Realien in der Ilias und der Odyssee (2de dr., Erlangen 1856), Buchholz, Die Homerischen Realien (3 dln., Leipz. 1885), Helbig, Das Homerische Epos aus den Denkmälern erläutert (2de dr., ald. 1887), Lehrs, De Aristarchi studiis Ilomericis (3de dr., ald. 1882), Ludwich, Aristarchs Homerische Textkritik nach den Fragmenten des Didymos dargestellt und beurtheilt (2 dln., Leipz. 1884—85), La Roche, Homerische Textkritik im Alterthum (ald. 1866), id., Homerische Untersuchungen (2 dln., ald. 1869—93), Hartei, Homerische Studien (2dedr., Berl. 1873), I. Bekker, Homerische Blätter (2 dln., ald. 1872), W. Jordan, Das Kunstgesetz Homers und die Rhapsodik (Frankf. 1869).

Van de talrijke illustraties van Homerus, verdienen vooral vermelding: Flaxman, Umrisse zu Homer (Ilias, 34 bladen, Rome11793, Odyssee, 28 bladen, Göttingen 1803, te zamen opnieuw uitgegeven, Berh 1865), Tischbein, Homer in Zeichnungen nach Antiken, mit Erläuterungen; von Heyne (6 dln., Göttingen 1801—5), Inghiranti, Galleria Omerica (3 dln. met 390' ph, Fiesoie 1831—38); voorts Genelli’s Umrisse zum Homer en Preller’s „Landschappen uit de Odyssee”.