Gepubliceerd op 17-02-2021

Haven

betekenis & definitie

een natuurlijk of aangelegd en met open water in gemeenschap staand waterbekken of waterkom, waarin schepen, veilig voor zeegang en storm, gebouwd, geladen, gelost en hersteld kunnen worden. De hydrographische eischen wmaraan een H. moet voldoen, zijn de volgende: zij moet zoo mogelijk een veiligen in- en uitgang, rustig water en een voldoende diepte (minstens twee voet meer dan de grootste schepen die er verkeeren) hebben; door doelmatige maatregelen moet de waterstand op gelijk peil worden gehouden en verzanding voorkomen worden.

Elke H. moet verder een reede hebben, d. i. een gemakkelijk toegankelijke ankerplaats bezitten, waar de schepen door landtongen of kunstwerken voor de meest heerschende winden beveiligd zijn. Open reeden noemt men zulke, die geheel of grootendeels onbeschermd liggen; zoodanige open reeden hebben o. a. Kaapstad en Havre. Bij sommige havens zijn haven en reede, of de geheele havenkom en de plek waar de schepen rustig voor anker of vastgemeerd kunnen liggen, één; een voorbeeld van zoodanige H> is die van Kiel. Rotsige, bergachtige kusten zijn rijker aan goede natuurlijke havens dan vlakke, zandige kusten.De natuurlijke zeehavens kan men in drie klassen verdeelen:

1) ophoogingshavens, of zulke die tot stand zijn gekomen doordat onmiddellijk vóór de kust een deel der zee, door ophooging des bodems, afgescheiden is van het open water;
2) doorbraakhavens, zulke die ontstaan zijn doordat de zee zich landwaarts een weg heeft gebaand en aan de kust een waterkom heeft gevormd;
3) rivier- of mondingshavens, aan de monden van groote rivieren in zeeën.

Zuivere typen komen uiterst zelden voor, in den regel zijn meerdere typen gecombineerd. Havens met zandafzetsels tot schutsmuur staan in bijzondere mate bloot aan verzanding (Memel, Venetië). Vulkanische ophooging van den bodem in de nabijheid der kust, zoodat een haven tot stand komt, kan daar plaats hebben, waar vóór de kust vulkanische eilanden gelegerd liggen (Auckland), of wanneer de krater zelf onder water is gezet, (z.g. kraterhavens; Aden, Santorin). De doorbraakhavens, veelvuldiger voorkomende dan de vorige, zijn het meest typisch vertegenwoordigd in de fjordhavens (Bergen, Christiania, Stokholm, Boston) en ria’shavens (La Coruha, Brest, Plymouth, Falmouth, Sydney). Hiertoe kunnen ook gerekend worden de door voorgelegerde eilanden gevormde eilandhavens, gelijk in de oudheid Alexandrië, Tyrus en Sidon hadden, en waarvan heden Callao, Southampton, Portsmouth en Hong-kong karakteristieke voorbeelden zijn. Aan vlakke kusten heeft het derde type de overhand.

Sinds duizenden jaren heeft men aan zeeën met eb en vloed bij voorkeur aan monden van rivieren havens aangelegd, eensdeels wijl de scheepvaart allereerst op de groote rivieren bloeide en voorts wijl de meeste oceanische riviermonden min of meer diep landwaarts gaande bochten en daardoor bruikbare havens vormen. De voornaamste handelssteden van den tegenwoordigen tijd liggen voor het meerendeel aan of betrekkelijk dicht bij riviermonden (Londen, Hamburg, Liverpool, New-York, Bombay, Shang-hai, Antwerpen, Bordeaux, Rotterdam, Huil, Lissabon, Sevilla, Breinen, Stettin, Danzig, Koningsbergen, Lübeck). Van groot belang zijn voor de rivierhavens de getijden (zie ald.). Zonder deze zouden vele, als b.v. Hamburg, Rotterdam, Amsterdam, weldra een groot deel van haar beteekenis verliezen. De rivierhavens hebben boven die van de andere typen ook nog het groote economisch voordeel, dat zij in de rivieren tegelijkertijd een natuurlijken verkeersweg naar de dieper landwaarts gelegen streken hebben; daartegenover staat ’t nadeel dat de rivieren verzanden of haar loop veranderen kunnen.

Ook zee-engten bieden soms gelegenheid tot den aanleg van een goede ET., gelijk Konstantinopel en Kopenhagen bewijzen. Een groot aantal havens heeft slechts een gedeeltelijke natuurlijke beschutting, d. w. z. de kromming der kust beschermt ze slechts tegen wind uit enkele richtingen; voorbeelden hiervan zijn Smyrna, Cadix, Bahia, Valparaiso, Jokohama, Batavia, Zanzibar, Kaapstad, Melbourne.

Waar geen, natuurlijke havens voorhanden ;waren, was men genoodzaakt kunsthavens aan te leggen. Bij een kunst-H. zijn in de eerste plaats werken noodig die den ingang tegen de werking der zee en tegen verzanding beschermen, hetzij golfbrekers, zware dijken in zee, hetzij dammen (pieren, leiddammen, moles). Soms zijn zoowel golfbrekers als moles noodig (Dover, Odessa, Marseille, Genua, Algiers, Triest). De grootste golfbreker ter wereld heeft Cherbourg (4000 meter). Kunsthavens met twee, meestal een langen, smallen ingang vormende dammen, hebben o. a. Bremerhaven, Havre, Southampton, Dublin, Kroonstadt, Barcelona, Buenos-Ayres, Madras en Calcutta.

De eigenlijke haven is dikwijls in verschillende bekkens verdeeld; het voorste, dichtst nabij den ingang gelegen gedeelte heet de buiten- of voorhaven, het overig gedeelte binnenhaven. Overal waar het verschil tusschen eb en vloed groot is, wordt de binnenhaven door een een of meer sluizen afgesloten gehouden van de buitenhaven. De sluizen worden slechts gedurende het vloedgetij geopend, zoodat het scheepsverkeer in zulke havens tot weinige uren per dag beperkt is. Enkele havens hebben ook een bekken voor half getij (half tide basin, bassin a marée, Halbflutbecken), altijd gelegen tusschen buiten- en binnenhaven; zoodanige bekkens worden reeds bij halven vloed geopend en eerst weer bij halve eb gesloten. In de buitenhaven, waar de waterstand gedurig verandert, ankeren slechts kleine schepen of zulke die geen nadeel hebben te duchten van het aan den grond raken; alle steigers en landingsbruggen zijn hier bewegelijk. De binnenhaven, ook wel dok geheeten, heeft altijd eenzelfden waterstand.

Alle binnenhavens hebben hetzij steigers of wallen (kaden, quais) waar de schepen tegenaan kunnen liggen. Dikwijls heeft men behalve dokken ook nog een spuibekken aangelegd, dat dienen moet om gedurende den vloed water te verzamelen, ten einde daarmede bij eb den haveningang te spuien. Voorbeelden van door sluizen afgesloten havens zijn Amsterdam, Rotterdam, Bremerhaven, Antwerpen, Bordeaux, Londen, Southampton, Liverpool, GÏasgow, Calcutta, Buenos-Ayres. Open binnenhavens worden daar gebouwd, waar de getijden zich weinig of niet doen gelden (Hamburg, Bremen, Kaapstad, Bombay, alle Oostzee- en Middellandsche zee-havens).

Elke H. heeft allerlei werken en inrichtingen noodig, die het in- en uitloopen vergemakkelijken, gelegenheid geven om vast te leggen, de veiligheid verhoogen, enz. Hiertoe behooren signaalstations, steigers, kaden, loodsstations, betonning, bebakening, verlichting, mistsignaalapparaten, reddingsbooten enz. Verder moet er steenkool voorradig zijn, en inrichtingen, die het innemen van kolen kunnen bespoedigen. Om het lossen en laden snel te kunnen doen geschieden, moeten de kaden voorzien zijn van hydraulische of stoomkranen, die op rails verschuifbaar zijn naar de ligging van het schip. Des nachts worden vele groote havens electrisch verlicht.

Naar gelang van de bestemming eener H. onderscheidt men handels-, visschers-, vlucht- of nood- en oorlogshavens. Noodhavens zijn zulke, die slechts bij noodweer en door schepen welke gevaar loopen te stranden, worden aangedaan. De havens der Portlandbill (Oosten Westhaven) zijn de grootste noodhavens ter wereld; bij eiken storm in het Kanaal loopen hier een menigte schepen binnen. Vrijhavens noemt men zulke havens of gedeelten van havens, waar tolvrije waren worden gelost, transitohavens die waarin waren worden opgeslagen, die later weer naar het buitenland worden verzonden. Winterhavens noemt men in het bijzonder in binnenhavens die bassins, waarin schepen zonder gevaar voor ijsgang kunnen overwinteren. Quarantainehavens zijn afgezonderd liggende bassins, waar besmette schepen of zulke die van plaatsen komen waar een besmettelijke ziekte heerscht, op quarantaine (zie ald.) moeten liggen. Verdraghavens noemt men die chineesche en koreaansche havens die voor het europeesch handelsverkeer zijn opengesteld, d. i. waar europeesche schepen binnenloopen en handel drijven mogen. ‘

Ter handhaving van de orde bestaat in iedere haven een havenpolitie, aan wier hoofd in handelshavens meest een havenmeester staat; deze wijst ook aankomende schepen hun ligplaats aan. Behalve de oorlogshavens worden de havens gewoonlijk onderhouden door de gemeenten, die daarvoor haven-, lig- en kaaigelden heffen van de schepen die in haar haven verkeeren.