Gepubliceerd op 20-01-2021

Damp

betekenis & definitie

In het algemeen naam van elk gasvormig lichaam dat onder den invloed van warmte uit een vloeistof of uit vaste lichamen (ijs, arsenicum, kamfer, enz,) is ontstaan; luchtvormige vloeistof. Evenals de gassen zijn de dampen doorzichtig, en over het algemeen kleurloos; slechts enkele gekleurde vochten geven ook gekleurde dampen De overgang van een lichaam uit den toestand van vocht in dien van. damp noemt men verdamping; in engeren zin verstaat men onder verdamping of uitdamping ook een langzame ontwikkeling van damp aan de oppervlakte van een vocht, terwijl men onder koken een snelle voortbrenging van damp in een vochtmassa verstaat. Evenals de gassen bezitten de dampen veer- of spankracht, door welke zij een minder of meerder sterke drukking uitoefenen op de wanden der vaten die hen omsluiten; om het aanwezig zijn van deze spankracht aan te toonen vult men een glazen, in den vorm van een hevel omgebogen buis, tot op de helft met kwik; na een weinig ether in den korten gesloten arm te hebben doen stijgen, dompelt men de huis in een waterbad van ongeveer 45c C warmte; het kwik daalt dan langzaam in den kleinen arm en de bovenste ruimte daarvan vult zich met een gas, dat geheel het voorkomen der lucht heeft, en waarvan de spankracht blijkbaar evenwicht maakt met de kwikkolom en de damkringsdrukking, die in den langen arm door de lucht wordt uitgeoefend; dit gas is de damp van de ether; wordt de buis uit het water genomen, of het water waarin zij zich bevindt afgekoeld, zoo zal de damp die de bovenste ruimte van den kleinen arm vult, snel verdwijnen en de ether weer te voorschijn'treden wordt daarentegen het water nog boven de genoemde temperatuur verwarmd, dan zal de kwikvlakte nog lager dalen, hetgeen op een toenemen van de spanning wijst. Bij dit onderzoek heeft de dampvorming slechts langzaam plaats, evenals wanneer vochten vrij aan de lucht blootgesteld zijn; de dampkringsdrukking is in deze gevallen een beletsel voor snellere verdamping. Wanneer de vochten in het luchtledige worden geplaatst en derhalve de spankracht der dampen geen tegenstand ontmoet, vormen deze zich oogenblikkelijk: in het luchtledige gaan alle vluchtige vochten dadelijk in damp over. Om deze wet proefondervindelijk aan te toonen, dompelt men verschillende barometerbuizen in eenzelfden bak met kwik; van deze buizen, die ook allen met kwik zijn gevuld, laat men er eene tot barometer dienen en doet in de andere, ieder afzonderlijk, eenige droppels water, wijngeest en ether opstijgen; op hetzelfde oogenblik dat de vochten, in iedere dezer buizen, tot in het barometrisch luchtledige doordringen, ziet men dat het niveau van het kwik daalt; daar het gewicht der ingebrachte vochten de oorzaak hiervan niet kan zijn, omdat het gewicht hiervan slechts een klein gedeelte van het verplaatste kwik bedraagt, blijkt dat door elk der vochten oogenblikkelijk damp is voortgebracht, welks spankracht de kwikkolom heeft teruggedrongen. Bij deze proef zal echter het kwik niet in gelijke mate bij elk der gebezigde vochten neergedrukt worden, nl. in de buis met ether meer dan in die met wijngeest en in deze meer dan in die met water, gevolg van een tweede wet, luidende: bij een gelijke temp. bezitten de dampen van verschillende vochten niet dezelfde spankracht. De spanning van etherdamp, op 20°, is bijv. 25 maal grooter dan de spanning, ook op 2Ö°, van waterdamp.

Wanneer een vluchtig vocht, bijv. ether, in de buis van een barometer wordt gebracht, dan verdampt het oogenblikkelijk en geheel, wanneer de hoeveelheid zeer gering is; de kwikkolom wordt naar verhouding der ingebrachte hoeveelheid neergedrukt; gaat men voort met ether in de buis te brengen, dan komt er een oogenblik, dat die niet meer verdampt en in den toestand van vocht blijft; hieruit blijkt, dat er bij een bepaalde temperatuur een grens bestaat van de hoeveelheid damp, die zich in een gegeven ruimte kan ontwikkelen; heeft de verdamping deze grens bereikt, dan spreekt men van verzadigd-zijn van de ruimte met damp. Is een ruimte met damp verzadigd, zoo heeft ook de spanning haar grens of maximum bereikt. Om te doen zien, dat er in een besloten ruimte, die metdamp is verzadigd en bovendien nog een overschot van vocht bevat, bij een onveranderde temp- een maximum van spanning plaats heeft, dat de damp niet overschrijden kan, bedient men zich van een barometrische buis, die in een diepen bak of flesch gedompeld wordt; in deze buis, die aanvankelijk met kwik is gevuld, heeft men zooveel ether ingebracht als voldoende is om de barometrische ruimte te verzadigen en nog een overschot van vocht over te laten; de verzadiging ingetreden zijnde, meet men de hoogte van het kwik in de buis; als men nu de buis nog dieper indompelt, waardoor de damp schijnt te worden saamgedrukt, of wel de buis oplicht, waardoor de damp moest worden uitgezet, dan blijft de hoogte van de kwikkolom onveranderd dezelfde; de spanning van den damp blijft derhalve in beide gevallen even groot, daar de neerdrukking toe- noch afneemt; hieruit besluit men, dat wanneer de in een verzadigde ruimte vervatte damp wordt samengedrukt, een gedeelte daarvan weder tot den staat van vocht overgaat, en dat, wanneer daarentegen de drukking vermindert, een deel van het vocht, dat als overschot is achtergebleven, verder verdampt; in beide gevallen echter blijft de spanning zoowel als de dichtheid van den damp onveranderd.

In den niet verzadigden toestand komen de dampen geheel met de gassen overeen en deelen daarvan alle eigenschappen; wanneer toch de laatstgenoemde proefneming herhaald wordt met slechts een kleine hoeveelheid ether, zoodat de zich vormende damp niet tot verzadiging komt, en men de buis oplicht, zoo zal het kwik rijzen, wat het verminderen van de spankracht van den damp bewijst; bij dieper indompeling van de buis daarentegen daalt het kwik; de damp vertoont hier derhalve dezelfde verschijnselen als een gas bij gelijke omstandigheden, daar zijn spanning vermindert als het volumen vermeerdert en omgekeerd; in beide deze gevallen wordt waargenomen, dat het volumen, hetwelk de damp aanneemt, in de omgekeerde reden van de drukking is; verder, wanneer een niet verzadigde damp verwarmd wordt, blijkt, dat zijn aanwas in volumen van dezelfde orde als die der gassen is, en dat het getal 0.00367, voorstellende den uitzettings-coëfficiënt der lucht, ook als dien der dampen kan worden genomen; uit dit alles blijkt, dat de niet verzadigde dampen geheel overeenkomen met de gassen en dat op hen alle formules omtrent de samendruk- en uitzetbaarheid dezer laatsten (zie Gas) kan worden toegepast; echter dient hierbij in het oog gehouden, dat er altijd een grens van spanning of afkoeling is, bij welke de niet verzadigde dampen tot den staat van verzadiging overgaan, en dat zij alsdan een maximum van spanning en dichtheid hebben, dat niet overschreden kan worden dan wanneer de temperatuur der dampen, die in aanraking zijn met hun vocht, hooger wordt. Wanneer de ruimte, waarin de damp zich bevindt, niet verzadigd is, of zoo zij geen overmaat van vocht bevat, verhoudt zich de damp volkomen als een gas. d i., indien hij niet tot den staat van verzadiging is gebracht, nemen zijne spanning en zijne dichtheid toe in reden van de drukking; hieruit besluit men, dat de niet verzadigde dampen mede onderworpen zijn aan de wet van Mariotte, welke luidt: Wanneer de temperatuur dezelfde blijft, is het volumen eener gegeven massa gas in omgekeerde reden van de drukking, die op haar werkt. In den toestand van verzadiging echter, waarbij ze in aanraking zijn met hun vocht, verschillen zij geheel en al van de gassen, dewijl ze bij een gegeven temperatuur noch saamgeperst, noch uitgezet kunnen worden, daar hun spankracht en dichtheid standvastig blijven — wordt de besloten ruimte vergroot, zoo zet zich de dampvorming zoolang er vocht voorradig is voort; wordt de ruimte, waarin de verzadigde damp besloten is, verkleind, dan gaat de damp weer in den toestand van vocht over.

De spanning der dampen is niet dezelfde bij verschillende vochten; de waterdamp (zie Stoom) is wegens zijn vele toepassingen aanvankelijk het onderwerp van de nasporingen der natuurkundigen geweest: Regnault heeft het eerst door dezelfde handeling, die hem bij het meten der spankracht van wmterdamp diende, ook de spankracht van enkele andere vloeistoffen bepaald; op een temperatuur van 0° is de spanning van kwik, uitgedrukt in streepen, 0,02, van alcohol 13, van zwavelkoolstof 132, van ether 182, van zwavelzuur 1165, van ammoniak 7709 en bij een temperatuur van 100° van kwik 0,70, van alcohol 1685, van zwavelkoolstof 3329, van ether 4920. Wanneer twee gesloten vaten eenzelfde vloeistof op ongelijke temperatuur bevatten, en zij worden boven de vloeistof met elkander in gemeenschap gesteld, dan is de gemeenschappelijke spanning van den zich in de twee vaten vormenden damp niet, gelijk men geneigd zou zijn aan te nemen, het gemiddelde der in ieder vat aanwezige spanning. Wanneer er bijv. twee bollen zijn, waarvan de eene water bevat dat door plaatsing van den bol in smeltend ijs op 0° wordt gehouden, terwijl de andere water van 100° bevat, dan is, overeenkomstig de spanningstafel van Regnault de spanning in den eersten bol 4,6 m.m., in den tweeden 760 m.m.; zoodra echter beide bollen door een buis met elkander in gemeenschap worden gesteld, zal de damp uit den bol op 100° tengevolge van zijn hooger spanningsbedrag naar den bol op 0° stroomen, en daar dadelijk verdikken en hiermede doorgaan, zoodat de damp in den bol op 100° nimmer eenhoogere spanning bereiken kan dan die in den bol op 0°; er heeft derhalve van den bol van hoogste spanning een overhaling plaats naar den bol van laagste spanning. Als algemeen beginsel geldt hieromtrent: Wanneer twee vaten, die hetzelfde vocht in een verzadiging toelatende mate en bij ongelijke temperatuur bevatten, onderling in gemeenschap worden gesteld, zal de spanning van den damp in de beide vaten hetzelfde zijn en wel gelijk aan de spanning, die er bij de laagste der beide temperaturen gevonden wordt. Watt maakte van dit beginsel gebruik bij den condensator of verdikker der stoomwerktuigen

Dampvorming heeft bij alle natte stoffen plaats; een open met vloeistof gevuld vat zal na grooter of kleiner tijdsverloop geheel ledig geworden zijn: door de dampvorming, die aan de oppervlakte van de wateren van den aardbodem en van de vaste aardkorst plaats heeft, ontstaan de dampen, die in den dampkring opstijgen, dan tot wolken verdikken en zich in regen oplossen. Op de snelheid van de dampvorming van een vloeistof wordt invloed uitgeoefend:

1) door de temperatuur of den warmtegraad; het stijgen der temperatuur bespoedigt de verdamping, omdat daardoor de spankracht, die geheel door de temperatuur bepaald wordt, toeneemt;
2) door de hoeveelheid damp, die er van dezelfde vloeistof reeds in een omringenden dampkring verspreid is; de uitdamping van een vocht zou volstrekt nul zijn in een ruimte, die reeds verzadigd was met den damp van datzelfde vocht, en zou daarentegen haar maximum bereiken in een geheel 1-an dezen damp gezuiverde ruimte; tusschen deze uitersten wisselt de snelheid der uitdamping naar verhouding van het in mindere of meerdere mate verzadigd zijn der ruimte met dampen van denzelfden aard;
3) door de vernieuwing of verversching van de lucht, die op de vloeistof rust; heeft geen vernieuwing plaats, bijv. in een gesloten ruimte, zoo treedt spoedig verzadiging in en houdt alle dampvorming op;
4) door de uitgestrektheid der oppervlakte, waaraan de dampontwikkeling plaats heeft.

Een snelle voortbrenging van damp in een vocht, dat men verwarmt, heet koken (zie aldaar); koken kan alleen plaats hebben wanneer de dampen zich door een uitweg kunnen verspreiden; daar de dampen, die in een gesloten vat ontstaan, geen zoodanigen uitweg vinden, nemen hun spanning en dichtheid met de temperatuur meer en meer toe; de toestand van koken is echter onmogelijk; hieruit volgt, dat terwijl in een open vat de temperatuur van een vloeistof die van de kookhitte niet kan te boven gaan, zij daarentegen in een gesloten vat die verre kan overschrijden; de toestand van vloeistof blijft echter niet voortduren, maar heeft een grens; Cagniard-Latourheeft aangetoond, dat wanneer men water, wijngeest of ether in sterke glazen buizen giet, die men, na uitdrijving van de lucht door koken, dichtgloeit en vervolgens aan een krachtige warmte blootstelt, er een oogenblik komt waarop eensklaps het vocht verdwijnt en overgaat in damp, welker volumen weinig verschilt van dat van het gebezigde vocht; genoemde natuurkundige bevond op deze wijze, dat zwavelether geheel tot damp wordt gebracht op 200°, en dan minder dan het dubbele van zijn volumen in den staat van vloeistof inneemt, terwijl alsdan de spanning 38 atmospheeren bedraagt. (Zie ook Papin).

Gebonden warmte der dampen. Zoolang liet koken eener vloeistof voortduurt verandert de temperatuur der vloeistof niet; er heeft verder slechts opslorping van warmte plaats, waarvan damp-ontwikkeling het eenig resultaat is; de aangevoerde hoeveelheid warmte openbaart zich niet door den thermometer, daar de vrijwordende damp steeds dezelfde, of wel een iets lagere temperatuur heeft dan het vocht waaruit hij ontstaat, evenals hij het smelten valt derhalve ook hier gebonden warmte te constateeren; men duidt deze aan met den naam van spannings- of verdampingswarmte. Welke ook de temperatuur zij, waarbij een damp ontstaat, steeds beeft een oplossing van gebonden warmte plaats. Bij bet uitgieten op de band van een vluchtig vocht, b.v. eau de cologne, ontwaart men op de bevochtigde plek een sterke afkoeling; deze ontstaat daardoor dat de vloeistof, terwijl zij verdampt, bij haar spanning warmte opslorpt. Be aldus door dampen opgeslorpte gebonden warmte, kan zeer groote koude veroorzaken. Wanneer een verdampende vloeistoi niet die hoeveelheid warmte ontvangt, welke door de damp wordt opgeslorpt, zal de temperatuur dier vloeistof dalen en de afkoeling zal des te sterker zijn, naarmate de dampontwikkelingsneller plaats beeft. Leslie is er in geslaagd water te doen bevriezen, enkel door de uitwerking van een snelle verdamping; hiertoe plaatste bij onder de klok van een luchtpomp een glazen vat met geconcentreerd zwavelzuur en daarop een metalen hakje met eenig weinig water; bij het luchtledig maken der klok begon het water te koken en de dampen werden naarmate zij zich ontwikkelden door het zwavelzuur opgeslorpt; de hierdoor veroorzaakte snelle verdamping had weldra bevriezing van het overgebleven water tengevolge. Be koude, voortgebracht door verdamping, wordt in warme landen aangewend om vloeistoffen, b.v. water, koel te houden, in de z.g koelkruiken (zie /Ucaraza) Overgang vun damp tot vloeistof. Beze overgang, de verdikking van damp, kan teweeggebracht worden door afkoeling, samendrukking en scheikundige verwantschap; heide eerstgenoemde oorzaken vorderen dat de damp in den toestand van verzadiging verkeert; de derde brengt ook bij de meest verdunde dampen een verdichting teweeg, reden wraarom een aantal zouten den waterdamp uit den dampkring aantrekken en hem op hunne oppervlakte tot vloeistof verdichten Ophetoogenhlik dat de dampen verdikken, wordt bun gebonden warmte weer vrij, door den thermometer merkbaar; wanneer een stroom damp van b.v. 100 graden door water van gewone temperatuur wordt geleid, wordt dit water spoedig tot een temperatuur van 100 graden verwarmd; blijkbaar is de op deze wijze door den zich verdikkenden damp afgegeven warmte volkomen gelijk aan die welke hij bij zijn vorming vast gelegd of gebonden heeft (zie ook destillatie).

Dichtheid van een damp of soortelijk gewicht, noemt men de verhouding tusschen het gewicht van een bepaald volumen van een damp en dat van een gelijk volumen lucht bij gelijke temperatuur en spanning. Het bepalen van de dichtheid van dampen, afkomstig van vochten die beneden 100 graden C. of een weinig daarboven tot koken overgaan, geschiedt met het toestel van Gay-Lussac, verbeterd door Hofmaan Dit bestaat uit een gegoten ijzeren ketel, gevuld met kwik, waarin een glazen cylmder is geplaatst; deze is gevuld met olie of water, waarvan de temperatuur wordt aangewezen door een thermometer; binnen in den cylmder is een in graden verdeelde stolp, die hij den aan vang met kwik wordt gevuld Bij bet proefnemen met dit toestel, doet men de te verdampen vloeistof in een glazen fleschje; dit fleschje in de lamp toegegloeid hebbende, weegt men het, en trekt van liet verkregen gewicht datgene af, wat liet ledige fleschje woog; men heelt alzoo liet gewicht van het daarin gegoten vocht Vervolgens hrengt men het onder de stolp en brengt het water in den cylmder op een temperatuur die eenige graden hooger is dan die waarop het vocht in het fleschje tot koken overgaat Dit laatste springt nu aan stukken door de uitzetting van het daarin besloten vocht, en liet vocht drukt thans, terwijl het verdampt, liet kwik m de stolp naar beneden. Het is noodig dat het fleschje zóó klem zij, dat al het vocht, hetwelk men er in heeft gedaan, tot damp kan herleid worden, om zekerheid t hebben dat het gewicht van het vocht, hetwelk zich vooraf in het fleschje bevond, nauwkeurig het gewicht aanduidt van den damp die in de stolp is gevormd geworden liet volumen van dezen damp leert men kennen door middel van de graadschaal, die zich op de stolp bevindt. Zijn temperatuur wordt aangewezen door den thermometer en de drukking is gelijk aan de hoogte van den barometer, verminderd met die van het kwik dat in de stolp is. Voorts moet men nu 1 et gewicht berekenen van een volumen lucht dat gelijk is aan dat van den damp, bij dezelfde temperatuur en drukking; eindelijk moet het gewicht van den damp gedeeld worden door dat der lucht de uitkomst is de gezochte dichtheid, het specifieke gewicht.

Met het toestel van Dumas kan men dit onderzoek doen tot temperaturen van omstreeks 350 a 400 graden en naar de methode van B. Meyer van 1700 graden. Het toestel der methode-Dumas bestaat uit een glazen hol B met een langen, dun uitgetrokken, gebogen hals cn nagenoeg een halve liter inhoud. Na den bol van binnen en van buiten zorgvuldig te hebben gedroogd, weegt men hem terwijl hij alleen lucht bevat; dit geeft het gewicht van het glas Men giet vervolgens door de opening van den namven hals het vocht er in dat men wil verdampen; voorts dompelt men den hol in een door zout verzadigd waterbad, of in een bad van een metaalmengsel van d’Areet, naar gelang van de kookhitte van het vocht dat zich m den hol bevindt.

Ten einde den bol in liet bad te ondersteunen, bevestigt men aan een der handvatsels van den ketel eene ijzeren stang, langs welke eene staaf van hetzelfde metaal op en neer kan worden geschoven. Aan de staafbevinden zich twee ringen, waartussclien de hol wordt geplaatst, op de wijze als de figuur dit aan wijst. Aan het andere handvatsel is eene stang gelijk aan de eerste vastgemaakt, waaraan, een gewichtsthermometer D hangt, Nadat men den hol en den thermometer in het bad heeft doen zakken, stookt men den ketel tot een weinig boven het kookpunt van het vocht dat in den bol is gebracht De damp die zich door de nauwe punt ontlast verdrijft de lucht die in het toestel is. Op het oogenblik waarop de uitstroommg van den damp ophoudt, dat plaats grijpt wanneer al het vocht is verdampt, smelt men in de lamp, met de glasblazerspijp, de fijne opening dicht, zorg dragende dat men de temperatuur van het bad en de hoogte van den barometer aanteekent Eindelijk haalt men den bol uit het bad en nadat hij is afgekoeld en zorgvuldig afgeveegd, weegt men hem opnieuw, en liet gewicht dat men verkrijgt, toont liet gewicht aan van den daarin aanwezigen damp, vermeerderd met het gewicht van liet glas en verminderd met dat der verplaatste lucht. Om het gewicht van den damp te verkrijgen, moet men derhalve het gewicht van liet glas aftrekken en hij het verschil liet gewicht der verplaatste lucht voegen, hetgeen gemakkelijk is nadat men het volumen van den hol heeft bepaald. Om dit laatste te kennen, dompelt men de spitse punt in het kwik en breekt het uiteinde er af met een biugtangetje Daar de damp nu is verdikt geworden, is er een luchtledig in den hol ontstaan, waaruit volgt dat het kwik, door de uitwerking der dampkringsdrukking, in den bol dringt en dien geheel en al vult, indien er alle lucht is uitgedreven geworden. Door vervolgens het kwik dat in den bol gedrongen is over te gieten in een klok met graadschaal, komt men tot de bepaling van liet volumen van dit laatste, op de gewone temperatuur. Door berekening kan men daaruit het volumen van den damp bij dezelfde temperatuur afleiden Zoodoende komt men evenals bij de vorige methode, tot de kennis van het gewicht van een zeker volumen damp hij een bepaalde temperatuur en drukking.

De darnpdiehtheid bedraagt van .

Ammoniak 0 59 Benzol 2 75

Water 0.62 Chloroform 4.20

Alcohol 1 61 Terpentijnolie 4.76

Zwavel 2 21 Kwikzilver 6.98

Ether 2.57 Jodium 8 71

Vermenging van dampen en gassen

Elke vermenging van damp met gas wordt beheerscht door de heide volgende wetten, naar hem die ze ontdekte wetten van Dalton geheelen, en luidende 1 De spanning en h'jgevolg de hoe veelheid, van den damp, die een gegeven ruimte verzadigt, zijn, hij een gelijke temperatuur even groot, om liet even of deze ruimte een gas bevat dan of zij ledig is 2. De spankracht van het mengsel is gelijk aan de som der spanningen van liet gas enden damp die vermengd zijn, wanneer liet gas op zijn oorspronkelijk volumen is gebracht. — Beide wetten worden bewezen door de proef met liet desbetreffend toestel van Gay-Lussac. Bedoeld toestel bestaat uit een glazen buis (zie illustratie op blz 1888, letter A), aan wier beide uiteinden twee ijzeren kranen, b en d, door middel van een mastiek zijn vei bonden; de onderste der beide kranen is voorzien van een buisje, dat de buis A in verbinding stelt met een dunnere buts, B; een tusschen de huizen A en B geplaatste schaal heeft tot taak de hoogte der kwikkolom m heide huizen te nieten De proef met dit toestel heeft het volgende beloop; de buis A met kwik gevuld en de kranen b en d gesloten zijnde, schroeft men eerst op de kraan h, in plaats van den trechter C, een glazen bol M, die zelf door eene kraan gesloten en gevuld is met droge lucht of eenig ander gas Daarna opent men de drie kranen en laat een gedeelte kwik uit de buis A loopen, dat dan door de droge lucht uit den glazen hol M vervangen wordt. Men sluit vervolgens de kranen, en daar de lucht in de ruimte A, hij het gedeeltelijk verlaten van den hol, zich heeft uitgezet en daardoor op een lagere drukking is gebracht dan de dampkringsdrukking, zoo hrengt men haar tot deze terug door kwik in de huis B te gieten, totdat liet niveau in de heide huizen gelijk is. Ten laatste neemt men den hol en zijn kraan weg, en stelt in zijne plaats een trechter C, die almede voorzien is van eene kraan a, welke van de gewone kranen daarin verschilt, dat zij niet door en door gehoord is, maar slechts eene kleine holte bevat. Na het vocht dat men wil doen verdampen inden trechter C gegoten en de hoogte k van de kwikkolom aangeteekend te hebben, opent men de kraan b en draait de kraan a zoodanig om, dat hare holte met vocht gevuld wordt; daarna draait men haar verder door, opdat het vocht in de ruimte A dringen en daar verdampen kan. Men herhaalt deze bewerking en doet dus de vloeistof bij droppels in de ruimte A vallen, tot zoolang dat de lucht met damp verzadigd is, hetgeen men aan het ophouden van de daling van den kwiktop k kan bemerken.

Daar de spanning van den damp die in de ruimte A is voortgehraeht, zich bij die der lucht heeft gevoegd, welke reeds in die ruimte aanwezig was, zoo is het volumen gas vermeerderd; men brengt het echter gemakkelijk tot het oorspronkelijke volumen terug, door opnieuw kwik in de buis B te gieten. Wanneer dientengevolge het kwik in de wijde buis weder gerezen is tot op de hoogte k, waarop het aanvankelijk stond, zoo neemt men in de huizen A en B een verschil y. niveau Bo waar, dat klaarblijkelijk de spanning van den damp aanwijst die in deze ruimte is voortgebracht ; want daar dan de lucht haar vroeger volumen heeft hernomen, zoo is hare spanui ng ook weder die van de eerste maal. Wanneer men nu in liet luchtledige van e e n e harometerhuis eemge druppels brengt van hetzelfde vocht dat in de ruimte A is gedaan, dan neemt men eene nederdrukking van kwik waar, die gelijk is aan Bo, hetgeen overtuigend aantoont, dat, by gelijke temperatuur, de i spanning van een ; damp te midden van : een gas even groot is ; als in het luchtledige, : waaruit men besluit, dat bij dezelfde tem- : peratuur de dichtheid ! en gevolgehjk ook de • hoeveelheid damp, bij gelijk volumen,dezelfde is De tweede wet van Dalton wordt insgelijks door hovenvermelde pr efneming bewezen, daar, wanneer het kwik tot de hoogte k is teruggebracht, het mengsel de d a m pknngsdrukking draagt die op den top der k w i k k oJom B wordt uitgeoefend, benevens het gewicht dier kwik kolom Bo zelve Van deze beide drukkingen nu duidt juist de eene de spanning der droge ^lucht, de andere de spanning van den damp aan. Voor ’t overige kan de tweede wet als een gevolg der eerste worden beschouwd Met dit toestel kunnen slechts hij de gewone temperatuur proeven worden genomen, doch Begnault heeft, door middel van eene inrichting die op verschillende temperaturen kan worden gebracht, achtereenvolgens in de lucht en in het luchtledige de spanningen vergeleken van den damp van water, van ether, van zwavelkoolstof en van benzine, en bestendig waargenomen, dat de spanning van die dampen in de lucht zwakker is, dan in het luchtledige Intusschen zijn de verschillen zoo gering, dat zij niets af doen aan de wet van Dalton en van Gay-Lussac